Leven lukt slecht schrijven des te beter

Erik, alter ego van Geerten Meijsing, is neergestreken op Sicilië. Gelukkig is hij ook daar niet, maar zijn furieuze klaagzang klinkt als muziek.

Geerten Meijsing: Siciliaanse Vespers. Balans, Amsterdam. ISBN 9789050188845; 284 blz. euro 18,55

Uit de grachtengordel van Amsterdam kan weinig goeds voortkomen, dat wist Erik Provenier, alter-ego van schrijver Geerten Meijsing, in diens eerdere boeken ook al wel. Hij ontvluchtte de Amsterdamse literaire kringen, eerst richting Toscane, waar hij in zijn eentje zijn dochtertje Chiara opvoedde (vastgelegd in ’Malocchio’), terwijl een stoet vriendinnen (Laura, Zelda, Anita) voorbij trok, die hem in eerdere boeken ook al niet gelukkig maakten.

Toscane verloederde (teveel Nederlanders die het roer omgooiden) en Eriks nieuwe standplek werd Syracuse op Sicilië. Ook daar blijkt Erik niet veilig voor de Amsterdamse literatuurminnaars en -minnaressen, zo lezen we in ’Siciliaanse Vespers’.

In koortsachtige, swingende zinnen sleurt Meijsing je via Morano Calabro en Napels naar Lucca, en via Bellagio naar Baarn. Hij dweept uitzinnig met de volgens hem reeds door Vergilius bezongen stromende beken, kloppende hagedissen, en kwakende kikkers. Hij foetert hartstochtelijk op Siciliaanse sentimentaliteit, bijgeloof en bigotterie, maar uiteindelijk smoort de arme schrijver iedere andere gedachte in de zweterige hotelbedden waar hij en zijn vriendin pagina’s lang hun ’goede seks’ beleven. Proveniers diepste zelf sijpelt keer op keer haar lichaam in, gelijk met zijn sperma. En die wellust blijkt heel gevaarlijk.

In ’Siciliaanse Vespers’ doet Meijsing vol passie en overgave verslag van een nieuw dal in Proveniers schrijversbestaan. Dit dieptepunt dient zich – niet onverwacht – aan in de vorm van een vrouw, één vrouw maar deze keer, die van Erik wel drie namen krijgt.

Deze Gooise Wolf (naar Gerard Reve), Lee (naar Lee Miller), of Elizabeth (naar geboorte) heeft hij vijftien jaar geleden voor het eerst ontmoet, nadat zij via een brief contact met hem had gezocht.

Een ontmoeting in een bar volgt, Erik is ‘gelijk verkocht’, maar afgezien van een openhartige briefwisseling en een paar volgende ontmoetingen, gebeurt er weinig. Wolf blijkt getrouwd en heeft twee dochtertjes.

Pas vijftien jaar nadien, in 2004, verandert hun contact, als Erik haar in een opwelling uitnodigt voor het Libris-bal. Haar nieuwe botox wangen en opgeblazen lippen vergeeft hij haar: „Ook als het meisje verandert in een vrouw van veertig, en ook als zij die verandering heeft willen stoppen in een Japanse pop waarin het stoute meisje van weleer amper te herkennen is. Je houdt in de vrouw van het meisje dat je ooit ontmoet hebt.” Aldus Erik.

Was hij maar voorzichtiger geweest. Wolf en diens beste vriend Jochem, die Erik direct voor haar waarschuwt, zullen niet zo heel veel later – bijna – zijn jammerlijke einde op hun geweten hebben.

„’t Is overigens zo met mensen die alleen leven; ze praten honderduit zodra ze een medemens ontmoeten”, schrijft Provenier op bladzijde 23. Het is dan allang duidelijk dat die uitspraak ook op hem zelf slaat. De plot van dit boek (het verraad) mag voorspelbaar en dunnetjes zijn, Meijsings woordenstroom, zijn even arrogante als jammerlijk zwelgen, zijn furieuze en bittere terzijdes zijn meeslepend genoeg.

Bekenden uit de Nederlandse literaire wereld (de beroemde zuster) en andere vertrouwde figuren trekken voorbij, anderen inspireren tot prettig giswerk: wie stond voor dit personage model?

Tegenspeelster Wolf blijft trouwens een vrij schimmige figuur, al is ze een ongewoon geile reisgezel. Beste vriend Jochem Suckert daarentegen –bleek, rossig overeind staand haar– rijst op als een fraaie karikatuur van de levensangstige, over-ambitieuze, verraderlijke literatuurbons.

In het begin relativeert Meijsing zijn dramatische exposé met de uitspraak dat hij uitsluitend voor de schrijverij heeft geleefd: „De werkelijkheid steekt bleek af bij de schriftuur”.

Dat kan de lezer navoelen. Want hoe diep Erik ook zinkt, altijd zijn het Meijsings verlossende woorden die de lezer uit de misère omhoog tillen. Als de psychiater in het ziekenhuis op de een na laatste bladzijde vraagt: „Heeft U soms geldzorgen?” constateert Erik dat dit de eerste zinnige vraag is die een psychiater hem ooit heeft gesteld. Na 281 pagina’s van doelgericht afstevenen op het ravijn, kun je om zulk ontnuchterend cynisme alleen maar innig grijnzen. Terwijl de slotzinnen je onverwacht diep ontroeren: „De Ionische zee ademt, zoals zij altijd heeft gedaan. Het is zo mooi, mama.(..)”.

Leven lukt het alter-ego niet heel goed, maar dat opschrijven kan Geerten Meijsing als de beste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden