Klein verslagWim Boevink

Leven in tijden van een virus

De nacht was stil geweest. Ik stond op en zette de radio aan. “Hoe gaat het coronavirus onze economie raken”, hoorde ik zeggen. Ik zette de radio uit. Een reepje zonlicht viel via een van de dakramen naar binnen. De lucht was blauw.

Ik keek naar beneden, op het nog lege marktplein. Een vrouw tilde haar kind in een fietszitje.

Ik nam een hete douche, kleedde me aan en ging naar buiten. Bij de tijdschriftenkiosk kocht ik een lokale krant; de vrouw achter de balie vroeg of ik een klantenkaart had.

Bij het warenhuis sloot ik aan in de rij voor het ontbijt; die rij was zo lang dat ik tussen de beha’s stond te wachten. Non wired, non padded, las ik.

Achter de langgerekte vitrine redderde het personeel in rode polo’s met plakken kaas en gekookte eieren; ik zag geen handschoenen.

In de krant een per telefoon afgenomen interview met een coronapatiënt. “Besmette vrouw drong zelf aan op test”, stond er boven. Ze was na een vakantie in Noord-Italië uit eigen beweging in quarantaine gegaan, omdat ze zich niet goed voelde en had vanuit huis met klem om een test moeten vragen. Ook haar jonge kinderen liet ze niet naar school gaan.

Rijp voor een inquisitie

Ze was trots op haar eigen handelen, “Maar waar ik écht ziek van ben, zijn de reacties op sociale media. Mensen die vinden dat we daar hadden moeten blijven of dat we niet hadden moeten gaan.”

Besmette mensen zijn vervuilers, kwam ongemakkelijk in me op. Rijp voor een inquisitie. Voor een ballingschap. Ze zijn schuldig.

Tegenover me zat een ouder echtpaar zwijgend te eten. Ze keken elkaar daarbij niet aan. Ze leken me heel lang getrouwd. Een jonge moeder pelde een eitje voor haar dochtertje.

Ik liep in de richting van de rivier. De hemel was strakblauw, ik voelde me opgetild door het licht.

Een langharige wilg zweemde naar groen. Ik was nog even de bibliotheek in de kerk binnengegaan, de zon tekende de boogramen op de muur. Een oude man met warrig witgrijs haar en een lange, even witgrijze baard las er een krant. Hij had zijn winterjas nog aan. In de mand van zijn rollator stond een shopper van het warenhuis waar ik had ontbeten. Telkens als ik hem zie, denk ik dat Hij het is. Hij die alles beschikt.

De hef van de brug stond open

Het water in de rivier stond hoog; even had ik het gevoel het strand en de zee te hebben bereikt. Containerschepen voeren af en aan: de hef van de brug stond open. Wachtende auto’s blikkerden met felle ketsjes in de zon.

Het rivierwater klotste zwaar tegen de rand van de kade, maar een paar centimeter verwijderd van mijn schoenen. Een passerend paar groette met een knik. Luid zingend fietste een vrouw voorbij, haar hoge stem droeg ver. Wat ze zong kon ik niet thuisbrengen, het leek me een verzonnen wijsje. Toen ze verderop langs het water op een bank ging zitten, zong ze nog steeds en ze hield niet in toen ik voorbij liep.

De rivier golfde lobbig achter de schepen, de hemelkoepel overspande land en water met zoveel glans dat het je hoofd vrijmaakte. Terug in de binnenstad met zijn oude markt en stegen keerde dat andere beeld uit de krant terug; dat beeld van dat rijtje zes- of zevenjarige scholieren dat leerde hoesten en niezen in hun ellebogen. Er was alweer regen aangekondigd.

Met het oog van een antropoloog en de pen van een dichter doet Wim Boevink dagelijks verslag over de grote en kleine wereld om hem heen. Abonneer je op zijn column in onze mobiele app en lees hem als eerste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden