lezen & geloven

Nicolaas Matsier heeft de afgelopen jaren verslag gedaan van zijn herlezing van het Oude Testament. In zijn laatste artikel kijkt hij terug: ,,Ik heb geprobeerd om het niet te lezen met de christelijke bril op. Het is een wonderlijke krachtsinspanning, geef ik toe. Want zonder die bril op zou ik de Hebreeuwse bijbel nooit gekend hebben. Ik heb het gevoel gehad wel degelijk een ander boek te lezen: een veel donkerder en veel dubbelzinniger boek dan het Nieuwe Testament is. En ik heb mij niet gehandicapt gevoeld door het besef een niet-gelovige lezer te zijn.''

In 'Religion and Literature', een essay uit 1935, boudeert T.S. Eliot al dat de bijbel een grote invloed op de literatuur heeft gehad, niet doordat de bijbel als literatuur, maar doordat hij als het woord van God gezien werd. ,,En het feit dat geletterden hem nu als 'literatuur' bespreken wijst waarschijnlijk op het einde van zijn 'literaire invloed'.'' Klopt dat tweetal beweringen, en dan vooral de categorische eerste?

Geeft alleen de wens om het boek der boeken als een klassieker te lezen er al blijk van dat je van god los bent? En moet je je als lezer in dat geval legitimeren? Maar hoe zou dat in zijn werk moeten gaan? Het is waar: ik blijf het wat onrustig stemmende gevoel houden dat ik mijn manier van lezen moet verdedigen. De bijbel - dat is toch zeker geen boek dat je thuis of in de trein zo maar gaat zitten lezen? En stel dat je dat toch doet, is dat dan net zoiets als de Ilias of het Gilgamesj-epos lezen?

De overtuiging dat je om de bijbel met vrucht te kunnen lezen toch echt de een of andere vorm dient aan te hangen van een (liefst kerkelijk gedeeld) geloof is nog heel wijdverbreid. Te midden van vrienden (overwegend atheïsten, sceptici of agnosten, ook al hebben ze voor een deel net als jij nog een degelijke christelijke opvoeding gehad) laad je voor minstens enige tijd de lichte verdenking op je dat je je prepareert op een religieuze stap.

Maar is er ooit één bijbel geweest? Met maar één soort lezer? En zou er ooit één soort van gelovige bestaan hebben? Heeft Abraham in dezelfde god geloofd als Adam? Samuel in die van Jakob? Ezra in die van Salomo? Duizend jaar lang geloven in één en dezelfde god, dat gaat niet. Die god ontwikkelt zich met zijn gelovigen en met de geschriften waarin zij het over hem hebben mee.

Met dat ene dundrukboek in je handen, alles in dezelfde letters, keurig voorzien van boektitels en hoofdstukindelingen en tussenkopjes, is het moeilijk je in te denken dat er eerst helemaal geen bijbel was, alleen mondelinge overlevering, daarna een tijd lang misschien een aantal verhalen plus een wet, of een wet plus verhalen, maar hoe dan ook: een verzameling-in-aanbouw van enkele losse rollen.

Eerst de Tora. Toen de Profeten. Ten slotte de Geschriften. Maar heus niet meteen in de min of meer welafgebakende afdelingen waarin ze ten slotte beland zijn. Pas rond 100 na Christus, dat staat wel vast, werd de joodse canon gesloten. Misschien omdat de Tweede Tempel door Titus verwoest was, 70 na Christus, en er van een tempelcultus dus verder geen sprake meer kon zijn. Of als verweer tegen het opkomende christendom. Of om het oude geschreven Hebreeuws veilig te stellen tegen de nieuwe gesproken talen in opkomst: het Aramees en het Koinè-Grieks (de taal zowel van de Septuagint als van het Nieuwe Testament).

Van het proces van de canonisering is zo goed als niets bekend. Maar dat zich rond de boeken die in de canon belandden heel wat boeken hebben bevonden die erbuiten gebleven zijn, is wel zeker. En ook dat sommige boeken moeite hebben gehad met hun entree. Dat gold voor de joodse canon net zozeer als voor de christelijke, die overigens pas in de vierde eeuw zijn beslag kreeg. Maar de canon, eenmaal tot stand gekomen, krijgt vervolgens zijn eigen, steeds zwaarder wegende betekenis.

En pas na de sluiting van de canon kon de bijbel tijdloos worden. Met een evenzeer vooruit- als terugwerkende kracht werd de bijbel nu tot één enkel, door god geïnspireerd of zelfs geschreven, boek omgesmolten. De Schrift kwam naast de Schepping te staan, werd daarvan de tijdgenoot, of was voordien zelfs altijd al present geweest: tezamen met God.

Het grote kunststuk van de christenen is het vervolgens geweest om het Nieuwe Testament niet alleen toe te voegen aan het Oude, maar het te lezen als de vervulling daarvan. Dat is een inlijvende manoeuvre zonder weerga geweest. En een manoeuvre die een wijze van lezen en interpreteren in leven heeft geroepen die nog altijd invloedrijk is en met grote energie beoefend wordt door het meer orthodoxe deel van de christenheid.

Ik doel nu op het zogenoemde typologische lezen. Naar alles wat er in het Nieuwe Testament gebeurt, wordt vooruitgewezen door het Oude. De bijbel, die in de joodse versie toch een tikje onbevredigend, onafgesloten en besluiteloos bleef, krijgt nu een fantastisch mooi plot: van Schepping tot en met Apocalyps, van de oude zondaar Adam tot en met de nieuwe Adam, Christus, gekruisigd, gestorven en begraven, opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, om te oordelen de levenden en de doden. Ik ben onwillekeurig aan het citeren geslagen (en, al even onwillekeurig, aan het inwendig meeneuriën) van de overbekende gezongen geloofsbelijdenis.

En dankzij dat neuriën (het Credo bleef, eenmaal begonnen, nog dagenlang in mij naneuriën) drong het opeens tot me door dat Eliot, met zijn opmerking over 'de bijbel' als literatuur versus de bijbel als woord van God, toch een niet helemaal ongecompliceerd gelijk heeft. In hoeverre immers heeft de gelovige, om te kunnen geloven, medegelovigen nodig? En niet te vergeten een ruimte, speciaal gebouwd met het doel om samen te zijn? Het is een paradox dat het Credo ('Ik geloof in God de Vader', et cetera) in de ikvorm gesteld is, maar altijd door een 'wij' gezongen wordt. Alsof het geloof van een individu, ongezongen en in zijn eentje, eigenlijk onbestaanbaar is.

Maar door dit neuriën (en door het zingen überhaupt) wordt nog veel meer verondersteld. Want die niet zonder moeite overeengekomen geloofsbelijdenis is mede een theologisch werkstuk van eeuwen geweest - een bouwwerk verrezen boven op de bijbel. En pas die twee zaken, een tot eenheid gelezen bijbel plus een tot geloofseenheid georganiseerde kerk, hebben het gebruik van de bijbel in de liturgie mogelijk gemaakt. Pas daar en daardoor is de bijbel om zo te zeggen een kerkboek geworden. Wanneer T.S. Eliot bedoelt dat de bijbel als kerkboek geen literatuur is, heeft hij gelijk. (Maar ook dan nog kan ik me niet weerhouden op te merken dat de bijbel in de kerk heel vaak als libretto voor schitterende muziek gefungeerd heeft).

God en zijn christenen, het zijn de beste schrijvers en lezers die ik ken, heeft Kees Fens een keer gezegd. Hij heeft dat gedaan in een essay, 'Psalmen in meervoud', waarin hij in één moeite door opbiechtte de bijbel eigenlijk alleen te kennen in de vorm van de psalmen - als gezongen Latijn, volgens de opbouw van het kerkelijk jaar. In het essay beschrijft hij ook hoe barbaars hem aanvankelijk de taal van de Statenvertaling voorkwam: een naar zijn oren hem vertelden totaal andere en veel minder welluidende en elegante dan die van de vertrouwde Vulgata.

Fens vergelijkt die sensatie van de kennismaking met de taal van de Statenbijbel (in de protestantse wereld wel aangeduid als 'de tale Kanaüns') met die van de juist bekeerde Augustinus. Ook Augustinus moest zich, opgeleid in de klassieke retorica als hij was, heel wat inspanning getroosten om door te dringen in de op een andere leest geschoeide taal van beide Testamenten, het Oude voorop. Het is niet overdreven om te zeggen dat Augustinus de lezer en schrijver is geweest die er als geen ander voor gezorgd heeft dat de esthetica van de klassieke literatuur en die van de Hebreeuwse en christelijke bijbel tot onze duurzame dubbele stilistische standaard vergroeid zijn.

Met Augustinus is een periode van de tijdloze bijbel begonnen waarin alle afzonderlijke verzen moeiteloos op elkaar betrokken konden worden doordat zij baadden in hetzelfde licht. Die periode is nog volop gaande in het gedicht 'The Holy Scriptures (2)' van George Herbert. Het stamt uit de bundel The Temple, gepubliceerd in Herberts sterfjaar, 1633. Hier wordt een wereld zichtbaar van alomvattend begrip en praktische bruikbaarheid ineen, heel protestants, heel mooi. Ik hoop dat iemand als Peter Verstegen nog eens een keuze uit Herberts werk zal vertalen, en dat dit sonnet waarvan ik alleen het octaaf citeer erbij zal zijn.

'O that I knew how all thy lights combine,

And the configurations of their glory!

Seeing not only how each verse doth shine,

But all the constellations of the story.

This verse marks that, and both do make a motion

Unto a third, that ten leaves off doeth lie:

Then as dispersed herbs do watch a potion,

These three make up some Christian's destiny.'

Wat ik - tentatief en rijmloos - vertaal als:

'Ach, wist ik maar de samenhang van al uw lichten,

En de configuraties van hun pracht!

En zag niet enkel hoe elk vers daar glanst,

Maar al de constellaties van 't verhaalde.

Dit vers verwijst naar dat, en beide zijn naar een derde

Onderweg, tien bladen verderop:

Zoals verspreide kruiden een medicijn verbeiden,

Zo vormen deze drie één's Christen's lot.'

Maar de mooiste tijd van deze in de eeuwen der eeuwen tot een grandioos theologisch en liturgisch bouwwerk bijeengelezen en -gezongen bijbel lijkt toch onherroepelijk achter ons te liggen. Mijn herlezing van het Oude Testament is er dan ook één geweest tegen de vleug in, in die zin dat ik geprobeerd heb om het niet te lezen met de christelijke bril op. Het is een wonderlijke krachtsinspanning, geef ik toe. Want zonder die bril op zou ik de Hebreeuwse bijbel nooit gekend hebben. Ik heb het gevoel gehad wel degelijk een ander boek te lezen: een veel donkerder en veel dubbelzinniger boek dan het Nieuwe Testament is. En ik heb mij niet gehandicapt gevoeld door het besef een niet-gelovige lezer te zijn.

Twee eeuwen van - eenmaal op gang gekomen nooit meer opgehouden - historische tekstkritiek hebben steeds duidelijker gemaakt hoezeer allerlei redigerende handen eeuwen en eeuwen in de weer geweest moeten zijn met het patchwork dat de joodse (en in het zog daarvan natuurlijk ook de christelijke) bijbel is. En die redigerende handen hebben evenzeer literaire als religieuze doeleinden nagestreefd, in een nauwelijks te ontwarren mengeling. Want dat de teksten van de afzonderlijke boeken waaruit de bijbel bestaat ieder voor zich een onmiskenbaar literaire inslag hebben, tot en met de strategische plaatsing van de geslachtsregisters, is in de afgelopen kwart eeuw gebleken dankzij de inspanningen van de meest recente tak van onderzoek: de literair-structurele (om er maar een naam aan te geven).

Het heeft iets door en door paradoxaals dat pas deze laatste loot aan de stam van eeuwenlange bijbelstudies eigenlijk voor het eerst de aandacht gericht heeft op wat al die tijd toch eigenlijk al goed te zien zou moeten zijn geweest, namelijk dat religieuze literatuur allereerst literatuur is. En dat zij religieus - althans, zo komt het mij nu voor - geen schijn van kans zou hebben gehad zónder literatuur te zijn. Je zou natuurlijk ook kunnen zeggen dat de religieuze lezers die de bijbel almaar gehad heeft ook zonder zich daarvan bewust te zijn ontvankelijk waren voor literatuur.

Ook al is er dan principieel misschien geen eind aan de hoeveelheid mogelijke interpretaties of aan de steeds groter volheid daarvan, elke lezing van de bijbel zal hoe dan ook moeten beginnen bij de lectuur van de afzonderlijke bijbelboeken. Iedere nieuwe lezer zal immers altijd weer een beginner moeten zijn, ongeacht waar hij ten slotte uit zal komen. Gewoon beginnen bij Genesis, heb ik dus in alle eenvoud gedacht, en vandaar maar verder.

In mijn bezit - in het stuk over het Hooglied verwees ik er al eens naar - is een Statenbijbel, voorzien van koperen sloten, verschenen 'tot Amsterdam, wt de Boeck-winckel van Ioost Hartgers, op de Blommart by 't Weeshuys 1653'. Er zijn mooiere, dat weet ik, maar dit is toevallig de mijne. Aan de vooravond van mijn vermetele project heb ik nog onwetend van de afloop de koperen sloten van die Statenbijbel geopend en hem in zijn geheel doorgebladerd.

De afmetingen van dat enorme boek - 25 x 39 cm - vereisen minimaal een tafel en liefst een lessenaar. Met één hand is het boek niet te tillen en niet vast te houden. Ik sloeg de bladzijden om en zag hoezeer het, in heel zijn eeuwenlange onverwoestbaarheid, een gebruiksvoorwerp was geweest. Vlekken en vochtkringen zijn op vele bladzijden te vinden. Asdeeltjes, ook, ertussen. Overal, meestal met potlood, soms met pen, tekens die zich herhalen, de hele bijbel door. Er is een nul, of een o'tje; er is iets dat een 4 zou kunnen zijn, maar ook wel wat heeft van de L waarmee het Engelse pond wordt aangeduid; er is ook een soort van psi.

Die tekens staan steeds aan het begin van hoofdstukken en ze markeren uiteraard een gang door de bijbel. Of het daarbij om een stille lezing ging of om een voorlezing, wie zal het zeggen. Bij wat voor daglicht, kaarslicht, olielamplicht, gaslicht, elektrisch licht hoeveel generaties met deze ene bijbel toe hebben gekund, het blijft raden. Maar dat men de bijbel in zijn geheel las, daaraan laten de tekens geen enkele twijfel.

Ze vormen het bewijs van de volslagen eenvoud en de onverdroten rechtlijnigheid van de lectuur. Van voor naar achter, van begin tot eind, niks overslaan; en vervolgens weer van voren af aan. Deze kleine, simpele sporen van gebruik wijzen terug naar een voor het gros van de lezers nu verdwenen wereld. Ik heb niet de neiging die te idealiseren. Maar de stilte en de concentratie, en de grondige bekendheid met een niet geringe tekst die niets minder ambieerde dan het stichten en bijeenhouden van een gemeenschap, ver over elke persoonlijke dood heen, tot maar liefst de jongste dag, daar kan elke haastige en verstrooide lezer van nu jaloers op zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden