LEZEN IS GOED, LEEST ALLEN!

Nederlanders lezen nog maar zelden een boek. Eind april concludeerde het Sociaal en Cultureel Planbureau al, dat volwassen Nederlanders sinds 1955 steeds minder en steeds later in hun leven gingen lezen. Maandag verschijnt de junior-variant: het SCO Kohnstamm Instituut zocht voor het eerst uit hoe vaak en hoe lang kinderen onder de 12 jaar in hun vrije tijd een boek lezen. Vanwege dat rapport en omdat het woensdag Nationale Voorleesdag is, op drie pagina's in deze bijlage aandacht voor lezen. “Want ook al hebben we hier een hamburgercultuur, dat ontslaat je niet van de verplichting om kinderen bij te brengen wat gezond èn lekker is.”

Een onderzoeker met een Uitgesproken Mening, met een Missie, is schaars. Dr. Martha E. Otter, van het SCO Kohnstamm Instituut in Amsterdam, is er zo een. Ze doet, al jaren, onderzoek naar lezen. Ze is er daarnaast ook vóór - met grote nadruk. Er moet meer gelezen worden. Want er wordt te weinig gelezen. Lezen is goed. Lezen is belangrijk. Leest allen.

Haar jongste onderzoek, samen met Rob Schoonen verricht, verschijnt maandag. “Aap, noot, niets, of het spook van de ontlezing in het basisonderwijs”, heet het, al gaat het eigenlijk niet over het basisonderwijs. Het gaat over kinderen van die leeftijd buiten schooltijd. Otter en Schoonen volgden een kleine duizend kinderen tussen 9 en 12 jaar vier jaar lang, van groep 5 tot groep 8. Elke ochtend vulden die op school een dagboekje in: hadden ze gisteren na schooltijd tv gekeken, een boek of een strip of een krant gelezen, of was hen misschien voorgelezen? En hoe lang hadden ze dat gedaan?

Hoe ouder een kind, des te minder vaak het een boek pakt, en des te korter het er in leest. Een kind in groep 5 pakt gemiddeld 2,5 keer per week een boek; meisjes iets vaker dan jongens. Een kind in groep 8 doet dat gemiddeld nog maar eens per week. “Je zou denken: een kind gaat langer lezen naarmate het dat beter kan, dus naarmate het ouder wordt. Maar ook dat is niet zo. Ze lezen juist steeds korter”, zegt Otter. In groep 6 lezen kinderen net geen drie kwartier per week, zes minuten per dag. In groep 8 is dat nog 27 minuten per week: nog geen vier minuten per dag.

Maar een gemiddeld kind bestaat niet. Een schoolklas bestaat altijd uit een mix van langlezers en kortlezers. Wel geldt: hoe ouder die klas, des te groter het aantal kortlezers (minder dan vijf minuten per week). In groep 6 is een op de zeven kinderen er zo een. Een op de tien kinderen zit op die leeftijd anderhalf uur per week met een boek. In groep 8 zijn de kortlezers opgerukt naar een op de drie kinderen. De langlezers zijn dan afgenomen tot een op de veertien.

Otter en Schoonen splitsten de kinderen ook uit volgens het systeem dat Nederland er op na houdt om 'achterstand' vast te stellen. Op een leeftijd dat alle kinderen nog flink wat lezen, in groep 6, is een op de vijf allochtone kinderen (die ook wel '1.9 kind' worden genoemd, naar hun gewicht bij de financiering) al een kortlezer. Bij hun klasgenoten van Nederlandse ouders ('1.0-kinderen') is dat een op de tien. In groep 8, wanneer alle kinderen minder lezen, lezen de allochtone kinderen echt fors minder. Een gemiddeld Nederlands kind leest dan 13 minuten minder dan twee jaar eerder: nog een half uur per week. Een allochtoon kind leest dan 27 minuten minder dan twee jaar eerder: nog 18 minuten per week. Tweeëneenhalve minuut per dag.

Moeten we zulke cijfers nou onrustbarend vinden? Is er voor een kind dan een ideaal aantal leesminuten per week, een standaard? Otter: “Nee, er is geen ideaal. Maar wat ik ernstig vind, is dat het terugloopt. Het plezier neemt kennelijk af naarmate het kind ouder wordt. Groep 8 heeft het leesplezier flink verloren. Daar moeten de scholen wat aan doen. Of misschien niet de scholen, maar de mensen van de bibliotheken. Kijk, ik wil niet katten naar de scholen, want ik ben zelf leerkracht geweest. Ze zijn geen specialisten in boeken. Ze kunnen kinderen leren lezen, maar het plezier in boeken overbrengen, daar zijn ze niet in opgeleid. Ik heb zelf toevallig een leraar Nederlands gehad die me, ook pas op de middelbare school trouwens, heeft ingewijd in de literatuur. Maar in de muziek heb ik zo iemand niet gehad. Dan blijf je hangen op het niveau van wat op het eerste gehoor al mooi is. Er moet in het leven van een kind iemand zijn die zegt: nou heb je een paar keer Arendsoog gelezen, nou heb ik hier nog een ander indianenboek. Iemand die je keuzes verbreedt.”

Vorig jaar zocht Otter al eens uit hoe het zit met de invloed van televisiekijken op de leesprestaties van kinderen. Laat ze gerust naar de televisie kijken, want voor de leesprestaties maakt het niks uit, was haar uitkomst toen. Het is een strijdpunt onder onderzoekers. Want een collega van de Leidse universiteit, C. M. Koolstra, stelde twee jaar eerder vast dat televisiekijken wel degelijk van invloed is. De tijd die opgaat aan televisiekijken wordt, ten eerste, niet besteed aan lezen. En ten tweede gaat een kind van televisiekijken - wat het leuk vindt - verwachten dat school even leuk zal zijn. Blijkt dat niet zo te zijn, dan verliest het kind de zin in school, en daarmee in lezen. Aldus Koolstra.

Maar wanneer we even aannemen dat het niet aan de televisie ligt, waar ligt het dan wel aan dat kinderen minder lezen naarmate ze ouder worden? Het onderwijs legt de nadruk op de cognitieve, de leerzame kant van lezen; dat het leuk is, daar gaat het op school niet over. “Er is op scholen geen aandacht voor de vraag hoe je uit zo'n hele kast met boeken een boek te pakken krijgt dat bij jou past, dat je leuk vindt. In de dagbladen trouwens ook niet. Als die al een kinderpagina hebben, dan staan daar gedichten op die ik niet eens begrijp, laat staan een kind. Recensies van kinderboeken worden niet voor kinderen, maar voor ouders geschreven.” De jeugdbibliothecaris moet volgens haar hoog nodig de school in, als gids.

Die oplossing vindt Annerieke Freeman-Smulders, de auteur van “Leren lezen is niet genoeg” (1990), ronduit absolute onzin. De jeugdbibliothecaris de klas in halen? Dat kan Otter maar beter gauw uit haar hoofd zetten. In de jaren zeventig had het misschien gekund, de jaren dat bibliotheken nog geld hadden. Dat hebben ze nu niet meer. Er zijn trouwens ook geen speciaal opgeleide jeugdbibliothecarissen meer.

Freeman, 74 en een gepensioneerde bibliothecaresse, is in de wereld van kinderen en lezen een freischwebende Intelligenz. “Ik heb geld noch macht noch positie”, omschrijft ze zichzelf. “Ik heb alleen enig gehoor bij de lees-onderzoekers.” Volgens Freeman zijn er drastischer maatregelen nodig. De manier waarop een basisschool een kind lezen leert, moet volledig op de helling. Eind jaren zeventig deden daar begrippen als 'technisch lezen' en 'begrijpend lezen' hun intrede, en het 'AVI-pakket'. Die afkorting staat voor analyse van individualiseringsvormen. Het is een systeem waarmee een leerkracht precies kan bijhouden hoe ver een kind met lezen is: er zitten negen 'niveaus' in.

Dat onderscheid tussen technisch, begrijpend, studerend en belevend lezen (waarvan scholen vaak alleen de eerste twee ter hand nemen) is Freeman een doorn in het oog. “Een normaal mens leest om ergens achter te komen. Om iets uit te zoeken. Maar dat is niet wat je op school leert. Bij technisch lezen leren ze, onvoorbereid hardop te lezen. Of ze de woorden wel goed uitspreken. Bij begrijpend lezen leren ze antwoord te geven op vragen als: 'wat bedoelt de schrijver'. Dat is allemaal tot je dienst voor kinderen die thuis al lekker lezen. Maar als je thuis nooit leest, ga je daar niet van lezen. Het failliet van het leesonderwijs is, dat het niet in staat is geweest het lezen te bevorderen. Het is alsof we kinderen leren hoe je een tennisbal serveert. En hoe je een dropvolley slaat. Maar we laten ze nooit 's lekker een partijtje tennis spelen. Boeken leren lezen hoort kennelijk niet bij het leesonderwijs.”

Dat het systeem van technisch en begrijpend lezen bij scholen zo is aangeslagen, is wel verklaarbaar: het geeft houvast omdat het van elk kind duidelijk maakt hoe 'ver' het met lezen is. Om de vijf jaar - komend najaar verschijnt er weer een - wordt in zogeheten PPON-onderzoeken gepeild hoe het over heel Nederland met de vorderingen staat: scoren de kinderen beter of slechter dan verwacht, en beter of slechter dan gewenst? Uit zulk onderzoek rolde in 1992 dat er een flink verschil gaapt tussen de beste en de zwakste leerling, vooral wat betreft begrijpend lezen. VERVOLG OP PAGINA 2

LEZEN IS GOED, LEEST ALLEN! VERVOLG VAN PAGINA 1

Sindsdien wil de onderwijs-poot van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor een miljoen of acht een 'expertisecentrum' voor het taalonderwijs oprichten. Maar daar zal het, zegt Freeman, voor de zoveelste keer niet over het echte lezen gaan, maar over de verdere verfijning van een systeem dat volgens haar de dood in de pot is. De cultuur-poot van OCW probeert onderwijl ook iets te doen.

Cultuur geeft jaarlijks 5,4 miljoen gulden uit om het lezen - niet uitsluitend door kinderen - te bevorderen, via de sinds 1994 nieuw leven ingeblazen Stichting Lezen. Die subsidieert een waaier van projecten en projectjes: van allochtonenprojecten tot de bevordering van het lezen van Echte Literatuur.

Veel vrije tijd steekt ook de volwassen Nederlander nu niet in lezen, valt uit 'Leesgewoonten', het SCP-rapport, op te maken. Al is de hoeveelheid vrije tijd tussen 1975 en 1990 afgenomen: van 45 uur tot 43 uur per week. Dat geldt althans voor de Nederlander tussen 20 en 50 jaar. Wie ouder is, kreeg er juist zeven vrije uren bij: die leeftijdsgroep heeft tegenwoordig geen 50, maar 57 vrije uren per week ter beschikking.

Van die vrije tijd las de Nederlander in 1955 nog twee uur per week een boek, dus ruim 17 minuten per dag. In 1975 was dat 97,2 minuten per week geworden: bijna 14 minuten per dag. In 1990 was dat verder afgenomen tot 87 minuten per week. Per dag is dat bijna 12,5 minuut.

Het rijk vindt kennelijk dat dat meer moet worden, maar hoeveel meer? Waar ligt de tevredenheidsgrens? Wanneer lezen we 'genoeg'? Op die vraag wordt het bij Cultuur een beetje stil. “We hebben daar geen nauw omschreven targets voor”, zegt een ambtenaar. “Maar ik weet niet of je dat als een manco moet zien. Het is in elk geval heel moeilijk. Wanneer vind je dat er 'genoeg' mensen naar de opera gaan? Wanneer vind je dat de mensen 'voldoende' lezen? Met zulke vragen zijn we nog doende. Misschien komt het in de volgende Cultuurnota te staan, al denk ik niet dat daar harde targets in genoemd zullen worden. Het is al heel wat, wanneer je bereikt dat er niet minder gelezen wordt. Maar zo ver zijn we nog niet.”

Turven hoeveel minuten per dag, week, maand of jaar kinderen of volwassenen in de loop der jaren lezend doorbrengen, en over de uitkomst de noodklok luiden, is dat eigenlijk wel fair? Moeten we eigenlijk niet weten wat Nederland nog wèl leest, en hoeveel?

“De afgelopen tien jaar zijn er telkens 170 miljoen boeken geleend bij de bibliotheken en 30 miljoen boeken verkocht in de boekhandels. Dan rekenen we studie- en schoolboeken niet mee,” zegt drs. Wim van Leeuwen van de Stichting Speurwerk Betreffende Het Boek. Helemaal constant zijn die cijfers niet. In 1975 gingen er nog 33 miljoen boeken over de toonbank, in 1985 was dat gedaald tot 30 miljoen, vijf jaar later waren het er 27 miljoen en nu zijn het er weer 30 miljoen. Daarmee was in 1985 een bedrag van 592 miljoen gulden gemoeid en vorig jaar 731 miljoen gulden. “Houd je rekening met de inflatie”, zegt Van Leeuwen, “dan betekent dat: zo ongeveer het zelfde bedrag.”

Zet die 30 miljoen boeken op een rij en begin in Utrecht, dan eindig je onder Parijs. Doe dat met een rij van 170 miljoen boeken en je eindigt ver voorbij Parijs: bij Gibraltar.

Gekochte boeken kun je er nog van verdenken dat ze wel aangeschaft, maar niet gelezen worden. Dat hun functie er zich toe beperkt dat ze cadeau worden gedaan, op een salontafel of in een boekenkast ongelezen bijdragen aan de culturele status van z'n bezitter, of onder een te korte tafelpoot terechtkomen.

Over geleende boeken hoef je niet zo achterdochtig te zijn. Waarom zou je door weer en wind naar de bibliotheek fietsen en er boeken lenen, als je ze toch niet leest? “Geleend betekent: gelezen. Dat kun je rustig aannemen”, zegt Van Leeuwen. Per Nederlander zijn dat elf à twaalf boeken per jaar. Zowat een boek per maand.

Wat zijn dat voor boeken? De meest geleende schrijfster, en dat al sinds 1991, is Henny Thijssing-Boer. Zij schrijft streekromans. Op nummer twee staat A. C. Baantjer. Die schrijft politieromans. Op nummer drie hebben we Dick Bruna, die boeken tekent voor kinderen die nog niet kunnen lezen. Vanaf nummer vier volgt een rij namen van auteurs die kinderboeken, dames- en streekromans schrijven (Gerda van Wageningen, Margreet van Hoorn, Mien van 't Sant). De eerste grote naam uit de literaire canon verschijnt op nummer 33: Annie M. G. Schmidt. De volgende op nummer 45: Harry Mulisch. Op nummer 69 staat W. F. Hermans. Marga Minco en Maarten 't Hart staan op 76 en 79. Gerard Reve, de volksschrijver, komt op de leen-top 100 helemaal niet voor. (Een hoge plaats op die hitlijst is overigens niet erg winstgevend voor de auteur: die verdient nooit meer dan 10 000 gulden per jaar aan zijn uitgeleende boeken.)

Een geleend (is: gelezen) boek per maand en twee gekochte boeken per jaar, is dat weinig, is dat zorgelijk, is dat beneden peil? Martha Otter: “We hebben in Nederland natuurlijk allang geen leescultuur meer en dat kun je maar beter accepteren. De Finnen zijn dat nog wel. Die vinden het erg als de kinderen tegen hun zevende nog niet zitten te lezen en doen het zelf ook veel. Bij ons zit een piepklein toplaagje over lezen chic te doen, en je doet niet mee als je niet leest. Maar vergelijk het nou eens met eten. We hebben een hamburgercultuur gekregen. Maar dat ontslaat je niet van de verplichting om kinderen bij te brengen wat gezond èn lekker is. Van mij hoeft niet iedereen van asperges te houden. Maar spinazie, dat moet je toch geproefd hebben. Dat is namelijk heel lekker.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden