Leve fundamentele wetenschap!

fysica FOM, het relatief kleine, wendbare instituut dat de Nederlandse naoorlogse natuurkunde groot maakte, gaat op in het grote NWO. 'Misschien wordt NWO net zo stevig en slagvaardig als wij.'

JOEP ENGELS

Het wordt een feest met een rouwrandje. FOM, de stichting die het fysisch onderzoek in Nederland financiert, viert vrijdag haar zeventigjarig bestaan. Het is haar laatste verjaardag: op 1 januari 2017 gaat FOM op in NWO, de organisatie die het onderzoek in alle disciplines financiert. Daarmee komt een einde aan een succesvol bestaan. "Mede dank zij FOM behoort de Nederlandse natuurkunde tot de wereldtop", zegt Hendrik van Vuren, hoofd onderzoeksbeleid van FOM. "Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben zeven Nederlanders de Nobelprijs voor natuurkunde gekregen. Drie van hen zijn door ons opgeleid. Niet gek op een totaal van 3000 FOM-promovendi. We lopen één op duizend, zeg ik wel eens."

Die succesformule zat er van het begin af aan in. Toen FOM, de Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie, op 15 april 1946 werd opgericht, was de Nederlandse natuurkunde ver achterop geraakt. Niet alleen had het onderzoek tijdens de oorlog stilgelegen, in de Verenigde Staten had het Manhattan-project - voor de ontwikkeling van atoombommen - laten zien wat de potentie was van kernenergie voor civiele toepassingen. Zeker als daar geconcentreerd in een project aan werd gewerkt.

Zoiets wilde de Nederlandse politiek, en de fysica, ook. Met grote voortvarendheid werden twee instituten opgericht. Meteen al in 1946 het Instituut voor Kernfysisch Onderzoek (later opgegaan in het Nikhef) en drie jaar later het Laboratorium voor Massaspectografie (het huidige AMOLF). Die keuze voor aparte instituten was heel bewust, zegt Van Vuren. "Universiteiten waren erg achterop geraakt. Zo'n eigen faciliteit maakte het mogelijk om snel van start te gaan."

Daarnaast zette FOM groepen op binnen universiteiten, meestal rond een grote meetfaciliteit zoals een magnetenlaboratorium of deeltjesversneller. En werden rond die faciliteit ook mensen aangesteld: hoogleraren, docenten, promovendi en technici, allemaal in FOM-dienst. Een uniek concept in de wereld.

Wat ook meespeelde in die voortvarendheid: Nederland had kort vóór de oorlog een hoeveelheid uranium gekocht, dit voor de Duitsers verborgen weten te houden en wilde dat nu voor eigen gebruik inzetten. Samen met Noorwegen werd in de buurt van Oslo een reactor gebouwd, maar men wilde er ook een op vaderlandse bodem. Die kwam er, maar in een nieuwe organisatie, het RCN in Petten (het latere ECN).

Een hoge vlucht heeft de kernenergie in Nederland niet genomen. De kerncentrales van Dodewaard en Borssele zijn niet in Nederland ontwikkeld, maar gekocht. De enige grote opbrengst van al die onderzoeksinspanningen was de ontwikkeling van de ultracentrifuge onder leiding van de bezielende Jacob Kistemaker (zie kader) die leidde tot de Urenco-fabriek in Almelo.

"Daar moet je niet geringschattend over doen", merkt Van Vuren op. "Ik denk dat de handelswaarde van Urenco groter is dan wat de overheid in al die jaren in FOM heeft geïnvesteerd. We hebben ons lang en breed terugverdiend. En dan heb ik het niet eens over de revenuen die ons werk Philips of Shell heeft opgeleverd."

Niettemin, het kernfysisch onderzoek is binnen FOM zo goed als verdwenen. FOM toonde haar kracht door met de vrijkomende middelen vernieuwingen te realiseren: hoge-energiefysica, nanofotonica, fysica van leven, zonnebrandstoffen, quantumfysica en stromingsfysica.

Die slagvaardigheid is altijd kenmerkend geweest voor FOM. Dat komt ook door onze platte organisatie, zegt Van Vuren: "Wie een goed plan had dat buiten bestaande kaders viel, kon daarmee altijd nog bij het bestuur aankloppen. En dan kon het binnen een week beslist zijn. We waren onze eigen rechtspersoon met ons eigen budget, en daar konden we creatief mee omgaan. Voor een goed idee was er altijd geld."

Van Vuren is niet bang dat aan die praktijk een einde komt en het succes zal opdrogen. "Het klopt dat we opgaan in een grotere organisatie en dat ons budget daar wordt ondergebracht. Maar verder is het andersom. Het is eerder de bedoeling dat NWO naar ons model wordt ingericht. Dat zij onze genen overnemen. Hoe wij onze ondernemende geest kunnen behouden, is de vraag. Het is geen vanzelfsprekendheid, dat zal bevochten moeten worden."

Hans Chang is daar stelliger over. Chang, tussen 1985 en 2009 directeur van FOM, heeft in de voorbereidende gesprekken vaak aan de onderhandelingstafel gezeten. "Het was een belangrijk argument voor de politiek", weet hij. "Voor de minister en haar staatssecretaris: NWO zou bij deze reorganisatie kunnen leren van de best practices van FOM. Misschien wordt NWO net zo stevig en slagvaardig als FOM."

Van Vuren gaat er nog even goed voor zitten. "Cruciaal aan ons model is dat we op nationaal niveau goed samenwerken", zegt hij. "Toonaangevende wetenschappers werken samen in grote programma's en de programmaleider is de aanvoerder van het team, ook al zitten daar ook hoogleraren in. En niet onbelangrijk, al klinkt het misschien als een open deur: in zo'n groep zitten alleen mensen die substantieel aan het onderzoek bijdragen."

De natuurkundige gemeenschap is zeer betrokken, vult Chang aan. "De beste natuurkundigen zijn bereid zich voor de organisatie in te zetten. In onze commissies zitten mensen van de werkvloer die weten waar ze het over hebben. Dat komt door die platte structuur, een hoogleraar kan zo bij het bestuur binnenlopen, en leidt ertoe dat mensen zich niet louter als klant opstellen. Als ontvanger van geld."

Wat daar ook mee te maken heeft, zeggen oudgedienden: het bureau van FOM was geen moloch waar veel geld bleef hangen. "De gouden stelregel van Chang was", zegt één van hen: "Eerst moet het eigen beheer op orde zijn, dan pas kun je nadenken over beleid." "Voor beleids-blabla had ik inderdaad weinig geduld", zegt Chang zelf.

Tot de jaren zeventig speelde geld geen rol bij de natuurkundigen. "Onze budgetten namen ieder jaar exponentieel toe", zegt Van Vuren. "Maar vanaf 1970 kwam daar de klad in. Vanaf toen gold: als we iets nieuws wilden, moesten we iets anders afbouwen."

In diezelfde tijd begonnen bedrijven hun wetenschappelijke activiteiten af te stoten. "Dat had een geweldige impact. Rond 1970 werkten er bijvoorbeeld bij het befaamde NatLab van Philips meer fysici dan op alle universiteiten samen. Die industriële laboratoria werden niet alleen kleiner, bedrijven gingen zich ook meer op de toepassing richten. En lieten de wetenschap steeds meer aan de universiteiten over."

FOM sprong in dat gat. De stichting werd zakelijker, ging samenwerkingsverbanden aan met bedrijven en richtte zich op het fundamentele onderzoek. "Wij maken een onderscheid met het zogeheten zuiver wetenschappelijk onderzoek", zegt Van Vuren. "Bij ons mag je ook door nieuwsgierigheid gedreven worden, maar dat is niet de kern. Het gaat ons om de grondigheid, de fundamentele aanpak, waarmee je het veld verkent. Dat kan ook bij een toepassingsgerichte vraag. En: iedereen die een aanvraag indient, moet zichzelf de vraag stellen wat de burger, de maatschappij, de mensheid, aan dit onderzoek heeft. Of het onderzoek nu zonnecellen betreft of zwaartekrachtgolven. Of het antwoord concreet is of 'ik zou het niet weten'. Als je er maar over hebt nagedacht. De belastingbetaler heeft het recht te weten wat er met zijn geld gebeurt."

Nederland doet toch al zo weinig aan wetenschap, vergeleken met andere rijke landen. En relatief ook nog eens weinig aan natuur- en scheikunde, voegt hij daar aan toe. Dat klinkt verrassend, het overheersende beeld is dat de bèta's in Nederland niet te klagen hebben bij de verdeling van de gelden. Dat beeld klopt niet, zegt Van Vuren. "De uitgaven voor natuur- en scheikunde liggen veertig procent onder het niveau van wat gangbaar is in de wereld. Wij besteden naar verhouding veel aan de life sciences, de biomedische vakken. En aan wat ik maar plezierstudies zou willen noemen. Er is lang gedacht dat Nederland een diensteneconomie zou moeten worden. Tot de crisis kwam, en duidelijk werd dat we de maakindustrie moeten koesteren. De ASML's van dit land. De crisis geeft ons de wind in de zeilen. Er is meer vraag naar bèta; wetenschap gaat weer back to basics."

Archieffoto: Jacob Kistemaker (links) overhandigt tien milligram verrijkt uranium aan de voorzitter van de Stichting FOM, Pim Milatz, onder het toeziend oog van Jacob Clay, een ander bestuurslid van FOM.

FOM jaarcijfers 2015

1062 mensen in dienst (wetenschappers en technici)

3 FOM-instituten

228 werkgroepen

25 partnerships met bedrijven

105 proefschriften

1187 wetenschappelijke publicaties

108,4 miljoen euro budget

undefined

Kistemaker doorbrak embargo op nucleaire technologie

De ontstaansgeschiedenis van FOM is onlosmakelijk verbonden met de naam van Jacob Kistemaker (1917 - 2010). En dat geldt ook voor de beginjaren van kernenergie in Nederland.

Deze boerenzoon uit Kolhorn was in 1945 in Leiden gepromoveerd en kreeg twee jaar later van FOM de opdracht te werken aan de verrijking van uranium - waarvan Nederland kort voor de oorlog in het toenmalige Congo een hoeveelheid had weten te kopen. Weer twee jaar later, in 1949, kon hij met zijn team verhuizen naar het zojuist opgerichte Laboratorium voor Massaspectografie, het latere AMOLF, waarvan hij tot aan zijn pensioen in 1982 directeur bleef.

Al na een paar jaar had Kistemaker succes en op 6 november 1953 beleefde hij zijn finest hour toen hij tien milligram verrijkt uranium kon overhandigen aan zijn FOM-bazen. Het door de Amerikanen en Britten opgelegde embargo op kerntechnologieën was doorbroken. Het gevolg was dat deze landen hun scheidingstechnologie vrijgaven.

Kistemaker wist toen al dat zijn aanpak met een massaseparator veel te inefficiënt was. Kort daarna woonde hij toevallig in Duitsland een lezing bij die hem op een nieuw spoor zette: ultracentrifuges.

In 1960 werd de eerste Nederlandse ultracentrifuge gebouwd en in 1969 begon de bouw van de ultracentrifugefabriek in Almelo.

In de jaren zeventig raakte Kistemaker een paar keer in opspraak. Hij werd beschuldigd van spionage voor de nazi's. Tijdens de oorlog zou hij voor een Duits octrooibureau in Parijs hebben gewerkt. Het is een duister verhaal dat nooit helemaal is opgehelderd, zegt Wim Turkenburg, een van zijn latere promovendi. Kistemaker zelf heeft altijd beweerd dat het om contraspionage ging.

Kistemaker kwam met diezelfde Turkenburg in conflict toen deze tijdens zijn promotietijd, begin jaren zeventig, medeauteur was van een kritisch rapport over kernenergie. Hij schreef zijn pupil dat deze zich daar verre van moest houden ('Paarlen voor de zwijnen, Wim'). Het conflict liep zo hoog op dat de Akademie van Wetenschappen, bij hoofde van de eminente Hendrik Casimir, moest komen bemiddelen. Casimir constateerde dat Kistemaker over de schreef was gegaan door de academische vrijheid van Turkenburg te beteugelen. Gevolg van deze berisping was dat Kistemaker bij zijn pensioen in 1982 het gebruikelijke lintje werd onthouden. Om bij de plechtigheid niet met lege handen te staan riep FOM in allerijl de Jacob Kistemakerprijs uit. Een jaarlijkse prijs voor de fysicus die zijn onderzoek het best tot nut heeft weten te maken.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden