Review

Leve de polder!

Nederland moet afscheid nemen van zijn geliefde polderdemocratie, liet Hirsi Ali vanuit Washington weten. Ze is de enige niet. Het overleg in de achterkamer roept telkens weer verzet op. Tijd voor échte democratie. Maar juist in twee recente boeken wordt betoogd dat we deze nieuwe politiek kunnen missen als kiespijn.

Het lijkt zo simpel. Democratie is kiezers en verkiezingen ’meer beslissend maken’. Nog simpeler gezegd: democratie is er voor zorgen dat een regering na verkiezingen terstond met een stevig mandaat aan de slag kan. Gewoon doen wat het volk wil en niet eerst eindeloos gaan zitten palaveren. Kom op Balkenende, Bos en Rouvoet, waar is jullie democratisch benul gebleven? De één beloofde voortzetting van het beleid. De ander een totaal ander beleid. En de derde een christelijk beleid. En zie, na zes weekjes frisse lucht in de bossen tekenen ze voor geen van drieën. Is dat nou democratie?

Ja, dat is democratie. Sterker nog, je zou deze vorm van democratie zelfs superieur kunnen noemen, heel wat beter in ieder geval dan democratieën waarin regeringen na verkiezingen wel terstond en daadkrachtig aan de slag gaan. Maar het is geen eenvoudige opgave om dat aan te tonen, zo blijkt wel uit twee studies die elk op hun manier munitie aandragen voor dit weerbarstige onderwerp.

Het probleem is dat onze consensusdemocratie haar superioriteit moet bewijzen boven Angelsaksische democratieën die met hun vertoon van daadkracht, hun zogenaamde ’doen wat de kiezer wil’ erg aanlokkelijk zijn. Deze democratieën kenmerken zich door een districtenstelsel, waarin meestal maar twee partijen kunnen overleven. In zo’n stelsel wint er altijd maar één, die dus haar beleid meteen in daden kan omzetten. Zie Engeland. Zie ook de Verenigde Staten, waar kiezers bovendien nog rechtstreeks de president kunnen kiezen.

Hoe aantrekkelijk zulke democratieën ogen bewees dezer dagen Ayaan Hirsi Ali. Vanuit Washington schreef zij in het nieuwe weekblad Opinio: ,, De representatieve democratie zoals Nederland die kent, is gebaseerd op een model waarbij de diverse levensbeschouwelijke bevolkingsgroepen elk hun eigen volksvertegenwoordigers hebben. Nu de dominante rol van die levensbeschouwingen is weggevallen, is er een kloof tussen de politieke en maatschappelijke werkelijkheid ontstaan. () Ik bepleit daarom een districtenstelsel, dat garant staat voor een nauwe band tussen kiezer en gekozene, en dat tot een heilzame herschikking van het politieke landschap zal leiden. Het tweepartijenstelsel dat het gevolg zal zijn, leidt tot een krachtige overheid en een krachtige oppositie. En als Nederland iets nodig heeft, dan is het een regering die de problemen van de multiculturele samenleving voortvarend kan aanpakken.”

En zoals Hirsi Ali redeneert, redeneren er inmiddels velen. Trekken van de Angelsaksische kiezersdemocratie- of penduledemocratie zie je vaak opduiken in allerlei hervormingsmodellen. De politieke hervormingspartij D66 zit al decennialang op dat spoor. Pim Fortuyn was een groot voorstander van burgergestuurde kiezersdemocratie én van krachtige gekozen bestuurders.

In de turbulente jaren na zijn dood wordt deze lijn voortgezet door zijn politieke erven, maar ook door politici als Wouter Bos en Jozias van Aartsen. Kiezers en verkiezingen ’meer beslissend maken’ presenteren zij als het antwoord op de burgerrevolte van 2002.

De argumenten voor zo’n nieuwe democratie zijn vaak zo hartstochtelijk dat je je afvraagt: waarom komt het er dan nooit van? Ook van het nieuwe kabinet valt op dit punt weinig te verwachten, ondanks het enthousiasme van Wouter Bos. Angst voor verandering. Angst voor gevestigde posities, luidt meestal de reactie.

Dat is jammer, want zodoende zijn we geneigd onze bestaande democratie te beschouwen als een tot op de draad versleten oude jas. Daarmee doen we onszelf schromelijk tekort, vindt Frank Hendriks, hoogleraar Vergelijkende bestuurskunde aan de Universiteit van Tilburg. Onze consensusdemocratie heeft zo zijn nadelen, maar de zwaktes van een Angelsaksisch systeem liegen er ook niet om, zet hij uiteen in een glasheldere, vergelijkende studie. Wat te denken van de fixatie die zulke systemen kenmerkt? De oversimplificatie, het eenzijdige bestuur, de ongevoeligheid voor minderheden, de electorale vertekening, het zigzag bestuur en de neiging om bij bestaande oplossingen het kind met het badwater weg te werpen?

Het zijn niet de geringste bezwaren. Temeer als we bedenken dat Angelsaksische democratieën zelden representatief zijn. De winnaar kan vaak op niet meer steun rekenen dan dertig procent van de bevolking. En anders dan in onze consensusdemocratie worden verliezers, en daarmee grote minderheidsgroepen, systematisch buitengesloten.

Niet verbazingwekkend daarom dat het vertrouwen in de politiek in Angelsaksische landen meestal veel lager is dan bij ons. De opkomst bij verkiezingen is bovendien laag, in Amerika vaak niet meer dan veertig procent. Vergelijk dat eens met de sterke kanten van de consensusdemocratie. Met haar beheerste integratie en samenwerking, haar proportionele representativiteit, haar draagvlak in beleidsnetwerken, gekanaliseerde pluriformiteit, bestuurlijke expertise, pacificatie en accommodatie, integrale beleidsprogramma’s en zorgzaamheid.

Dat zijn sterke punten, waartegen de nadelen zoals stroperigheid, paternalisme, de neiging om alles met alles te verknopen en inderdaad, ook de onvermijdelijke kartel- en achterkamerpolitiek niet echt opwegen.

Nauwelijks verbazingwekkend daarom dat Hendriks tot de conclusie komt dat het Nederlandse standaardrecept van democratische hervorming, de grote schoonmaak, de extreme make-over, gebukt gaat onder kortzichtigheid en bijziendheid. Democratische vernieuwers zouden meer oog moeten hebben voor de kracht van onze democratie.

Het enige nadeel van Hendriks’ pleidooi lijkt mij dat het zo weinig heroïsch klinkt. Een oproep tot daadkracht klinkt nu eenmaal beter. Alleen daarom al is het goed om zijn pleidooi te zien in het licht van de bundel opstellen van de socioloog Kees Schuyt. In één daarvan beschrijft hij hoe een vertoon van daadkracht meestal hand in hand gaat met het mobiliseren van sterke wij-zij gevoelens. Gevolg daarvan is dat de ’zij’s’ systematisch worden buitengesloten. Die wij-gevoelens worden vaak weer gemobiliseerd vanuit het idee dat gemeenschappelijke waarden de maatschappij voor uiteenvallen moeten behoeden.

Dat nu is volgens Schuyt een misverstand. Hoe paradoxaal het ook klinkt, er kan in een samenleving ook te veel sociale cohesie bestaan. Dan ontstaat er een schier onontkoombaar wij-gevoel, en iedereen die daarbuiten valt wordt beschouwd en behandeld als vijandig.

Maar met die ’vijand’ delen we nu eenmaal een gemeenschappelijke ruimte. Al zijn we het niet eens met elkaar, al bestrijden we elkaars opvattingen, met elkaar zorgen we ervoor dat het niet uit de hand loopt. Zo worden conflicten aan de rechter voorgelegd, bestrijden wetenschappers elkaar in de ruimte van de academische vrijheid en erkent men elkaars godsdienst vanuit een besef van religieuze tolerantie. Schuyt noemt deze praktijken de steunberen van onze samenleving, die net als bij een kathedraal voor de nodige tegendruk zorgen om de boel bij elkaar te houden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden