LEVE DE TOLERANTIE

De tijd is voorbij waarin westerse maatschappijen bijeen konden worden gehouden door gemeenschappelijke waarden en gedragsregels, meent de Amerikaanse filosoof Nicholas Wolterstorff, verbonden aan Yale University. Her en der dreigen groepen die zich eigen normen stellen, iedere vorm van samen leven onmogelijk te maken.In een rede op een symposium ter nagedachtenis aan de Nederlandse wijsgeer Dooyeweerd besprak Wolterstorff, hoe dat zo gekomen is en wat ertegen te doen valt. Zonder tolerantie, nederigheid en openheid houden we de westerse samenlevingen niet overeind. Maar 'het gevaar dat het aan deze deugden zal blijken te ontbreken, is alleszins reëel'.

De Duitse filosoof Hegel (1770-1831) was de eerste die vaststelde dat allerlei westerse sociale en culturele ontwikkelingen in de twee of drie eeuwen vóór hem duidden op de geboorte van iets nieuws: de geest van de moderne tijd. Die tijd begon met een breuk in de morele en godsdienstige traditie van Europa, die binnen ongedeelde staatkundige gemeenschappen een diep ingrijpende religieuze verscheidenheid schiep. Kenmerkend voor de moderne tijd is het ontstaan en de bloei van de liberale staat en de seculiere (niet-kerkelijke) universiteit, tezamen met een liberaal cultureel ethos dat deze twee schraagt.

In dit ethos heeft een bepaalde kennistheorie altijd een prominente rol vervuld. De Engelse wijsgeer John Locke (1632-1704) is daar een exponent van.

“Omdat - schreef hij - tradities in de verschillende delen van de wereld zo sterk verschillen en de opvattingen van de mensen zo kennelijk tegengesteld en volstrekt onverenigbaar zijn, en dit niet alleen van volk tot volk, maar binnen één en dezelfde staat - want iedere opvatting die we van anderen leren, wordt een traditie - en omdat, ten slotte, iedereen met zoveel strijdlust opkomt voor zijn eigen mening en eist dat daaraan geloof wordt gehecht, is het onmogelijk - aangenomen dat alleen de traditie ons voorschrijft wat onze plicht is, en waarom - te ontdekken wat die traditie is, of de waarheid te vinden te midden van een zo grote verscheidenheid (. . .)”

De taal klinkt ouderwets, maar de gedachte had gisteren geuit kunnen zijn. De christenheid was verdeeld geraakt. Binnen de ene staat Engeland leefde een flink aantal groepen die zich allemaal christenen noemden maar zozeer van opvatting verschilden dat ze weigerden samen naar de kerk te gaan. In hun onderlinge meningsverschillen deed elk van deze gemeenschappen een beroep op de eigen traditie - en dat was vooral een traditie van Bijbeluitleg. Wat nut het, in zo'n situatie een beroep te doen op de traditie om te ontdekken wat je plicht is?, vroeg Locke. Er iets anders nodig.

Als iemand drie eeuwen tevoren had gezegd dat het geen zin heeft, de traditie te raadplegen om erachter te komen wat je plicht is, zou hij op ongeloof, zo niet onbegrip, zijn gestuit. De traditie, in het bijzonder de tekstuele traditie, was nu juist datgene waarbij men altijd te rade ging om vast te stellen waartoe een mens verplicht was, en nog heel wat meer bovendien. Die traditie was neergelegd in de geschriften van kerkvaders en concilies, en, daarachter, in de Schrift - maar ook in andere werken.

Onder Europese christenen had de overtuiging postgevat, dat veruit de meeste teksten die uit het verleden waren overgeleverd, samen een uitgestrekte schatkamer vol wijsheid vormden. Als uitvloeisel van die overtuiging was allengs een dialectische praxis ontstaan waarmee de wijsheid uit deze teksten aan het licht kon worden gebracht.

Tussen Locke en de middeleeuwers had zich een wijde en diepe kloof geopend.

Doe de boeken dicht - zei Locke - allemaal, totdat je buiten de boeken om een goede reden vindt om er een te raadplegen. Dat er breuken waren ontstaan in de morele en godsdienstige traditie van het christelijke Europa, leed twijfel voor niemand die in de zeventiende eeuw in het Westen woonde. Als zich een dilemma voordeed, kon men niet langer zeggen: ga bij de traditie te rade. De traditie bestond niet meer. Het was wel mogelijk om te zeggen (en dat is het nog steeds): ga bij deze traditie te rade, of bij die. Maar daarmee riep je, om Locke te citeren, de vraag op hoe je 'de waarheid kon vinden te midden van een zo grote verscheidenheid'. . .

Wat dringend nodig was, waren ideeën over een nieuwe manier om opvattingen te ontwikkelen over - onder veel meer - morele en godsdienstige kwesties, anders gezegd: een nieuwe doxastische praxis, die in de plaats kon komen van de oude interpretatiemethoden waaronder de fundering was weggevallen. Even dringend nodig was een nieuw antwoord op de vraag, hoe individuen en gemeenschappen die verschilden van godsdienst en in hun kijk op het goede, konden samenleven en floreren in één maatschappij. Het geniale van Locke was dat hij op beide punten voorstellen deed, die buitengewoon invloedrijk zijn gebleken.

Hoe moest je te werk gaan wanneer je verplicht was je tot het uiterste in te spannen om de waarheid omtrent een bepaalde kwestie te ontdekken? Let op de dingen zelf, zei Locke, en niet op wat de mensen over de dingen zeggen. En 'luister naar de stem van de Rede'. Je begint met die zaken waarvan je zeker bent: allerlei redelijke waarheden en feiten omtrent je mentale toestanden en handelingen. Dan, wanneer de vraag rijst of je iets kunt geloven waarvan je niet zeker bent omdat het niet rechtstreeks in de geest of de waarneming gegeven is, verzamel je een genoegzame hoeveelheid bewijsmateriaal omtrent de waarheid of onwaarheid van de bewering in kwestie - bewijsmateriaal bestaande uit feiten waarvan je je rechtstreeks bewust bent. Vervolgens overweeg je, op basis van dat bewijsmateriaal, hoe waarschijnlijk de bewering is. En ten slotte hecht je er meer of minder geloof aan, naarmate die waarschijnlijkheid groter of kleiner is. Nergens in dit proces wordt een beroep op de traditie gedaan.

Dit is de kern van de oplossing die Locke voorstelde voor de intellectuele crisis van zijn tijd. Zijn oplossing voor de sociale crisis kwam neer op wat we de 'liberale' (d.w.z. niet aan traditioneel gezag of orthodoxie gebonden) maatschappij zijn gaan noemen. Als een samenleving bestaat uit verschillende godsdienstige gemeenschappen met onderling strijdige opvattingen over het goede, moet ze de vraag onder ogen zien waar ze de interpretatie van de werkelijkheid en de gedragsregels kan vinden die ze nodig heeft om zich politiek te organiseren. Anders gezegd: waar ze de ideologie kan vinden die haar legitimeert en haar een oriëntatiekader verschaft. In abstracto zijn er verschillende mogelijkheden. Een ervan is dat de concurrerende godsdiensten in een dialoog met elkaar tot voldoende overeenstemming komen over wat hun te doen staat; dat noem ik de pluralistische mogelijkheid. Een andere is de liberale optie.

Fundamenteel voor het liberalisme is het onderscheid tussen de private en de publieke sector. In de uitwerking bestaan allerlei verschillen, maar de staat behoort altijd tot de publieke sector, evenals - bijna altijd - een groot deel van het onderwijsstelsel en een stuk van de economie. De liberaal is van mening dat de burgers voor het leven in de publieke sector hun opvattingen en waarden niet moeten ontlenen aan een van de tradities, vertegenwoordigd door de concurrerende religies en ideeën omtrent het goede, maar aan iets dat daarvan onafhankelijk is. Het moet een bron zijn die voldoende gegevens oplevert om handelingen in de publieke sector richting te geven en te legitimeren, en die in zoverre neutraal is, dat die gegevens door iedereen aanvaard behoren te worden.

Wat is die onafhankelijke, gemeenschappelijke bron? Eén antwoord dat in onze eeuw als een mantra herhaald is, luidt: dat zijn de joods-christelijke waarden; daar grondvesten we ons openbare leven op. Het bezwaar ligt voor de hand: wat te doen wanneer er iemand komt opdagen die jood noch christen is? Een andere mogelijkheid - in de begintijd van het liberalisme nog denkbeeldig, maar nu de voornaamste concurrent ervan - is dat de interpretaties en de waarden die aan het openbare leven vorm geven, ontleend worden aan om het even welk nationalisme dat door alle leden van een samenleving wordt aangehangen: hun French Canadianism, hun pan-arabisme, of wat dan ook. Ook hier ligt een moeilijkheid voor de hand: in de moderne wereld komt het niet meer voor dat alle burgers van een staat tot één natie behoren.

Het beste lijkt dus, een bron van waarden en gedragsregels te zoeken in de menselijke natuur, die alle burgers van een staat gemeen hebben. Die bron - Locke aarzelde daar nooit over - is de Rede. Met 'Rede' bedoelde hij diezelfde doxastische praxis waarin hij een oplossing zag voor de intellectuele crisis van zijn tijd en die hij kenschetste in adviezen als 'luister naar de stem van de Rede' en 'laat de Rede uw gids zijn'.

Nauwelijks was een begin gemaakt met de verwezenlijking van de liberale droom of sceptici verklaarden dat de Rede niet bij machte was om de beginselen te leveren die een liberale cultuur en haar sociale instellingen konden schragen. In reactie daarop is zo nu en dan geprobeerd, het ideaal van een liberale samenleving niet langer afhankelijk te maken van een beroep op de Rede. In onze eeuw zijn voorbeelden te vinden bij de Duitse socioloog Max Weber (1864-1920) en de Amerikaanse filosoof Richard Rorty, die ieder op zijn manier hebben betoogd dat de liberale samenleving geen moreel fundament van node heeft. Maar in het centrum van de liberale theorie hebben altijd denkers als John Rawls en Jürgen Habermas gestaan, die geprobeerd hebben om tegenover de sceptici aan te tonen dat de Rede het karwei dat van haar verwacht wordt, aan kan.

Locke's voorstelling van een liberale samenleving en een liberaal ethos is geen theorie gebleven. Ze heeft vorm gegeven aan de westerse maatschappij. Daarbij heeft de liberale visie altijd moeten concurreren met andere factoren. Maar niemand zal loochenen dat ze een vérstrekkende invloed heeft gehad op onze verbeelding en onze praxis.

Deze grote visie, mengeling van een liberale politieke theorie en een fundamentalistische kennistheorie (een theorie die uitgaat van een tijdloos fundament voor filosofische kennis) - deze visie is nu stervende. De intellectuele en sociale crises die ze had moeten oplossen, zijn nog altijd virulent. Maar de oplossing overtuigt de westerse mensheid als geheel niet meer en heeft geen greep meer op haar verbeelding.

De tekenen van haar ondergang zijn vele, de oorzaken ook. Ik moet me tot twee beperken. Eén: haar kennistheorie heeft geen overtuigingskracht meer. Weinigen geloven nog dat de Rede in staat is - of ooit in staat is geweest - om het werk te doen dat het liberalisme ervan verlangde. Meer in het algemeen: weinigen vinden het klassiek-moderne fundamentalisme en de theorie dat de menselijke geest de werkelijkheid representeert, nog plausibel. Een alternatief dat tegenwoordig veel aanhang vindt in de academische wereld, loochent zelfs het kleine beetje kennis van de werkelijkheid waarvan de representatie-theorie uitging. Alles is interpretatie. Het idee dat de universiteit zich kan en moet bezighouden met algemeen-menselijke wetenschap - om nog maar te zwijgen over het idee dat ze dat altijd al gedaan heeft - is voor velen een illusie uit een vervlogen tijd waarvan de herinnering nostalgie oproept. En dus is een groot deel van wat er nu aan de openbare universiteit wordt gedaan expliciet, en zelfs agressief, particularistisch: feministische studies, Afro-Amerikaanse studies, gay studies, joodse studies - we weten er allemaal van.

Een complementair particularisme tref je - ten tweede - overal in de politieke sector aan. Het liberalisme heeft een eigenaardig soort tangbeweging doen ontstaan. Enerzijds blijkt dat de combinatie van liberalisme in een uitdijende publieke sector en kapitalisme in de private economie een sterk vernietigend effect kan hebben op die religieuze en andere 'gemeenschappen der herinnering' waarin waarden worden beleefd en overgedragen. Anderzijds verliest het ethos van het liberalisme zelf - zijn waarden, gewoonten, attitudes - steeds meer aan inhoud, en aan invloed op de burgers. Die burgers sturen hun kinderen naar scholen in de publieke sector en verlangen dat die scholen 'waarden' bijbrengen. Maar de leraren geloven niet langer dat de Rede in dat opzicht veel te bieden heeft. Welke waarden moeten ze dan onderwijzen, en op welke grondslag, en hoe kunnen ze daarmee vat krijgen op het leven van de leerlingen?

Misschien hangen deze twee processen wel samen. Misschien is het liberalisme voor de instandhouding van zijn ethos veel meer dan het wil toegeven, afhankelijk van godsdienstige gemeenschappen. In elk geval beleven we tegenwoordig, hoe het particuliere, het niet-algemene, wraak neemt op het liberalisme - in de vorm van herlevend nationalisme, agressief religieus fundamentalisme en verfijnd consumentisme. Tegen de emotionele claims die deze drie tegenwoordig op het leven van velen leggen, kan het liberalisme niet op.

Het is waar - een trieste waarheid, maar een waarheid niettemin - dat de verschillende godsdienstige en quasi-godsdienstige gemeenschappen in onze pluralistische samenlevingen uiteenlopende opvattingen hebben over het leven binnen de verschillende sectoren van de samenleving. Daar is, in wezen, niets aan te doen (afgezien van de mogelijkheid van bekering). Dat wil zeggen: het enige dat we kunnen doen, is dat elk de ander respecteert door te werken aan een samenlevingsvorm waarin deze verschillende gemeenschappen vrij zijn om zich cultureel en sociaal te ontplooien, elkaar te corrigeren en, met eerlijke methoden, te streven naar aanpassingen en concessies die nodig zijn om samen in vrede te leven en elk afzonderlijk tot bloei te komen.

Dat is de pluralistische optie. Ik ben ervan overtuigd dat we, nu het liberalisme sterft, ons daarvoor moeten inzetten. Ieder alternatief betekent onderdrukking. Het zal niet gemakkelijk zijn. Wil het pluralisme werken, dan moet een samenleving als geheel kunnen bogen op sociale deugden van een heel speciale soort: een zekere tolerantie, nederigheid en openheid, om alleen de meest voor de hand liggende te noemen. Het gevaar dat het aan deze deugden zal blijken te ontbreken, is alleszins reëel. Nu de hegemonie van het zogenaamd universele is opgeheven en particularismen van allerlei signatuur in de maatschappij en aan de universiteit hun stem verheffen, merk je tot je schrik hoe diep de rancune zit - vrouwen tegen mannen, mensen met een gekleurde huid tegen blanken, de rest van de wereld tegen het Westen, de islam tegen het christendom, Oekraïeners tegen Russen, homo's tegen hetero's - de lijst is lang niet volledig.

Is bij zoveel haat en wrok pluralisme mogelijk? Of zal elke groep zich in zichzelf opsluiten, haar rancune koesteren, haar lijden blijven gedenken, haar eigen verhaal vertellen en iedere correctie - en daarmee elke poging tot dialoog - afhouden met de bewering dat anderen haar onmogelijk kunnen begrijpen omdat haar pijn uniek is en met niets te vergelijken? Ik weet het niet. Maar de hoop waaruit christenen leven, is geen hoop, gebaseerd op opiniepeilingen. Ofschoon het een hoop voor deze wereld is, is ze niet van deze wereld.

Vertaling Jaap de Berg

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden