Lezen als retraite

Angst voor ontlezing is al oeroud, schrijft Marinus de Baar, en doet zich steeds voor als het levenstempo versnelt.

’In alles heb ik rust gezocht, maar nergens gevonden dan in een hoekje met een boekje.’ Verkleind tot ’in een hoekje met een boekje’ is het een bekende uitspraak geworden die toegeschreven wordt aan Thomas a Kempis (ca 1380-1472). Het geeft wel te denken: was het leven toen al zo druk, zelfs voor een kloosterling als Thomas, dat hij de behoefte voelde zich met zijn boekje terug te trekken?

Dat boekje zal vast stichtelijke lectuur zijn geweest, nog handgeschreven, en de rust die hij zocht zal waarschijnlijk religieuze zekerheid zijn geweest, dat wil zeggen: een eind- en rustpunt voor de zoekende geest die overal was maar nergens thuis. Zijn kloosterorde, die van Windesheim, legde overigens de nadruk op de vermenigvuldiging van traktaten en preken in de landstaal, een voorafschaduwing van de democratisering van het lezen die door de uitvinding van de boekdrukkunst op gang zou worden gezet.

Het gedrukte boek zou in de moderne tijd een indrukwekkende opmars laten zien maar het lijkt erop dat de terugtocht inmiddels is ingezet. Er wordt minder gelezen en cultuurpessimisten tekenen dat af in de grauwe schaduwen die zij over onze cultuur spreiden.

Johan Huizinga klaagt in 1935 over de burger die ’de krant op de ontbijttafel [heeft] en den knop van de radio binnen bereik van de hand’, over de ’cinematische blik’ in de ogen van de jeugd, en over de ’opdringerige werking van het cultuurapparaat’ (radio, ’courant’ en bioscoop); kortom: over de teloorgang van boek en cultuur.

En de Britse cultuurpessimist George Steiner deed het in 1961 – in een bundel essays die in het Nederlands werd vertaald onder de titel ’Verval van het woord’ – nog eens dunnetjes over toen hij klaagde dat er volgens de apostel Johannes in den beginne het Woord was, maar er geen zekerheid bestaat of het er straks nog zal zijn. In de tussentijd redden we ons met ’Word for Windows’ en halen we onze informatie van het internet.

Er is ongetwijfeld sprake van verlies. Iedereen die met het boek is opgegroeid kent er de waarde van. Als informatiedrager heeft het boek een krachtige concurrent in gedigitaliseerde opslag maar als kunstvorm wordt het door geen enkele elektronische vorm geëvenaard.

De pracht van een plot, het zinderen van uitgesponnen emoties, het ruisen van allitererend aaneengeregen woorden; dat alles en nog veel meer bevindt zich verklankt en verwoord tussen kaft en kaft en vergt om ervan te kunnen genieten dat men zich terugtrekt ’in een hoekje met een boekje’. Dat vind je niet op het internet, dat zich breed maakt, waar steeds verdergaande intercontextualiteit zich opdringt en verhindert dat men afdaalt in een verhaal.

Als kunstvorm verkleint zich de kring van het boek. Dat is een verlies, maar om dat te beseffen moet je tussen de bladzijden hebben geleefd. Steeds meer mensen wonen tussen webpages, bevolken zelfs een virtual reality, en laten geest en fantasie daardoor prikkelen, weten niet wat ze missen en lijden daar ook niet onder. Het boek als verzekeringspolis tegen verveling hebben zij ingeruild voor minstens zo spannende – om niet te zeggen: verslavende – vormen van ontspanning. En dezelfde Steiner van daarnet laat in zijn ’Verval van het woord’ weten „dat iemand ’s avonds Goethe of Rilke kan lezen, Bach en Schubert kan spelen, en ’s morgens naar zijn dagelijks werk in Auschwitz kan gaan”. Om nu te zeggen dat waar er minder wordt gelezen er ook minder beschaving is, lijkt dus aanvechtbaar. Maar jammer is het wel. Want met het boek gaat er voor velen een grondvorm van ons verstaan verloren.

Dat verlies heeft te maken met veranderende opvattingen van tijd en ruimte rond 1900. De ontwikkeling van industrie en technologie veranderde de werkelijkheid ingrijpend. De ruimtelijke voorstelling die iemand zich maakt die gewend is om met de trein te reizen is nu eenmaal een andere dan die van iemand uit de achttiende eeuw die zich te voet verplaatste en een geringere actieradius had.

Door het steeds toenemende tempo van veranderingen werd het tijdsbesef indringender: naarmate men zag dat de werkelijkheid sneller veranderde, kreeg men meer besef van de tijdelijkheid ervan. Het is voorstelbaar dat het dagblad (de vluchtigheid van de ’courant’ waar Huizinga over klaagde) voor het volgen van de werkelijkheid belangrijker werd en het boek navenant aan betekenis inboette. De film kon de dynamiek van de werkelijkheid, en met behulp van onder andere flashbacks ook de temporaliteit van het leven, directer verbeelden dan in een boek op verhaal kon worden gebracht.

Zo zie je in een film uit 1909 van de beroemde cineast D.W. Griffith een man naar huis stormen om zijn vrouw en kinderen te redden die door rovers worden belaagd. Je ziet de rovers, de man, en zijn familie op gelijktijdige momenten (de vrouw en kinderen in huis terwijl haar man zich daar naartoe haast) en dat in opeenvolgende scènes die elk steeds korter duren om daarmee de spanning op te voeren.

Het kan ook andersom: de uitstrekking van het moment. De futurist Giacomo Balla maakte in 1912 een schilderij van een hond aan een lijn waarop het moment is uitgebreid en opgerekt: je ziet niet de beweging van de hond stilgelegd op één punt, maar meerdere diffuse en in elkaar overlopende bewegingen van de pootjes en staart van de hond (ongeveer zoals je dat kunt zien op een wazige, onscherpe foto die met trillende hand is genomen) waardoor het tijdsmoment is opgerekt.

Het zijn twee voorbeelden die moeiteloos zouden kunnen worden aangevuld, om aan te geven dat rond 1900 onze dimensies van tijd en ruimte opnieuw werden doordacht en anders vorm werden gegeven. Er is nog nooit zoveel over tijd gedacht en geschreven als in de vorige eeuw. En we hebben nog nooit minder tijd gehad dan nu.

Naarmate het levenstempo zich versnelt, ervaren we tijd indringender en glipt die ons sneller door de vingers. We snellen een steeds verder wijkende einder achterna en dat schept een nomadisch levensgevoel waarin de rust en de concentratie ontbreken die voor het lezen van een boek nodig zijn. Ooit lazen we een boek ter verstrooiing, nu is onze geest zo verstrooid dat ze niet meer gemakkelijk een bestendig brandpunt vindt in het lezen van een roman.

Er is sprake van een diaspora van het denken dat ’doorklikt’, en nogmaals doorklikt, in een steeds wijder wordende contextualiteit. Passief en visueel kunnen we meer opnemen, schrijft Steiner, „maar de herscheppende mogelijkheid die ons in staat stelt een samenhangend beeld van plaats en handeling te construeren naar aanleiding van het simpele teken van het geluidloze woord zal achteruitgaan evenals een ongebruikte spier”.

Daarvoor kun je allerlei oorzaken aangeven, maar die andere en indringender beleving van tijd en ruimte die rond 1900 ontstond is daar in belangrijke mate debet aan. Dat ligt echter ingewikkeld. Het is zo dat we meer dan ooit beseffen dat de tijd onherroepelijk wegstroomt en dat we het daarom drukker hebben dan ooit in de wetenschap dat elk onbenut moment voor eeuwig verloren is. Tegelijkertijd zijn we daardoor meer op de toekomst gericht, op het doel dat we mettertijd willen bereiken, en vergeten we te leven in het moment dat ons nu juist bevrijdt van die tijd- en toekomstdwang. Niemand die dat mooier onder woorden bracht dan Nietzsche in diens gedicht uit de bergen, Sils-Maria:

„Hier zat ik, wachtend, wachtend, - doch op niets

Aan gene zijde van goed en kwaad, dan weer van het licht

Genietend, dan weer van de schaduwen, alles spel

Alles bergmeer, alles middag, alles tijd zonder doel.”

Nietzsche heeft de rust gevonden die samengaat met het wachten zonder verwachting, opgaand in het spel van licht en schaduw, terwijl alles – het bergmeer, de middag en de tijd en hijzelf – samensmelt in het moment waarop hij deze ondergaat. Het lezen van een roman is een literaire retraite uit de tijd, de verstilling van het tempo van het alledaagse leven. Je zinnelijkheid, je ervaring van de buitenwereld, is verdwenen in de beleving van een binnenwereld met andere geuren en geluiden. Een enkel biscuitje, dat overigens wel beroemd is geworden, bracht Marcel Proust terug in ’een verloren tijd’: zijn jeugd.

Het moment, mits losgemaakt van de tijd, kan een universum aan beleving in zich bergen. Zolang we ons midden in dat moment bevinden en het niet verbinden met andere momenten, want dan onderwerpen wij ons weer aan de tijd. Om ons op te kunnen houden in dat ene moment is rust nodig: we moeten afzien van de beweging naar een volgend moment. En we moeten in staat zijn ons te concentreren op het eigene wat dat ene moment tot een omgrensde wereld maakt zodat er geen impulsen van buitenaf binnendringen en onze beleving verstoren.

Rust en concentratie: twee schaars geworden artikelen. Want wij leven volgens Huizinga in een bezeten wereld. En wij weten het ook, zegt hij. Nou en of! We haasten ons door het leven. Het begrip prime time was Huizinga onbekend maar het zou hem enkel hebben gesterkt in zijn gedachte dat ’verstomping en verdwazing’ ons deel zijn, „de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken”.

Zelden zijn we zo literair ten grave gedragen. Maar wacht even, we leven nog! Ja, wij leven zo volledig en dompelen ons zo volkomen onder in de maalstroom van de werkelijkheid dat we buiten adem en in tijdnood raken. Als dat pijn gaat doen dan is er een remedie: trek je terug, in een hoekje met een boekje.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden