Levend begraven

Rob Schouten

Misschien vindt u mij na afloop van dit stukje een wezenloze zwever of een ontoerekeningsvatbare mysticus maar ik geloof dat als je aan iemand denkt dat bij de betrokkene aankomt. Niks telepathie of andere mysterieuze luchtverplaatsingen maar gewoon: wie aan iemand denkt roept die iemand op. Ik zat laatst een stukje te lezen van de hand van Redbad Fokkema, ooit poëzierecensent van deze krant en allang dood. Het ging over een gedicht van Geerten Gossaert en ik hoorde hem praten, belezen, wetenschappelijk maar ook een beetje moeizaam en met een neiging tot dronkenschap die het vele rationele in hem moest onderdrukken. In gedachten zei ik iets van: nou nou Redbad, en ik wist zeker dat hij het voelde, al ligt-ie al jaren onder de zoden. Zo ben ik wel vaker in gesprek met doden en afwezigen. Ik heb zelfs de indruk dat de dood sommige conversaties bevordert. Met mijn vader bijvoorbeeld lukte het tijdens zijn leven nooit zo goed, omdat hij er voortdurend op wees dat ik me voor God moest verootmoedigen en de bijbel lezen, maar nu hij al jaren dood is en mij niet meer probeert over te halen, is het gesprek een stuk minder bedrukkend geworden. Hij vertelt me verhalen uit zijn jeugd, hoe hij als jongen uit vissen ging met zijn vader en een snoek ving waarin een kikker zat die zijn zuster er in de keuken uithaalde, en dat er een gebocheld vrouwtje bij hen over de vloer kwam dat Truitje heette en sokken stopte. Sinds hij overleden is heb ik het gevoel dat ik veel beter begrijp waarom hij mijn vader moest zijn. Andere doden zie ik soms over straat lopen en prompt ben ik bij ze thuis. Onlangs bijvoorbeeld de Vlaamse dichter Herman de Coninck, alweer zo’n tien jaar dood. Daar wandelde hij door de Van Baerlestraat in Amsterdam, hij was zeker bij iemand in de buurt op bezoek geweest en voor ik het wist luisterde ik weer in zijn huis aan de Antwerpse Cogels Osylei naar Schuberts Arpeggione-sonate, waar hij zo van hield. Ik moet wel zeggen dat deze doden zich niet verder ontwikkelen, ze doen niet opeens heel andere dingen dan ze tijdens hun leven deden, mijn vader is niet opeens bankdirecteur geworden of Herman de Coninck huisarts. Ze zijn in mijn kop dezelfde gebleven die ze altijd waren, en dat wijst er natuurlijk op dat het maar herinneringen zijn die me bezighouden. Toch lijkt hun postmortale bestaan me nog zeer de moeite waard, ik hoop althans zelf na mijn dood nog een hele tijd voort te leven in de herinneringen van mijn vrienden en kinderen en misschien zelfs in die van mijn kleinkinderen, een mensensoort waarover ik nu nog niet eens beschik. Je omgeving als urn. Ikzelf denk een doodenkele keer zelfs nog wel eens aan mijn overgrootvader die overleed toen ik vier was en van wie ik me voornamelijk herinner dat hij haartjes in zijn oren had. Mijn herinnering aan hem zal zo’n beetje het laatste zijn wat hem nog in leven houdt, en veel is het ook niet wat er nog van ‘m rest, wat verhoornde cellen in een lapje vlees. Maar het lijkt me toch een prima manier van versterven, een jaar of vijftig na je begrafenis, als je allang aan je dood gewend bent geraakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden