Levenswater

Niemand die in drie woorden kan uitleggen wat 'Europees' is, en toch worden wij geacht ons Europees te verenigen. Maandelijks zoekt Trouw naar wat Europeanen bindt en wat onafwendbaar blijft scheiden. Vandaag: Jacqueline Maris over Ierland; de Grote Honger, de emigratie, en de poitin.

Door het gat in de bodem van Emers auto spat modder omhoog. We rijden dwars door de boglands, de veenmoerassen van het West-Ierse Connemara. Waar de straling van haar ene koplamp ophoudt verdwijnt het weggetje in dicht duister. Voor ons vertrek dronken we Poitin, de zelfgestookte graandrank die de Ieren beschermt tegen de oceaanwind. Toen de Engelse overheersers in de achttiende eeuw belastingen wilden heffen op het thuisgestookte uisce baithe - het levenswater - dat later tot whiskey verbasterde, gingen de drankstokers illegaal door. En nog steeds krijgen Ieren een rebelse glans in de ogen als het woord poitin valt.

Bij het kruispunt, dat we na drie kwartier rijden bereiken, staat tussen bomen een verroeste benzinepomp. En een groot gebouw - de lokale pub. Binnen zingt een blinde man. In alle hoeken zitten mannen en vrouwen met pints of guinness voor zich. Muziek, drank en mensen smelten samen en de tijd verdwijnt. Tot iedereen opstaat als de eerste tonen van Amhran na Bhfiann - het Ierse volkslied - klinken. Whiskeyglazen en pints worden op tafel gezet; sigaretten branden weg in overvolle asbakken. Stokstijf staan de Ieren, de handen voor zich gevouwen of strak op de rug. Een enkeling leunt tegen een van de pilaren die het dak ondersteunen.

Als we in het holst van de nacht buiten komen is de benzinepomp open. Emer sluit aan achter de rij wachtende auto's. Een man met de pet diep over de ogen klimt op zijn geparkeerde tractor en rijdt weg.

Dat is het beeld van mijn eerste bezoek aan West-Ierland eind jaren tachtig. Leegte, nauwelijks werk maar wel the craic waar Ieren over de hele wereld heimwee naar koesteren. Sinds die eerste reis is de 'Keltische tijger' tot leven gekomen. De economie borrelt en bruist. Hoofdstad Dublin kent dezer dagen een overdaad aan Mercedessen en luxe winkels. Ierland is na Amerika de grootste producent van computersoftware geworden. De bloeiende economie trekt mensen van over de hele wereld aan: voor het eerst in de geschiedenis telt Ierland meer immigranten dan emigranten.

Spancil Hill (120 jaar oud, lied uit tijd van de eerste grote emigratiegolf)

Last night as I lay dreaming of pleasant days gone by

Me mind being bent on rambling to Ireland I did fly

I stepped on board a vision and followed with the wind

And I shortly came to anchor at the cross of Spancil hill

I went to see me neighbours to hear what they would say

The old ones were all dead and gone the young ones turning grey

I met with taylor Quigley het 's s bold as ever still

He used to make me britches when I lived in Spancil hill

I paid a flying visit to my first and only love

She's as fair as any lily and gentle as a dove

The cock crowed in the morning he crowed both loud and shrill

And I awoke in California, many miles from Spancil hill.

(Vannacht lag ik te dromen van de goede oude tijd

Mijn geest was aan het dwalen: naar Ierland vloog hij uit

Ik stapte op een visioen en volgde met de wind

En landde even later bij het kruis van Spancil Hill

Ik ging bij mijn buren langs om te horen hoe het was

De ouden waren gestorven: de jongeren werden grijs

Ik zag kleermaker Quigley, hij is nog even schalks

Hij maakte al mijn broeken thuis op Spancil Hill

Ik bezocht al vliegend mijn eerste en ware lief

Ze is zo licht als lelies en zachtmoedig als een duif

De haan kraaide in de ochtend, hij kraaide luid en schril

En ik werd wakker in California, mijlen ver van Spancil Hill)

De eerste Ierse emigratie was een direct gevolg van de Grote Honger die het land halverwege de negentiende eeuw trof. Jaar na jaar mislukte de Ierse aardappeloogst en dat terwijl de gewone Ier in die dagen overleefde op aardappelen. Ierland was een wingewest van het Britse imperium dat vijftien miljoen pond per jaar aan het eiland verdiende. Zelfs tijdens de hongerjaren ging de uitvoer van haver en andere granen, boter, bier, eieren, geslachte varkens en levend vee gewoon door.

In 1841 werden bij een volkstelling meer dan acht miljoen mensen geteld, hetgeen Ierland tot het dichtstbevolkte land van Europa maakte. Tijdens de rampjaren kwamen meer dan een miljoen mensen om. En nog eens twee miljoen mensen emigreerden. Soms onder dwang van de in Engeland wonende grootgrondbezitters. Die waren goedkoper uit als ze hun pachters op een van de coffinships (doodskistschepen) naar Amerika of Canada zetten. Want een allerijl ingevoerde armenwet bepaalde dat landheren moesten meebetalen als hun horigen in het armenhuis terechtkwamen.

Sommige Engelse commentatoren maakten zich zorgen dat Amerika 'wel erg Iers' zou worden. Maar toch overheerste de blijdschap over de leegloop van het Ierse eiland. De London Times schreef: 'Ze gaan! Ze gaan! Heel gauw zal een Kelt op de oevers van de Liffey net zo zeldzaam zijn als een roodhuid op de oevers van de Hudson'.

In december 1846 bezoekt magistraat Mr. Nicholas Cummins Skibbereen de Ierse westkust. Hij schrijft in zijn rapport: 'In de eerste hut lagen zes uitgehongerde, spookachtige skeletten onder wat smerig stroo - naar het leek al dood. Toen ik vervuld van afschuw naderbij ging hoorde ik een zacht gekreun: ze waren nog in leven, vier kinderen, een vrouw en iets dat ooit een man was geweest. Binnen enkele minuten vond ik mezelf omringd door minstens tweehonderd van zulke spookachtige mensen. Hun demonische kreten klinken nog in mijn oren'.

Bij het lezen van zijn verslag doken zwart-witbeelden van anonieme, uitgeteerde mensen in Bangladesh voor mijn ogen op - in mijn tienerjaren de eerste kennismaking met de gevolgen van honger. Volgens officiële cijfers kwamen toen op een bevolking van meer dan zestig miljoen 26 000 mensen om. In Ierland bezweek een achtste van de bevolking.

Sporen van wat Cummins waarnam zijn nog steeds in het Ierse landschap terug te vinden. Golvende velden tonen oude aardappelvoren. Ruïnes steken op uit het groen; stenen markeren een kerkhofje. Onder een grillige zandberg op het strand schuilt volgens de overlevering een massagraf. Voor mij werd de Grote Honger het meest tastbaar in Derryleigh in het zuidwesten. Tussen de schapen door klommen we naar de top van een van de lagere heuvels. Vier muren van een meter hoog waren de overblijfsels van een huisje dat ooit in die verlatenheid had gestaan. Er lagen brokken grijze steen en de omtrek van een vuurplaats tekende zich af. Het was het huisje van de familie Buckley. Vader, moeder en twee kinderen - Shila en Jeremiah. Een priester in het dal legde hun geschiedenis vast.

Door de honger gedreven vertrokken de Buckleys in het tweede hongerjaar 1847 naar het al overbevolkte armenhuis. Mannen en vrouwen werden van elkaar gescheiden. Een koortsepidemie brak uit en elke ochtend kwam een kar de verse lijken halen om ze naar het massagraf van Carrigastyra te brengen. Ook de kinderen bezweken. Door verdriet verscheurd besloten de ouders - Padhraig en Caith - naar hun hut terug te keren. Padhraig droeg de zieke Caith op zijn rug de heuvels in.

De priester beschrijft hoe een buurman ze de ochtend daarop aantrof: 'Daar zag hij de twee en ze waren allebei dood; de voeten van de vrouw rustten tegen Padhraigs borst. Het was of hij de dood over Caith had voelen komen en haar koude voeten tegen zijn eigen hart had willen verwarmen'.

Terwijl ik het boekje van de priester lees ligt aan mijn voeten de dode haard: de halve muren van de hut op de heuvel beschutten mij tegen de wind.

Thousands are sailing (The Pogues - geschreven in 1988)

The island it is silent now

though ghosts still haunt the waves

and a torch lights up a famished land

that fortune could not save

Did you work upon the railroad

did you rid the streets of crime

were your dollars from the white house

were they from the five and dime

Did the old songs taunt or cheer you

or did they still make you cry

did you count the months and years

or did your teardrops quickly dry

and no says he it was not to be

on a coffinship I came here

and I never even got so far

that they could change my name

(Het eiland rust in stilte nu

hoewel de geesten de golven najagen

een fakkel laat een uitgehongerd land zien

dat het Fortuin niet kon beschermen

Werkte je aan de spoorlijn

ging je achter de misdaad aan

kreeg je je dollars van het Witte Huis

of waren ze van de 'five & dime'?

Hebben de oude liederen je opgebeurd

of brengen ze je nog steeds aan het huilen

heb je de maanden en jaren geteld

of droogden je tranen snel?

Nee zei hij zo ging het niet

ik kwam hier op een coffinship

en ben zelfs nooit zover gekomen

dat ze mijn naam veranderden)

(De ambtenaren op Ellis-island, vlak voor New York - waar de nieuwko- mers in quarantaine moesten - ver- engelsten de voor hen moeilijke Kel- tisch-Ierse namen)

Diezelfde reis eind jaren tachtig zwierf ik naar het noorden. Een mooi landweggetje liep dood op een brede rivier. De door de Engelsen opgeblazen brug stak nog half over het water. Aan beide zijden van de rivier lagen huizen. Na lang rijden vonden we een hoofdweg. Bij een checkpoint werden we ondervraagd door militairen. Tassen open, kofferbak doorzocht. Langs landweggetjes en in sloten lagen Britse soldaten met beschilderde gezichten: uit hun helmen staken takken en gras. Voortdurend cirkelden er helikopters. Bij een protestantse familie - aanhangers van dominee Ian Paisley - lagen naast Amerikaanse anti-abortusfolders boekjes op tafel met foto's van slachtoffers van Ira-aanslagen. De familie leefde in permanente angst, die door Paisley's donderpreken werd warm gehouden. Het laatste waarvan zij droomden was vrede.

Vier jaar later, eind 1993, was ik weer in Noord-Ierland. Dit keer in het republikeinse deel van Belfast. Een vrouw liet me afluisterapparatuur zien die ze bij een verhuizing onder de vloer van haar huis had gevonden. Overal stonden wachttorens met camera's en microfoons. Britse patrouilles holden met zwaaiende geweren rug aan rug over het midden van de straat.

In een zwaarbewaakte republikeinse club werd een benefiet-bokswedstrijd gehouden. Terwijl ik aan tafel zat met zes mannen die opgeteld meer dan honderd jaar in de gevangenis hadden doorgebracht schoof een zevende persoon aan. Hij wist dat ik - als journalist - contact wilde maken met het Ira. ,,Morgen bij Peggy's coffeeshop', fluisterde hij.

Ik moest een krant voor mijn gezicht houden om te voorkomen dat ik zag waar we heen reden. De chauffeur deed de flat aan de buitenkant op slot. Na een kwartier wachten kwam een gemaskerde man binnen die mijn vragen met politieke taal beantwoordde. Het bandje moest vernietigd worden: ter plekke schreef ik het gesprek uit. Het was historisch nieuws: het Ira kondigde een wapenstilstand aan. De republi-keinse partij Sinn Fein kon eindelijk aan de onderhandelingstafel plaatsnemen. Drie jaar later, op Goede Vrijdag 1997, werd een verdrag getekend dat moet leiden tot terugtrekking van de Britten en tot samenwerking - en op den duur samensmelting - met de Ierse republiek.

Bij rebellie tegen de Engelsen zijn opvallend veel dichters en schrijvers betrokken geweest. Toen in 1916 de Paasopstand uitbrak en de republiek werd uitgeroepen - hetgeen na zes jaar burgeroorlog leidde tot de splitsing van Ierland - was meer dan de helft van de leidende revolutionairen dichter of schrijver. Uit negentiende-eeuwse brieven en rapportages spreekt bewondering voor de Ierse belezenheid. Ierse katholieken mochten van de Engelsen geen onderwijs volgen maar hadden hun eigen ondergrondse 'hegscholen' opgericht waar rondreizende geleerden lesgaven in het Grieks en Latijn. Daarnaast prijzen de verslagen de schoonheid van de vrouwen en de sterke bouw van de mannen.

Deze eeuw werd in gevangenissen als Long Kesh en de vrouwenafdeling in Armagh - waar de laatste dertig jaar duizenden Ieren hebben vastgezeten - eveneens hard gestudeerd. De meeste ex-gevangenen spreken vloeiend Iers; een groot aantal van hen kwam er als afgestudeerd politicoloog of socioloog uit. In de gevangenis speelde zich een heel eigen leven af. Met een stuk uit de wc gesloopt koperbuis, suiker, fruit en naar binnen gesmokkelde gist kon tussen de twaalf en vijftien liter poitin per dag worden geproduceerd. Volgens de verhalen keken sommige bewakers in ruil voor een goede slok de andere kant op. Op verjaardagen en bij geslaagde ontsnappingen werd feest gevierd. En gezongen; traditionals maar ook zelfgeschreven liedjes.

Bobby Sands stierf als eerste van tien jonge mannen die de republikeinse hongerstaking van 1981 niet zouden overleven. Sands hield het 66 dagen vol. Van zijn hand is een bijna vrolijk lament over de dood van McIlhatton, een beruchte poitin-stoker. Na Sands' dood werd McIlhatton op een aan de hongerstakers opgedragen cassette de Long Kesh-gevangenis uitgesmokkeld.

McIlhatton (Bobby Sands)

In Glenravel's Glen there lives a man whom some would call a god

He can cure the dead and take your life his price was 30 bob

Come winter, summer, frost all over, a jiggin' spring on the breeze

In the dead of the night a man steps by 'McIlhatton, if you please'

McIlhatton you blurt where have you gone, sigh a million shaking man

Where are your sacks of barley, will your likes be seen again?

Here's a jig to the men and a reel to the step and a swing to the girl he loves

May your fiddle play and the poitin cheer your company up above

(In de glen van Glenravel woont een man: sommigen noemen hem een god

Hij kan de doden genezen en het leven roven, zijn prijs is 30 shilling

Komt winter, zomer, vorst overal, of de lente huppelend op een bries

In het holst van de nacht loopt een man voorbij 'McIlhatton alsjeblieft'

McIlhatton, jij boef, waar ging je heen, verzuchten een miljoen bevende mannen

Waar zijn je zakken graan, zal je gelijke ooit nog verschijnen?

Hier is een dans voor de mannen en een quadrille tot de stap en een swing voor het meisje van wie hij houdt

Moge je viool spelen en moge je poitin het gezelschap daarboven een beetje opvrolijken)

Het is elf uur in de ochtend en we drinken guinness in een dorpskroeg op een van de schiereilanden die vanaf de westkust de oceaan inwaaieren. De tachtigjarige Padhraig O'Malley spreekt Iers met zijn dorpsgenoten; de televisie staat op de Ierstalige zender. Vroeger toen de kinderen nog op blote voeten naar school gingen en 's ochtends een slok van de cratur - het levenselixer - kregen was O'Malley de plaatselijke poitin-maker. Zo bleven ze de hele dag warm, zegt hij. Ook was er eens een door het ijs gezakte koe die bijna bevroren was. Een halve fles poitin deed wonderen: de koe sprong uit eigen kracht uit de poel. Maar zulke poitin kom je zelden nog tegen, verzucht O'Malley.

Hij brengt ons naar zijn opvolger, die in het diepste geheim moet opereren. De boete voor het bezit van een fles is al meer dan duizend gulden. Net voor het golvende veen begint ligt een huisje dat door twee wolfachtige honden wordt beschermd. In de verte strekt zich de oceaan uit die pas in Amerika ophoudt. In de douche van het huisje staat een grote container met een kraantje en tientallen lege flessen. De distilleerworm is in geen velden of wegen te bekennen. De verlegen poitin-maker reikt me een glas aan. Zodra ik het aan mijn lippen zet neemt een vurige gloed bezit van mijn aderen. Volgens oude Padhraig O'Malley is Connemara-poitin als de mensen zelf - vol van temperament en hartstocht. Maar het smaakt ook naar een leven dat langzaam uitsterft. De huisjes langs de oceaan gaan voor veel geld over in handen van buitenlanders en rijke Dubliners. En op het vliegveld wordt tegenwoordig - belastingvrij - een slap aftreksel van poitin aan toeristen verkocht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden