Levende getuigenis maakt meer los

Nederland herdenkt vandaag dan wel de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, maar de generatie die hem heeft meegemaakt sterft uit. Moet het ons zorgen baren dat de herinneringen verdwijnen, of het roer omgooien?

'Opa, hoe was het nou écht in de Tweede Wereldoorlog?' Die vraag kan steeds minder worden gesteld, want het aantal opa's en oma's dat de oorlog bewust meemaakte is gedecimeerd. Nog slechts een op de tweehonderd Nederlanders heeft de oorlog als volwassene meegemaakt. Hoe moet dat dan verder, met het gedenken en het doorgeven van herinneringen?

"In plaats van ervaringsverhalen over de oorlog krijg je steeds meer wat wij in de wetenschap een 'culturele herinnering' noemen. Dat is een beeld dat gevormd en in stand gehouden wordt door de geschiedenisboeken, maar ook door de media en door kunstenaars", zegt Ann Rigney (1957). Ze is hoogleraar literatuurwetenschap aan de Universiteit Utrecht en houdt zich onder meer bezig met de kracht van verhalen in de (collectieve) herinnering.

De kracht van films en literatuur wordt nogal eens onderschat: ze kunnen meer indruk maken dan een hele rij geschiedenisboeken, of een tentoonstelling over de tijd van vroeger. "Kunstenaars zijn er vaak goed in om net een aspect te belichten dat tot dat moment nog niet wordt gezien. In het boek 'Het bittere kruid' beschreef Marga Minco al de Jodenvervolging, maar toen het boek uitkwam was dat in de Nederlandse samenleving, en in de wetenschap, nog nauwelijks een onderwerp."

Rigney zou kunstenaars geen monopolie geven. "Als je het over laat aan schrijvers en filmmakers, kun je snel een te romantisch beeld van de geschiedenis krijgen. Kritische noten zijn nodig." Zeker als er steeds minder mensen zijn die vraagtekens kunnen zetten bij een dergelijke romantische visie. "Het gevaar van verhalen die niet meer zijn beleefd, is dat ze schematisch worden, star. In de trant van 'het zat zo en zo in elkaar, en dat is de hele waarheid'. Wat je dan overhoudt, is een lege consensus. Waarbij men niet meer stilstaat bij de vraag: kloppen die verhalen eigenlijk wel? Is er ook een andere kant?"

Zeker als het gaat om een tijd van oorlog, waarin er een duidelijke tegenstelling tussen goed en fout lijkt te zijn, kan die verstarring optreden, meent Rigney. "Het verhaal kan dan worden: veel mensen zaten in het verzet, wat waren we toch geweldig in die tijd." De nuance verdwijnt. "Tegelijkertijd krijgen historici juist steeds meer bronnen, waardoor hun verhaal vaak genuanceerder wordt. Ook ingewikkelder."

Selma Leydesdorff (1949), historica en hoogleraar 'oral history' aan de Universiteit van Amsterdam, vreest al voor zo'n verstarring van het oorlogsverhaal. "Ik ben historica en Joods, twee redenen om te vinden dat herdenken moet doorgaan. Maar als er minder mensen zijn die de oorlog hebben meegemaakt, is het risico dat het beeld versmald wordt: Joden staan dan helemaal gelijk aan gaskamers. Kinderen vinden dat vooral heel zielig. Maar begrijpen ze dan ook de achtergrond? De ellende is natuurlijk een deel van het verhaal, maar je dreigt zo veel te missen. Ik roep al jaren dat Joden meer zijn dan Auschwitz. Ik doceer bij religiestudies, maar ik moet mijn studenten nog steeds voorhouden dat Joden in de achttiende eeuw ook al een Verlichting doormaakten. En zo is er meer kennis die verloren dreigt te gaan. Bijvoorbeeld dat Joden al heel lang geleden geïntegreerd zijn in Nederland. Maar ook het antisemitisme dat al lang voordat de oorlog begon bij veel Nederlanders aanwezig was."

Waar vorige generaties bij de Dodenherdenking nog vooral hun naasten herdachten, wordt het herdenken en herinneren voor nieuwe generaties volgens Ann Rigney steeds meer een uitgelezen kans om lessen te trekken uit de geschiedenis. "Om verder te gaan dan dat romantische beeld van helden. Om ook kritisch te zijn op Nederlanders. Niet om jezelf in de put te praten, maar ook om de tijd van nu beter te begrijpen. Kijk bijvoorbeeld naar de uitsluiting van bepaalde groepen in Nederland, zoals Turken en Marokkanen. De geschiedenis van de jaren dertig in Duitsland laat zien hoe uitsluiting begon. Eerst heel onzichtbaar, maar het taalgebruik veranderde langzaam en later werd de uitsluiting veel scherper. Uitsluiting vindt eerder plaats wanneer de meerderheid zichzelf ziet als een heldhaftige eenheid, en nieuwkomers als een storende factor. Ik wil niet zeggen dat het nu precies zo zal aflopen, maar je ziet wel duidelijke overeenkomsten. Andersom kan de tijd van nu ook meer inzicht geven in de tijd vroeger. Men krijgt meer oog voor wat er toen gebeurd zou kunnen zijn. De geschiedenis is een verhaal dat zich voortdurend ontwikkelt."

Selma Leydesdorff is het daarmee eens. "De kunst is om de oorlog steeds in een nieuw perspectief te plaatsen. Er komt niet alleen meer kennis, maar de nieuwe generatie, die de oorlog niet meer heeft meegemaakt, moet je ook anders aanspreken. Bedenk ook dat het gaat om heel verschillende groepen leerlingen. Ik moest jaren geleden een klas met veel kinderen die oorspronkelijk van Ambon kwamen, geschiedenisles geven. Het schoot totaal niet op, het sprak ze helemaal niet aan. Totdat ik Multatuli erbij pakte. Dat vonden ze interessant, en zo konden ze ook het grotere verhaal begrijpen. Het oorlogsverhaal mag dan minder vanzelfsprekend worden voor veel mensen, het gevoel verraden te zijn maakt zeker nog deel uit van het Joodse collectieve geheugen. Dat moet je ook niet onderschatten."

Leydesdorff: "Ik zie niet zo veel in oude mensen die een heleboel narigheid over een klas uitstorten. Dat werkt niet. En inderdaad, die oude mensen verdwijnen nu, dus wat moet je dan doen? Mijn moeder is overlevende van Auschwitz. Moet ik dan als lid van de tweede generatie voor die klas gaan staan en vertellen wat het mij deed? Die leerlingen zien dan een mevrouw met wie het best goed gaat. Ik denk niet dat het werkt."

Gelukkig is er een sterke nieuwe bron voor het overdragen van de collectieve oorlogsherinnering: filmbeelden. Leydesdorff: "Dat is een manier om het persoonlijke verhaal nog over te brengen. Die beelden zijn veel authentieker dan wanneer ik zelf iets zou vertellen over hoe ik mij herinner dat mijn moeder en anderen de oorlog hebben meegemaakt. Men is daarmee decennia geleden begonnen, en het is opvallend hoe datgene wat mensen zeggen niet alleen iets zegt over de oorlog, maar ook over de tijd waarin men op dat moment leeft. Dertig jaar geleden vinden Joden het volstrekt vanzelfsprekend dat ze moeten integreren. In de jaren tachtig, met de discussie over Turkse en Marokkaanse immigranten, kijken ze daar anders tegenaan. Je moet dat soort beelden wel in een kader zetten. Ik heb zelf ook die interviews gedaan en ik ben historica, dus ik begrijp de achtergrond. Voor anderen moet je die toch uitleggen. Ook om weer te voorkomen dat het blijft hangen: ach, wat zielig."

Rigney: "Ik was laatst bij de Shoah Foundation in de Verenigde Staten. Daar hebben ze 52.000 getuigenissen vastgelegd op video. Een enorm krachtige bron. Je ziet de emotie van de echte mensen. De kunst is daarmee het grote, betekenisvolle verhaal te laten zien. Dat gaat verder dan emoties als 'het was zo erg'."

Rigney, Iers van geboorte, werd zo'n kwart eeuw geleden bij de kennismaking met haar toekomstige Nederlandse schoonfamilie direct met haar neus op de feiten gedrukt. "Ierland was neutraal in de Tweede Wereldoorlog, voor ons leefde dat minder sterk. Maar mijn latere schoonmoeder vertelde direct dat ze nog het bombardement op Rotterdam had meegemaakt. En mijn schoonvader sprak me erop aan dat de Ierse president bij het overlijden van Hitler zijn condoleances had laten brengen naar de Duitse ambassade. De oorlog is hier zo belangrijk, er is nog steeds alle reden om te herdenken."

Het valt haar wel op dat de geschiedenis in Nederland buiten 4 mei weinig wordt aangeroerd. "Ierland heeft een roerige geschiedenis. Daar wordt in veel debatten naar verwezen. Je ziet het ook in andere landen: Frankrijk, Duitsland en Italië. Maar niet in Nederland. Nederlanders houden het veelal bij dat ene moment in het jaar, de rest van de tijd denken ze aan de toekomst. Op zich een prima houding, zolang die herdenking en herinnering maar niet verstart tot een vanzelfsprekendheid die je niet meer ter discussie stelt."

"Mensen worden al veel langer beïnvloed door grotere verbanden, zoals Europa. Ik denk daarom dat het tijd wordt de herinnering aan de oorlog ook niet langer te beperken tot Nederland." Leydesdorff sluit daarbij aan: "Juist nu komen er enorm veel bronnen beschikbaar over de oorlog en de periode daarna in voormalig Oost-Europa. De archieven in Wit-Rusland zijn net opengegaan. Het zou voor een klas op de middelbare school heel interessant kunnen zijn te leren over het antisemitisme in landen met een communistisch regime. Dan kun je ook de parallel trekken met de Arabische wereld."

Hoe breed dat verhaal ook moge zijn, Rigney begrijpt wel dat 4 mei gereserveerd kan blijven voor de slachtoffers. Vorige week besloot de organisatie van de dodenherdenking - na protest van onder meer de Joodse organisatie Cidi - om vanavond toch niet een gedicht te laten voorlezen door een jongen wiens oudoom zich aansloot bij de Waffen-SS. "Op zich lijkt het mij heel goed het verhaal van de oorlog uit te breiden met de ervaring van zo'n familie. Ik zou zelf ook zeggen: Doe dat niet tijdens de herdenking, daar gaat het om de slachtoffers. Maar doe het wel op andere momenten. Die aandacht voor collaboratie zorgt voor een evenwichtiger beeld. Ik woon in Utrecht en daar kun je op verschillende plekken monumenten voor de slachtoffers zien. Maar dat er ook NSB'ers waren, daar merk je niets van. In bijvoorbeeld Frankrijk is de aandacht voor de eigen collaboratie, de schaduwzijde, veel sterker."

'Opa, hoe was het nou écht in de tweede wereldoorlog?' Ook al zijn er bijna ontelbare herinneringen op video vastgelegd, een levende getuigenis blijft een bijzondere gebeurtenis.

Volgens Ann Rigney zijn de grootouders vaak cruciaal in het overdragen van de geschiedenis. "Van ouders moeten kinderen zich vaak nog losmaken, maar als de grootouders op hoge leeftijd komen, willen jongeren van hen graag weten hoe het vroeger was. En de grootouders op hun beurt willen ook nog graag vertellen. Dit is een belangrijke tijd: nog een klein deel van de jongere generatie heeft de kans om het verhaal te horen uit de mond van iemand die het zelf heeft beleefd."

Die oorlog begon toch in 1540?
Weten jongeren nog wel genoeg van de oorlog? Die vraag speelt al langer, en niet alleen in Nederland. Dertig jaar terug bleek al uit onderzoek in Duitsland dat veel jongeren de oorlog in 1917 of 1930 lieten beginnen, of in 1947 lieten aflopen. In Nederland ging het al niet veel beter. Vijftien jaar geleden wist slechts een op de drie wanneer de oorlog begon; sommigen plaatsten deze gebeurtenis in 1540. Zes jaar geleden maakte het kabinet zich ernstige zorgen om de gebrekkige kennis van scholieren over de oorlog. Het aandeel leerlingen dat bij 'oorlog' spontaan de Tweede Wereldoorlog noemde, lag op 51 procent. Toenmalig staatssecretaris Ross-Van Dorp pleitte voor vernieuwing van het lesmateriaal, omdat steeds minder leerlingen nog een grootouder hadden die de oorlog had meegemaakt. Een enquête van weekblad Elsevier twee jaar geleden liet zien dat er best potentieel is: veel pubers zeiden grote interesse voor de geschiedenis te hebben, vooral voor de Tweede Wereldoorlog. Die interesse is al langer aanwezig. Vijftien jaar geleden zei een vwo-scholier tegen deze krant: "Het geschiedenisonderwijs zou zich sterker dan nu moeten richten op de dingen die scholieren interessant vinden. Dus minder verhalen over Willem de Zoveelste die toen-en-toen trouwde met die-en-die. Maar bijvoorbeeld over de Tweede Wereldoorlog, waarvan je kunt leren wat er gebeurt als je discrimineert."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden