Leve de thuisblijftoerist

Toeristen op de Magdalena in Colombia. ( FOTO MAURICE BOYER, HOLLANDSE HOOGTE)

Heimwee, vindt filosoof Pieter Hoexum, is geen plaag, maar een zoete kwelling. En eigenlijk de mooiste beloning voor de reiziger. „Wie daar geen last van heeft, is niet met vakantie, maar op de vlucht.” Maar zou het niet aardig zijn als je dat verlangen ook thuis kon oproepen?

Vakantie is een tamelijk omslachtige manier om thuis te kunnen komen. Als het goed is, is de thuiskomst het eigenlijke hoogtepunt van de vakantie en je eigen huis de uiteindelijke bestemming. Stel je voor dat je niet meer terug wilt, dan is de vakantie pas echt mislukt. Zonder heimwee geen vakantie. Wie daar geen last van heeft, is niet met vakantie, maar op de vlucht. Heimwee, mits in milde vorm, is dan ook geen plaag, maar een zoete kwelling. En eigenlijk de mooiste beloning.

Waar verlang je eigenlijk naar als je heimwee hebt? Naar thuis natuurlijk. Wat is daar dan dat het zo aantrekkelijk maakt? Meestal kan thuis de vergelijking met de vakantiebestemming immers nauwelijks doorstaan. Een van de eigenaardigheden van heimwee is juist dat je erdoor overvallen kunt worden, terwijl je je in comfortabele, ja zelfs gelukkige omstandigheden bevindt. Alleen de heimwee staat een volkomen geluk in de weg.

Je zou toch zeggen dat Odysseus, aangespoeld op het eiland Ogygia, alles heeft wat zijn hartje begeert: het gezelschap van Calypso, ’de nimf met de mooie vlechten’, die hem aanbidt en vertroetelt. In haar gastvrije grot laait in de haard een helder vuur „en overal op het eiland rook het naar smeulend, versgekapt hout van ceder en lariks” Waarna Homerus zich weer eens in een van zijn typische uitweidingen verliest, om te concluderen: „Hier kon een god zelfs verbaasd staan en in verrukking raken.”

En wat doet Odysseus? Die zit alle dagen op de rotsen, starend over de lege zee, vertwijfeld huilend als een klein kind. Van heimwee. Iedere nacht deelt hij gewillig het bed met Calypso, maar hij verlangt naar zijn Penelope. En naar zijn zoontje Telemachos, en naar het, eigenlijk tamelijk onherbergzame Ithaca. Naar thuis, kortom. Hij zou volmaakt gelukkig kunnen, en misschien wel moeten zijn, maar hij is ziek van verlangen naar – ja naar wat eigenlijk?

Ik stel me voor dat Odysseus, gezeten op de rotsen van Ogygia, verlangt dat er een einde komt aan zijn avonturen. Hij wil niet nog meer spanning en sensatie, niet nog meer enerverende belevenissen, maar rust. Ik stel me voor dat hij ernaar verlangt thuis te komen zoals een brave burgerman aan het einde van de middag thuiskomt: hij hangt zijn jas aan de kapstok, schopt zijn schoenen uit, schiet zijn sloffen aan, groet terloops zijn vrouw en zoontje en laat zich in zijn leunstoel zakken waar hij minutenlang wezenloos voor zich uit zit te staren, af en toe omkijkend naar zijn kind dat met blokken speelt, en luisterend naar het geneurie van zijn vrouw die de aardappels staat te schillen. Totdat ze hem tot de orde roept: „Zeg kom je nog helpen, of hoe zit dat? Je moet ook de vuilnis nog buiten zetten.” Met een zucht hijst Odysseus zich uit zijn stoel en sloft naar de keuken, zogenaamd met tegenzin. In werkelijkheid is het een zucht van verlichting. Eindelijk thuis.

Odysseus wil niet in de watten gelegd worden door een nimf, maar kibbelen met zijn vrouw. Hij verlangt naar sleur. Heimwee is een verlangen naar sleur.

’Thuis. Een plaats om beu te worden’, zo luidde de titel van een essay van Patricia de Martelaere. Afgelopen maart overleed zij. De Martelaere was een van de zeer zeldzame Nederlandstalige ’publieke filosofen’, dat wil zeggen: schrijver van leesbare filosofische essays die de nieuwsgierigheid van een breed publiek kunnen opwekken én bevredigen. Ik las ooit over een Amerikaan die Duits had geleerd, enkel en alleen om Schopenhauer te kunnen lezen in diens eigen woorden. Wie de essays van De Martelaere leest, voelt zich bevoorrecht dat Nederlands zijn moedertaal is. Ooit zal er een Chinees speciaal Nederlands leren om haar boeken te kunnen lezen.

In haar essay over ’thuis’ zal deze Chinees lezen: „Wonen is geen kunst maar een sleur.” En: „Thuiskomen betekent: verstrooid de wang zoenen van iemand wiens kleding en humeur je volledig ontgaan, en mompelend en knikkend genieten van het grote genoegen om niet meer echt naar iemand te moeten luisteren.” Nee, gemakkelijk maakte De Martelaere het haar lezers niet. Met veel aanstekelijk plezier verkondigde ze ongemakkelijke waarheden. „De tragiek van het huwelijk is die van het huis; het is de tragiek van de minnaar die echtgenoot wordt.”

In het televisieprogramma ’Ik vertrek’ zijn gezinnen te volgen die zich vestigen in het buitenland. Naar aanleiding van de serie is een boek verschenen, dat zou gaan over „avonturiers die het niet bij dromen lieten en echt gingen”. Vaak blijkt de droom in duigen te vallen, vooral als dat buitenland de voorgaande jaren de favoriete vakantiebestemming was. Alles wat eerst bijzonder was en spannend, verliest al snel zijn aantrekkingskracht zodra het gewoon en alledaags wordt. Zodra je vakantiebestemming je thuis wordt, is de lol eraf. Dat is inderdaad zoiets als trouwen met je minnaar.

De voorstanders van een gearrangeerd huwelijk hebben gelijk als ze zeggen dat trouwen uit passionele liefde tot mislukken gedoemd is, of in elk geval risicovol en eigenlijk onverstandig. Maar de arrangeurs, de ’huwelijksmakelaars’, hebben ongelijk als zij menen voor anderen te kunnen beslissen en bedisselen. Ieder goed huwelijk is een verstandshuwelijk – tot stand gekomen op basis van een verstandige beslissing. Maar dan wel een beslissing van de betreffende partners, en van hen alleen.

Je hoort vaak dat sleur het grootste probleem is voor getrouwde stellen; hen wordt dan voorgehouden dat ze moeten proberen het ’spannend’ te houden. Wat een slechte, en overigens ook nogal onsmakelijke raad. Sleur is niet het probleem, maar het geheim van een goed huwelijk. De Martelaere: „Naast de kunst van de liefde kan [] ook verveling als een speciaal soort ’kunst’ worden beschouwd.” Wat is er mooier dan je samen in die kunst te bekwamen, wat is mooier dan je samen te vervelen?

Niet de brave thuisblijvers en trouwe huisgenoten zijn de zielepoten, maar de avonturiers en vreemdgangers. Bij De Martelaere krijgt de Franse schrijver Stendhal ervan langs, ze diagnosticeert hem als ’pathologische reiziger’, wiens ziekte eruit bestaat „nooit ergens zolang te kunnen blijven tot men het beu wordt, nooit ergens thuis te durven zijn”. Dergelijke avonturiers zijn inderdaad zielig, omdat ze zich niet kunnen neerleggen bij het onvermijdelijke, omdat ze halsstarrig weigeren zich te bekwamen in de kunst van de verveling en ook nog menen dat dat heroïsch is. Maar het is ronduit aanstellerij.

De Nederlandse vrouwelijke Standhal, Heleen van Royen, noemt zichzelf, met een vette knipoog, ’stout’ – terwijl ze ongelooflijk braaf is. De opstellers van het manifest ’Sex moet weer haute couture worden’ (seks met een x is blijkbaar chiquer) hebben groot gelijk als ze dergelijke ’girlpower’ ongeloofwaardig vinden. Dat manifest werd geschreven naar aanleiding van de ophefmakende documentaire ’Beperkt houdbaar’ van Sunny Bergman, over het heersende, maar voor de meeste vrouwen onhaalbare schoonheidsideaal – zoals dat gaat bij idealen. De opstellers van het manifest „willen afrekenen met het idee dat vrouwelijkheid enkel gedefinieerd wordt door schoonheid”. En: „Normaal moet weer normaal worden, het extreme is niet de norm. Seksuele vrijheid staat niet gelijk aan totale grenzeloosheid en platheid.”

Inhoudelijk onderschrijf ik het manifest geloof ik wel, maar ik heb het niet ondertekend. Vanwege dat motto.

Afgezien van die rare x, lijkt de titel lijkt mij in tegenspraak met de inhoud, in elk geval met wat de opstellers volgens mij hadden moeten en ook lijken te willen zeggen. Dat is namelijk dat we ons niets gelegen moeten laten liggen aan het hysterisch opgeschroefde verwachtingen omtrent liefde en seks, dat ons van alle kanten, uitentreuren, wordt opgedrongen. Alleen, een vergelijking van seks met haute couture schept juist veel te hoge verwachtingen. Terecht bekritiseren de opstellers de cultuur die als enige waarde ’spanning & sensatie’ kent. Maar dan zou je toch moeten pleiten voor een prêt-à-porter opvatting van seks. Ofwel: confectieseks.

Of slow sex? In deze krant stond niet lang geleden het manifest ’Het is tijd voor slow sex’. Hoewel op zichzelf sympathiek, was het een omslachtige en nogal hoogdravende, misschien wel elitaire en paternalistische manier om te zeggen dat seks weer iets bijzonders moet worden. Of moet ik zeggen: spannend? Persoonlijk zeg ik: bespaar mij het ’erotisch beschavingsoffensief’ waar het volgens de opstellers tijd voor is.

Het begrip slow sex klinkt modieus, maar het is zo oud als de weg naar Rome. Lucretius hield er al een pleidooi voor: „Gewoonte wekt wederkerige liefde, want alles waarop toch, hoe zacht ook, steeds maar geklopt wordt, dat wordt op den duur overwonnen, gaat wankelen.” En: „Ziet gij niet vaak genoeg ook dat waterdroppels die vallen op rotsen, als zij maar lang genoeg vallen, die rotsen kunnen doorboren!”

De openingszin van Tolstojs ’Anna Karenina’ zegt het kort en krachtig: „Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.” Wie gelukkig wil worden moet dus niets bijzonders doen, maar zich conformeren.

Dat is weliswaar saai, maar ook moeilijk en in die zin een ’uitdaging’ – met excuses voor dit vreselijke woord. De kunst van de verveling vergt oefening en doorzettingsvermogen. Maar de beloning is groot. En gelukzoekers als Stendhal en andere avonturiers en reislustige types ontgaat iets. Volgens alweer De Martelaere: „De stabiliserende, maar ook regeneratieve en uiteindelijk zelfs stimulerende kracht van de verveling.”

Iemand als Blaise Pascal kende die kracht maar al te goed. Hij verkondigde dat „alle ellende van de mensen maar één oorzaak heeft, namelijk dat zij niet in staat zijn rustig in een kamer te blijven. Iemand die voldoende bezit om van te leven, zou niet wegtrekken om de zee op te gaan of een vesting te belegeren als hij de kunst verstond om het thuis naar zijn zin te hebben” (Gedachte 136).

En dan onderschatte Pascal nog onze ongedurigheid en wispelturigheid: zelfs – juist – mensen die voldoende bezitten, trekken eropuit, op zoek naar de door Pascal zo verfoeide verstrooiing.

Wat zou het mooi zijn als we het thuis naar onze zin zouden kunnen hebben. Of heeft De Martelaere gelijk en behoort het met vakantie gaan wezenlijk tot het hebben van een huis? Als je niet met vakantie gaat, kun je ook niet thuiskomen en, erger nog, krijg je geen heimwee.

Wat zou het toch mooi zijn als je thuis zou kunnen blijven en tóch heimwee krijgt. Je zou met vakantie moeten kunnen gaan in je eigen huis. Volgens een Chinees gezegde begint iedere reis met een eerste stap. Reislustige thuisblijvers draaien dit om: iedere stap is een reis. Zó kun je op reis in je eigen huis.

Daarbij zou het boekje ’Heimwee. Hoe ontstaat het en wat kun je eraan doen?’, geschreven door Miranda van Tilburg, behulpzaam kunnen zijn. Je zou enkele van Van Tilburgs ’praktische tips’ kunnen omdraaien. Zij onderscheidt verschillende soorten heimwee, waarvan de hier relevante, ’vakantieheimwee’, voornamelijk veroorzaakt wordt „doordat de dagelijkse routines doorbroken worden”. Haar tip is dan ook om tijdens de vakantie enkele van de dagelijkse routines te blijven volhouden. De thuisblijvende vakantieganger zou juist de dagelijkse routines zoveel mogelijk moeten doorbreken. Als dat een gevoel van vervreemding oplevert, is dat geen enkel probleem, integendeel. Soms kunnen bij heimweelijders, schrijft Van Tilburg, „gevoelens optreden van nutteloosheid: wat doe ik hier?” De thuistoerist moet dat vervreemdende gevoel van nutteloosheid juist koesteren.

In het buitenland verbaas je je vooral bij alledaagse bezigheden als boodschappen doen over de heersende zeden en gewoonten, en de vele soorten Franse kaas. De thuisblijftoerist zou bij zijn eigen vertrouwde supermarkt boodschappen kunnen doen, zónder lijstje, om zich eindelijk eens ongegeneerd te verdiepen in het assortiment, en in wat al die andere mensen kopen. En wat is eigenlijk de dichtstbijzijnde eetgelegenheid? Misschien moet je eens gaan eten bij die snackbar of de Chinees.

Heimweelijders zijn volgens Van Tilburg teruggetrokken en op zichzelf. Ze tonen nauwelijks belangstelling voor de (nieuwe) omgeving, tonen geen initiatief, kunnen eigenlijk alleen maar aan thuis denken en willen alleen daarover praten. Haar tip is om dat zoveel mogelijk te onderdrukken.

De thuisvakantievierder moet dus juist veel over thuis praten en er veel aan denken. Een andere tip van Van Tilburg is om je zoveel mogelijk open te stellen voor nieuwe indrukken. Deze tip dient de thuisblijver niet om te draaien. Je moet inderdaad proberen je over alles te verbazen. Niets is meer gewoon en alles is de moeite van het bestuderen waard. Het gaat erom dat je nieuwsgierig wordt naar je eigen huis en beseft hoe vreemd het eigenlijk is om in een huis – in dit huis – te wonen.

Een reisgids is ook voor de reislustige thuisblijver natuurlijk onontbeerlijk. Aan te raden is Witold Rybczynski’s studie ’Home. A Short History of an Idea’. Daarin gaat het trouwens veelvuldig over Nederlandse woningbouw en wooncultuur – waarom is dit prachtige boek eigenlijk nooit vertaald?

Geschikter misschien nog wel is het pas verschenen ’Huis, tuin en keuken. Wonen in woorden door de eeuwen heen’ – een wonderbaarlijk boek, geschreven door de bouwkundige én taalkundige MaartenJan Hoekstra. Hij beschrijft de geschiedenis van het wonen aan de hand van de woorden die er door de eeuwen heen voor zijn gebruikt, woorden zoals kamer, hal en plafond. Al deze dingen zijn na lezing niet meer wat ze waren. Met stomme verbazing kijk je naar de stoel of bank waarin je zit te lezen.

Heideggerianen zullen aangenaam verrast zijn te lezen dat het woord ’bouwen’ zich ontwikkeld heeft uit het Germaanse buwan, dat aanvankelijk ’zijn’ betekende, later ’op een plek zijn’, ’zich vestigen’ en nog later ’construeren’. Zelf was ik verheugd te ontdekken dat ’wonen’ teruggaat op het West-Germaanse wunae en samenhangt met het Oud-Scandinavische una, wat ’tevreden zijn’ betekent en waarbij ook ’wennen’ hoort.

Vakantie is inderdaad ’ontwennen’ – om je vervolgens, na thuiskomst, weer met frisse moed over te kunnen geven aan de oude routines. Volmaakt tevreden vind je gedachteloos en blindelings weer de weg door je huis. De heimwee, het verlangen naar sleur is helemaal bevredigd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden