Lichaam en geest / We denken vanuit ons lijf

Zien, horen, ruiken, het is allemaal hersenwerk, net als onze gedachten en herinneringen. Maar het brein is niet de enige regisseur, ons lijf fluistert het voortdurend van alles in. Denken is een chaotische samenzang van lichaam en geest, vermoedt de psychiater: zonder strakke partituur, maar wel uiterst effectief.

Wat te doen? Ik stond een pion achter, had het paard doelloos achter de loper gestald en moest meer lucht hebben. Gewoon de dame spelen of een instinker met de toren? ,,Dame!'' M'n hand was al op weg, ,,Nee, toren!''. Veranderde ik toch nog van gedachten.

Werden er op de valreep raderen in het brein omgelegd? Of zijn die gedachtenswitch en de neurale draai in wezen hetzelfde? Natuurlijk, het brein brengt ons denken en voelen voort. Maar dat denken of voelen hetzelfde is als een ballet van vurende zenuwcellen in de hersenen, vloekt met de ervaring van ieder mens die ooit diep verdriet doormaakte. Treuren is meer dan een biochemisch proces.

Toch treur je met je brein, verzekert professor Johan Den Boer, hoogleraar biologische psychiatrie in Groningen. ,,Er bestaat niet zoiets als mindstuff, of pure geest. Het mentale is gegrondvest in het neurale; de geest zweeft heus niet in het luchtledige.''

,,Blijft de vraag of het mentale toch op zichzelf staat, en dus in zekere zin van het lijflijke is losgezongen. Stel dat je aanneemt dat je van politieke partij verandert, louter door processen in het brein. Dan devalueer je je argumenten voor de ommezwaai tot iets onbenulligs. En dat gaat er bij ons niet in. We kunnen onszelf niet beleven als het nettoresultaat van neurale processen.''

Toch willen sommige neurologen doen geloven dat ons denken -of onze geest- niet meer is dan een neuronenspel, erkent Den Boer in het onlangs verschenen 'Neurofilosofie'. Die aanhangers van de 'harde leer' walsen over de subjectieve beleving van de leek heen, met het argument dat de taal waarin de gewone man over zijn geestelijke beslommeringen praat in feite minderwaardig is.

,,Zo hopen onderzoekers als Paul en Patricia Churchland dat we onze belevingen ooit in een neurobiologisch verantwoord taalgebruik zullen gieten. Dat we neuralees gaan spreken in plaats van mentalees.''

Wat is ermee gewonnen om niet meer gewoontjes te zeggen dat je het in je broek deed van angst, maar het te verwoorden in het neuro-jargon van de Churchlands. Zo zou angst in hun taal met stropdas klinken: 'Via de korte route van thalamus naar amandelkern zijn motosensorische en neuro-endocriene responsen gegenereerd'. Daar worden we niet wijzer van, denkt Den Boer: ,,Meer dan een verbale facelift kun je dat niet noemen: de achterliggende, subjectieve angstervaringen poets je er niet mee weg.''

Den Boer vermoedt dat we heel anders tegen het ontluiken én de aard van gevoelens en gedachten moeten aankijken. ,,Laten we allereerst eens afzien van het hardnekkige onderscheid in domeinen: hier is het brein, dáár de invloed van de omgeving, die komen samen in ons denken, en aan het eind van de keten resulteren die gedachten in gedrag.''

Dat is een klassiek beeld, van brokstukken die wel op elkaar inwerken maar niet echt zijn verweven. Zo werkt het bij ons boven niet, wat blijkt uit mislukte pogingen om op basis van dit beeld een wandelende robot te ontwerpen. Dat wordt een struikelaar. ,,Zo'n robot krijgt signalen van buiten, verwerkt ze via zijn sensoren, maakt een voorstelling van de omgeving -dus denkt- en doet dan een stap. Zo komt hij niet ver. Maar bouw je alleen modules in om signalen op te vangen en geef je hem louter de opdracht 'Vermijd obstakels', dan werkt ie perfect. Zonder een beeld van de omgeving te vormen, zonder hem te laten 'denken', kun je een insect met zes poten zo uitstekend over een hobbelend landschap laten lopen.''

Een robot ja, maar wij overwegen en of tobben toch wel voor ons gedrag uit? ,,Minder dan we vermoeden. En ook minder vastomlijnd dan we aannemen. Laat dat oude beeld varen van een geluid of beeld dat arriveert in het brein, doorreist naar het juiste gebied in de frontale hersenen, waar wordt gedacht en geschetst en waarvan de uitkomsten worden doorgeven aan de motorische schors die ons vervolgens in beweging zet. Dat is te star, zo kijken of luisteren we niet.''

Het brein werkt kunstiger, en kijkt, ruikt, proeft en luistert met variërende configuraties van neuronen, afhankelijk van de omstandigheid waarin signalen tot hem komen. Er zit niet één vast neuraal netwerkje voor Ome Jan in ons hoofd, de context waarin we hem ontmoeten activeert wisselende vuurpatronen in het brein. Den Boer: ,,Zie je zomaar een hamer liggen, of zie je een hamer liggen terwijl je van plan was een spijker in de muur te slaan: in het laatste geval 'kijkt' het brein anders, vermoedelijk met een deel van de motorische schors.''

Het hameren zit dan al enigszins in het zien van de hamer opgesloten. Je kijkt dan deels met je bewegingsneuronen. ,,Hetzelfde vind je terug in het brein van apen. Zij hebben zogenaamde mirror-neuronen die niet alleen vuren als ze zelf bijvoorbeeld een stok oprapen, maar ook als ze hem zien, maar laten liggen. Of als ze een andere aap die stok zien oppakken. Verscheuren ze een stuk papier, dan vuren neuronen in hun motorische schors, die dat vervolgens ook beginnen te doen als ze achter hun rug iemand papier horen verscheuren.''

Niet alleen hun luister-neuronen zijn dan attent. Zo kneedt de context het brein, alsof hersenen en omgeving in zekere zin in elkaar schuiven. Met dank aan die plasticiteit beschikken we over een fantastisch associatievermogen. En de keerzijde daarvan kennen we ook, van momenten waarop het verdriet je in alle tekenen van de omgeving wordt aangereikt.

Zoals aan Stijn Bekkering, die in de roman 'Buiten is het maandag' van Bernlef zijn overleden Geesje nog overal terug vindt, in de voorwerpen om hem heen: ,,Alle dingen in huis waren eerst nog bedekt met een dun gebruikslaagje dat haar dagelijkse handelingen erop hadden achtergelaten. Een gele stofdoek in het stofmandje kon ik maar met moeite hanteren, haar handen zaten de mijne in de weg. Ik liet het broodmes rusten en kocht voortaan voorgesneden brood.''

Goed, ons brein zit kunstig in elkaar, is minder star en voorgeprogrammeerd dan we dachten. Het neemt niet waar volgens vaste neurale patronen, met een cerebraal stalenboek in de hand waarin strikte representaties staan van alles wat we in voorgaande situaties hebben waargenomen.

,,Ons brein bevat geen plaatjesboek, met een hersengebied voor 'hamer'. Er zit geen gefixeerde bedrading voor die hamer in ons brein. En evenmin huist er een aflezer in het brein, die zit te vergelijken en dan roept 'Hé, een hamer'.''

We kijken met neuraal wisselende vizieren, met een intentie of doel 'in het achterhoofd'. Een boer die 's avonds over zijn weide tuurt en koe Dora in het vizier krijgt, ziet een andere Dora dan waar hij de volgende morgen met zijn melkemmer op toe loopt.

,,En in beide gevallen ziet hij haar zonder een beroep te doen op een 'koecentrum' in het brein. In zekere zin is het herkennen iedere keer weer een creatie, waarin de hersenen min of meer op de tast naar een geschikte interpratie van een waarneming zoeken. Maar niet helemaal blind: ik zou zelf zeggen dat er een soort minimumrepresentatie van de dingen in ons hoofd zit. Per slot van rekening herken je ze alleen als je geheugen goed werkt. Maar het zijn geen statisch verankerde voorstellingen.''

Integendeel, bij ons boven wordt voortdurend gepoetst en geveegd, en herhaaldelijk opnieuw ingeruimd. Een rommeltje eigenlijk? ,,Vervormde herinneringen uit onze kinderjaren en verkeerde getuigenverklaringen, zoals tegen Demjanjuk, illustreren dat het brein ons volstrekt misplaatste zekerheid kan voorspiegelen. Maar die losse organisatie maakt het brein ook bijzonder efficiënt: een roofdier hoeft maar een stukje staart te zien, en zijn hersens fabriceren er het totaalplaatje 'Prooi!' van.'' En zo hoeft Den Boer maar een halve klank te horen, en hij weet ,,De derde symfonie van Brahms.''

Dat lukt niet vanuit het keurslijf waarin een computer zijn werk doet. Juist dankzij die dynamische, losse boel boven, kan een vos het beeld van konijn completeren met zicht op maar een pluimpje staart. ,,En dat gebeurt uiterst economisch. De hersenen munten erin uit om met behulp van een paar hints het passende neurale netwerk op te sporen dat het minste energie vereist. Om het patroon van uitgesleten banen te vinden, zoals Donald Hebb het in 1949 al beschreef.''

Net zoals water de makkelijkste weg zoekt via een uitgesleten patroon van meanderende geulen. ,,Het brein moet wel zuinig zijn. Die spaarzaamheid kun je bijvoorbeeld zien bij kinderen die het spel Tetris oefenen. De eerste uren, als ze moeten leren om al die bewegingen te coördineren, is er een ongelooflijke drukte in het brein. Enige tijd later kunnen ze het, letterlijk, op hun ruggenmerg, en is het brein in ruste. Het is een wonder op subcorticaal gebied.''

Zonder dat er nog veel denken aan te pas komt. Het is alsof de vaardigheid in het lichaam is gekropen, net zoals het complexe samenspel van stemmen in een fuga van Bach op den duur van de hersenen naar de vingers lijkt te verhuizen. Speel je hem niet meer en ben je de noten ogenschijnlijk vergeten, dan vertellen je handen hoe hij ook al weer ging. Dus zit ie toch nog ergens in je hoofd.

,,Wie kent dat niet, dat hij ergens niet op kan komen. Het nummer van je kofferslot bijvoorbeeld, je piekert je suf, maar nee, het wil niet komen... En dan probeer je het maar, en tikken je vingers schijnbaar ondoordacht de juiste code in. Wie wist het, het lichaam!''

Het geeft aan hoezeer onze cognitie verankerd ligt in het lichaam. ,,Denken is omhooggevallen lichamelijkheid. Zelfs van wiskundige abstracties -ooit beschouwd als Platoonse waarheden- wordt wel verondersteld dat ze te maken hebben met simpele processen uit het verre verleden, de tijd van de jager-verzamelaars. Zoals met het ordenen van de dingen direct om je heen. Ook metaforen werd een hogere betekenis toegeschreven, maar kijk hoe sterk ze zijn vergroeid met onze lichamelijkheid en er hun oorsprong in hebben: 'We hebben iets onder de knie' of 'Iets gaat ons boven de pet'.''

Ook hogere taal is lichaamstaal. ,,Gedachten en gevoelens zijn voor een groot deel terug te brengen naar één bron, het lijf. Sartre ageerde ten onrechte tegen de gedachte van de psycholoog William James dat onze emoties samenvallen of hetzelfde zijn als lichamelijke processen. Dus dat we niet gaan rennen omdat we bang zijn, maar bang worden omdat we rennen.''

Hier wordt het mentale, de cerebrale bovenbouw die in het dualisme van Descartes het fysische ontsteeg, teruggeplaatst op zijn fundament. We zijn allereerst lichaam, waar emoties uit opborrelen, vaak zonder dat er aanvankelijk veel bedachts achter zit. ,,Als je sommige kernen van het brein met een elektrode stimuleert, kun je direct een depressief, een acuut gevoel van ellende oproepen. Je ziet binnen enkele seconden iemands gezicht betrekken en hem in huilen uitbarsten. Zoiets voel je eerst in je lichaam. En dan komen de woorden, en beschrijven we een gevoel, om tenslotte een verklaring te zoeken die bij dat gevoel in het lichaam past.''

Maar zo'n gevoel blijft uit als het lichaam niet eerst wat zegt. ,,Het locked in syndroom illustreert dat. Door een laesie in de hersenstam bereikt informatie uit het lijf het brein niet meer. Je kunt je niet bewegen, en niets meer zeggen. Een dergelijke gevangenschap moet de hel op aarde zijn, lijkt het, maar in werkelijkheid zijn die mensen kalm en emotieloos. De basis voor gevoel en gedachte is weg.''

Zonder belichaming is de geest niet meer, zou de neuroloog Antonio Damasio opmerken. Ons voelen, denken en oordelen is voortdurend lichamelijk 'bestempeld', en dat geldt ook voor onze hogere rationele overwegingen. ,,Het zal voor sommigen een ontluisterende gedachte zijn dat emotionele reacties onze morele oordelen bepalen, maar dat kun je met geavanceerde beeldtechnieken duidelijk laten zien.''

Den Boer schetst het onmogelijke oordeel dat proefpersonen werd voorgelegd in het tram- en het loopbrugdilemma. Een losgeslagen tram met vijf passagiers dreigt te pletter te slaan, maar in het eerste scenario kan het overhalen van een hendel dat voorkomen. De tram schiet op een ander spoor, vermorzelt daar helaas een voetganger, maar de andere vijf zijn gered. In het tweede scenario loop je op een loopbrug voor de stuurloze tram uit, die je kunt stoppen door een man naast je van de loopbrug af te duwen. Weer één man geofferd, vijf gered, maar bedenk welke situatie je letterlijk de meeste rillingen bezorgt.

,,Dat tweede dilemma maakte bij proefpersonen beduidend meer emoties los. En die waren ook zichtbaar in het brein, in gebieden die onze emotionele respons reguleren. Hier werd niet door een 'pure' rede, los van het lichaam, een moreel oordeel gevormd. Denk erom dat je zo'n dilemma voelt in je lijf, we oordelen niet vanuit een cognitief vacuüm.''

Het lichaam hakt mede de knoop door, een weinig verheven conclusie: ,,Misschien overschatten we de kracht van het denken. En zoals gezegd: we zijn erg geneigd om in gescheiden domeinen te denken, in lichaam, geest, brein, omgeving, opvoeding en aanleg, terwijl die domeinen geheel verweven zijn. Zo weten we dat de microarchitectuur van het brein vorm krijgt in dialoog met een stimulerende omgeving. En juist niet rijpt in de volstrekt kille en lege omgeving waarin verwaarloosde weeskinderen opgroeiden.''

Ons leven is een voortdurend gesprek, tussen wie of wat we in áánleg kunnen worden en wat we op ons pad treffen. Maar wie praat er in dagelijkse situaties dan namens 'mij'? Mijn lijf, mijn geest? Die gaan min of meer in elkaar op, moeten we begrijpen. Maar het voelt anders. ,,Je beleeft jezelf nu eenmaal als iemand die motieven heeft, en niet als het verlengstuk van een cerebrale machine. Maar waarom heeft die machine dat mentale aspect voortgebracht? Nogmaals, waarom lijkt het geestelijke losgezongen, als iets dat uit het lichamelijke oprijst? We zitten hier toch te praten.''

En niet van lijf tot lijf. Dan zijn we weer terug bij de eerste vraag: wat is die geest en wie is de bezitter? Geen antwoord, erkent Den Boer. Die geest behoort in elk geval niet toe aan een mannetje in ons hoofd: ,,In een ruimteschip kom je God niet tegen. En je geest niet in die drie pond oersoufflé. Ik voel wel voor de gedachte van de neuroloog Paul Broks, dat ons ik 'tussen de dingen' zit. Zoek je zelf niet in je brein; je kunt het er onmogelijk vinden omdat het door zoveel aspecten -genetische, culturele en historische- ineen is geweven.

,,Hetzelfde geldt voor onze cognities: die liggen eveneens uitgespreid over de dingen, in alles om ons heen. Ik draag in mijn hoofd geen interne voorstelling mee van het artikel dat ik morgen wil gaan schrijven. Dat kan het brein niet, omdat het brein ook 'daar buiten' zit. En buiten, op een papiertje, zoiets moeilijks als 6253 maal 34,8 moet uitrekenen.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden