Leve de alledaagse rommel

Het thema van de zojuist begonnen Maand van de Filosofie is de stad. Filosoof en buitenwijkbewoner Pieter Hoexum buigt zich over de ideeën van Thomas More. Zijn ’Utopia’ lijkt erg veel op onze moderne vinexwijken. „Als er iets hedendaags klinkt aan More’s Utopia, dan is het wel de strenge soberheid, die geen gebruikers verdraagt – die maken er toch maar een potje van.”

Hoe de ideale stad eruitziet weten we allang. Piero della Francesca heeft ons dat voorgespiegeld in het aan hem toegeschreven schilderij dat de bijnaam kreeg ’De ideale stad’ (rond 1470).

Mij viel meteen op dat er op dit schilderij geen levende ziel te bekennen is. Della Francesca meent blijkbaar, net als tegenwoordige fotografen, die nieuwbouw bij voorkeur fotograferen zónder mensen, dat bewoners of gebruikers het beeld zouden verstoren. Er is geen enkel teken van leven te bespeuren in deze ’ideale stad’.

De Poolse dichteres Wislawa Szymborska constateerde iets dergelijks bij Thomas More’s utopische visioen van de ideale samenleving, dat More iets minder dan een halve eeuw (1516) na het schilderij van Della Francesca optekende. Utopia is volgens Szymborska in haar gelijknamige gedicht een onbewoond eiland, sterker nog: een onbewoonbaar eiland. Er zijn wel sporen te vinden, „vage voetsporen die je op de kusten ziet”, maar die wijzen zonder uitzondering in de richting van de zee. „Alsof men hiervandaan alleen vertrekt.”

In het boek(je) dat hem beroemd zou maken, schreef More zogenaamd een verslag van enkele gesprekken met een wereldreiziger; in werkelijkheid was het allemaal door More verzonnen. In het eerste deel grijpt hij de gelegenheid aan om, bij monde van de reiziger, scherpe kritiek te leveren op de sociale en politieke toestand van zijn tijd en in het tweede deel doet de reiziger verslag van zijn bezoek aan het spiegelbeeld daarvan: Utopia, ’de ideale samenleving’.

Er valt behoorlijk wat op More’s visioen af te dingen, en dat is dan ook veel gedaan. Meestal terecht. De filosoof Hans Achterhuis heeft More’s Utopia zelfs aangemerkt als het gevaarlijkste boek uit de geschiedenis van de filosofie. Als het gaat om ’gevaarlijke filosofische boeken’, gaan mijn eigen gedachten eerder uit naar het werk van geheel andere auteurs. Zoals Machiavelli, Friedrich Nietzsche, Georges Bataille of Carl Schmitt – filosofen die geweld lijken te verheerlijken, of op z’n minst te mystificeren. Maar Achterhuis wijst op de onderkoelde manier waarop More over het toepassen van geweld schrijft. Juist dat deed hem huiveren.

More schrijft inderdaad bijna achteloos over geweld: als een noodzakelijk kwaad, een vuil karweitje dat nu eenmaal opgeknapt moet worden, liefst snel en efficiënt. Zo worden de leden van het volk der Zapoleten door de Utopiërs gretig gebruikt als huursoldaat, ook al beschouwen ze hen als een ’ruw en onbeschaafd’ volk, zelfs als een ’weerzinwekkend misdadigersvolk’ waarvan ze „de aarde graag volledig zuiveren”.

Nu schijnt More een bijzonder zachtmoedige, aardige man te zijn geweest. In haar nawoord schrijft de Nederlandse vertaalster van ’Utopia’, Marie van der Zeyde, dat Thomas More een huiselijk man was en dat ’huisvader te zijn’ een belangrijk deel van zijn leven in beslag nam. Dat uitgerekend een ’huisvader’ en kalme levensgenieter propaganda maakt voor een kille, unheimliche samenleving is pijnlijk, hoewel More wat dit betreft niet de eerste was en zeker niet de laatste zou blijken te zijn. ’Huiselijk geluk’ is in mijn optiek een pleonasme, terwijl More’s ideale samenleving allesbehalve huiselijk is. Dat lijkt me haar voornaamste gebrek.

Minder in het oog springend, maar minstens zo schokkend voor de hedendaagse lezer is de woning- en stedenbouw op Utopia. More wijdt er een apart paragraafje aan: ’Wijze van bebouwing’.

Zijn beschrijving begint volkomen onschuldig. „De straten zijn zo geprojecteerd dat er genoeg ruimte is voor rijverkeer, en tevens beschutting tegen de wind. De huizen, royaal gebouwd, staan in een lange, over de hele lengte van de straat niet onderbroken rij met het front naar de huizen aan de overkant gekeerd; tussen de voorgevels van beide kanten ligt dan een straat van tien meter breed. Langs de achterkant van de huizen loopt een breed stuk tuin, eveneens ter lengte van de straat, en rondom door de achterzijde van de straten ingesloten.”

More merkt nog op dat alle huizen zoiets hebben als wat wij een ’achterom’ zouden noemen, en vervolgt dan: „De grote openslaande deuren gaan bovendien met een enkele handgreep open (ze sluiten zichzelf), zodat iedereen er ongehinderd binnen kan komen.”

Dat laatste klinkt al minder onschuldig, en met de verklaring die More ervoor geeft, komt de aap uit de mouw: „Er is immers toch nergens iets privé-eigendom.” Hij voegt hier nog aan toe: „Ook de huizen zelf worden eens in de tien jaar geruild, en dat gaat dan volgens het lot.”

Het komt hierop neer. Om te voorkomen dat mensen hun huis als hun eigendom beschouwen – ik zou zeggen: om te voorkomen dat mensen zich werkelijk thuis voelen – moeten ze elke tien jaar verhuizen, naar een huis dat door het lot wordt aangewezen.

Persoonlijk zie ik helemaal niet op tegen een verhuizing. Ik ben de laatste jaren regelmatig verhuisd en ik ben eraan gewend, in zekere zin zelfs gehecht geraakt. Maar het lijkt mij net zo bizar als wreed om iedereen aan het door More beschreven verhuisregime te onderwerpen.

In de ogen van een revolutionaire geest als More is privébezit zo ongeveer de bron van alle kwaad. Als het gaat om huizenbezit is het tegendeel het geval. Dat is minder reactionair dan het op eerste gehoor misschien klinkt. Zie het interview met GroenLinksleider Femke Halsema in Eigen Huis Magazine, het lijfblad van huiseigenaren. Halsema meent dat een eigen woning voor mensen van groot belang is. „Het is een dierbaar bezit, mensen investeren méér in een eigen woning en dat draagt bij aan de leefbaarheid van steden en dorpen. Omdat er liefde in zit. Zowel in het huis als in de tuin. En het maakt de mensen vrij, een eigen huis geeft de mensen het gevoel van vrijheid.”

More’s beschrijving van de woningbouw op Utopia zou die van een willekeurige Nederlandse laat twintigste-eeuwse nieuwbouwwijk kunnen zijn – al zal beschutting tegen de wind hier altijd wel een illusie blijven.

Deze ’vinexwijken’, zoals trouwens alle buitenwijken, worden fel bekritiseerd. Ze zijn vlees noch vis. De liefhebber van de (grote) stad vindt ze te weinig stedelijk en de liefhebber van het platteland veroordeelt ze als te stedelijk.

Als buitenwijkbewoner herken ik sommige kritiek, maar ik zie ook dat die te veel vanuit de hoogte geleverd wordt. Op straatniveau valt het namelijk allemaal nogal mee.

De grootschalige, op vinexlocaties geplande buitenwijken lijken geïnspireerd op het idee van de tuinsteden, het utopische visioen van Ebenezer Howard. In zijn boek ’To-morrow: a peacefull path to real reform’ uit 1898 (later uitgegeven onder de titel ’Garden cities of to-morrow’) bood Howard een alternatief voor de onleefbare sloppenwijken die in de negentiende eeuw waren ontstaan. Als gevolg van de industrialisatie was er een stroom plattelandsbewoners naar de stad gekomen, zonder dat er aan huisvesting iets gedaan werd. Howard wilde hun een leefbaar onderkomen bieden, iets tussen platteland en stad in: de tuinstad.

Dat klinkt als een ideaal waartegen weinig in te brengen is, maar de filosoof Jozef Keulartz formuleert er fundamentele kritiek op. Dat doet hij in het dertiende, aan het thema utopie gewijde Jaarboek van het Nederlandse Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod). Keulartz erkent de goede bedoelingen van Howard en latere ’tuinstadbouwers’, maar hij wijst feilloos op de ongewenste bijwerkingen. Bedoeld als een oord waar arbeiders zichzelf zouden kunnen zijn en zich vrij zouden kunnen ontwikkelen, werd de tuinstad juist een instrument om ze te beheersen en in de pas te laten lopen.

Keulartz wijst zelfs op de overeenkomst tussen de tuinstad en het panopticum van de Engelse filosoof Jeremy Bentham. Bentham wilde eind achttiende eeuw een alternatief bieden voor de overbevolkte gevangenissen. Hij ontwierp een soort koepelgevangenis waar je niet zozeer werd opgesloten, maar werd heropgevoed. De Franse filosoof Michel Foucault wees op de schaduwkanten van deze ’utopische gevangenis’. Keulartz past die kritiek nu toe op de tuinstad: „De Tuinstad kan worden beschouwd als de bevolkingspolitieke pendant van het op individuele disciplinering gerichte Panopticum. De overeenkomst tussen beide is frappant; hun grondstructuren – de cirkelvorm, de centrale plaats, de radiale zichtbaarheid – zijn nagenoeg identiek. Ook de tuinstad verschaft ruim baan aan de ’terreur van het publieke oog’.”

Deze kritiek geldt vooral de vroege Nederlandse tuinsteden, en gaat wellicht minder op voor de hedendaagse buitenwijken. Hoewel, die liggen dan weer bezaaid met verkeersdrempels om de automobilisten in toom te houden; de manier van bouwen is nog steeds minder onschuldig dan ze lijkt. Er sluipt nog steeds een flinke dosis ideologie in het ontwerp, hoewel niet meer zo dwingend.

In het genoemde jaarboek van het Niod staat ook een bijdrage met een in dit verband treffende ondertitel. De hoofdtitel luidt: ’Utopia in suburbia’ en de ondertitel: ’Bouwen voor de mensheid versus bouwen voor de mens’. De gemiddelde (buiten)wijk lijkt nog steeds gebouwd te worden voor de mensheid en niet voor mensen van vlees en bloed.

Het idee tuinstad en Howards concrete ontwerpen zouden grote invloed uitoefenen op de stedenbouw, ook hier. Begin twintigste eeuw werden in Nederland bij veel grote steden ’tuindorpen’ gebouwd, bijvoorbeeld in Amsterdam-Noord. Vervolgens zetten de stedenbouwers van het Nieuwe Bouwen, zoals Le Corbusier, zich hier weer tegen af. Zij zagen meer heil in futuristische hoogbouw, keken neer op het toen al ’nostalgische’ idee van tuinstad. Na het mislukken van grote stedebouwkundige projecten als de Bijlmer, kwam dit oude ideaal weer in beeld. Mij lijkt het verstandig om dit met de nodige argwaan te bekijken. Het zou wel eens kunnen neerkomen op het inruilen van de ene utopie voor de andere.

De huizen van Utopia staan keurig in het gelid. Maar het modernisme van Thomas More gaat geloof ik veel verder dan het toepassen van een rooilijn. Als er iets hedendaags klinkt aan More’s Utopia, dan is het wel dat zijn pleidooi voor soberheid, de strenge soberheid van ongenaakbare, steriele architectuur, geen gebruikers verdraagt – die maken er toch maar een potje van. Alles lijkt eraan gedaan te worden de inwoners zich nooit thuis te laten voelen. Burgerlijkheid en gezapigheid – de grootste zonden voor utopisten en modernisten – liggen op de loer.

Het ontbreekt in Utopia aan comfort, gemak. Om het eens typisch Nederlands te zeggen: Utopia lijkt mij nogal ongezellig. Tegenover het schilderij van Della Francesca van de ideale stad, zet ik een schilderij van Reinier Lucassen: ’Een gezellig hoekje’ (1968).

Ik meende dat ’gezellig’ een typisch Nederlands begrip was, dat het misschien wel het Nederlandse begrip bij uitstek was. Dat valt te betwijfelen, zoals alle gefilosofeer over volksaard. Maar in dit geval bleek het domweg onjuist: het ’gezellige hoekje’ is niet typisch Nederlands, in elk geval niet oorspronkelijk Nederlands, maar overgenomen uit Engeland. Dat las ik althans in een artikel van Ileen Montijn over een trend in de Nederlandse woninginrichting die aan het einde van de negentiende eeuw kwam overwaaien uit Engeland, de zogenaamde ’atelierstijl’, met de typische cozy corner.

Montijn citeert Couperus’ beschrijving van de slaapkamer en het boudoir van Eline Vere: „bont en vol, terwijl een gewilde wanorde hier en daar natuurlijke stillevens vormde”. Later zou het sobere modernisme zich tegen dergelijke ’stillevens’ afzetten, maar ook destijds al was er het besef dat het niet te gek moest worden. Een hele kamer vol prullaria was niet de bedoeling. Je diende je te beperken tot een atelierachtig, artistiekerig mooi hoekje.

Dit ’gezellige hoekje’ is ondanks verwoede pogingen van de modernisten, nooit helemaal verloren gegaan. Eind vorige eeuw maakte het een heuse comeback. Montijn: „De laatste jaren staat het vaak tegen het huis in de voortuin: een oud tafeltje met twee Franse klapstoeltjes, een zinken teil, een bezem, wat pompoenen* een natuurlijk stilleven, om met Couperus te spreken.”

Wellicht kijkt u neer op al die prullaria in die voortuintjes, maar stelt u zich eens een wijk of straat voor zonder al die ’verrommeling’. Dan wordt het een Utopia zoals More dat geschetst heeft, een onherbergzaam oord. Juist de steriele, ongenaakbare perfectie maakt Utopia onleefbaar. Utopia is, in het eerder aangehaalde gedicht van Szymborska, ’het eiland waar alles wordt opgehelderd’, waar de struiken doorbuigen van alle antwoorden en waar ’de boom van het Juiste Vermoeden’ groeit, met ’eeuwig ontwarde takken’. „Rijzen er twijfels, dan verjaagt de wind ze.” Maar mét de twijfels, worden ook de bewoners verjaagd. Zij zinken onder ’in een leven dat niet te doorgronden is’ – dat hadden ze blijkbaar liever dan de absolute, maar ondraaglijke zekerheid van Utopia.

De ideale stad is net zo’n paradox als ’De architectuur van het geluk’, zoals de titel luidt van een recent boek van Alain de Botton. Zijn slotsom daarin luidt: „De plekken die we mooi noemen zijn het werk van die zeldzame architecten die nederig genoeg zijn om zich naar behoren in hun verlangens te verdiepen en vasthoudend genoeg om hun vluchtige inzicht en vreugde om te zetten in een logisch ontwerp – een combinatie die hen in staat stelt omgevingen te scheppen waardoor behoeften bevredigd worden waar we ons niet eens van bewust waren.”

Maar het probleem is volgens mij niet, zoals De Botton lijkt te geloven, dat het architecten ontbreekt aan psychologisch of filosofisch, of wat dan ook voor inzicht. Het probleem is dat er geen recept bestaat voor geslaagde architectuur, omdat er geen recept voor geluk bestaat. En iedere krampachtige poging het toch te realiseren, loopt uit op het tegendeel. De ’architectuur van het geluk’ maakt de bewoners ongelukkig.

Betere planning zal nooit de oplossing leveren. Je zou ermee kunnen beginnen stedenbouwkundigen en architecten te beschouwen als leveranciers van onvoltooide kunstwerken. Of liever: nog te voltooien kunstwerken. Ze leveren als het ware halffabrikaten en zijn wat dat betreft te vergelijken met toneelschrijvers en componisten. Zoals een acteur of muzikant zich het materiaal helemaal moet toe-eigenen om het goed uit te kunnen voeren, zo moet een gebruiker van bouwkunst dat ook. In plaats van betere plannen te bedenken, zou het interessanter zijn empirisch onderzoek te doen: ga eens op safari in een buitenwijk, nieuwbouwwijk, stadsuitbreiding, vinexlocaties, of hoe je het ook noemt. Daar kun je zien hoe de bewoners zich de buurt eigen maken.

In termen van de Franse socioloog en filosoof Michel de Certeau: probeer niet steeds betere strategieën te bedenken, maar besteed meer aandacht aan de tactiek. In oorlogsvoering verhoudt strategie zich tot tactiek, zoals een zorgvuldig, vanuit een hoofdkwartier geplande invasie zich verhoudt tot de geïmproviseerde manoeuvres van een guerrillabeweging: onvoorspelbaar in ruimte en tijd. Of als een groots opgezette drijfjacht tot een stiekeme, nachtelijke strooptocht. De associatie van tactiek met iets clandestiens is bijna onvermijdelijk en dat is ook precies wat De Certeau bedoelt. Een strategie is de manier waarop de gevestigde orde zich handhaaft, terwijl tactiek slaat op de manier van omgaan met die macht in de praktijk van alledag, waarbij regels worden opgerekt of omgebogen of zelfs tegen zichzelf gekeerd.

De Certeau beschrijft ergens een wandeling door Manhattan, die begint met een bezoek aan het World Trade Center (de Twin Towers, vernietigd op 11 september 2001). Vanaf de 110de verdieping ziet hij de stad aan zijn voeten liggen en ervaart de macht die bij een dergelijk perspectief hoort. Het is de blik van een alziende, almachtige God. En hij ziet dat het goed is. De stad wordt op deze hoogte eindelijk overzichtelijk. Vanuit dit gezichtspunt lijkt New York de ’ideale stad’. Dan daalt hij af en begint door de straten te zwerven, en merkt dat die ’goddelijke blik’, een illusie was. Hij treft een ’alledaagse chaos’ aan, waarin iedereen zo’n beetje z’n eigen gang gaat. De strategie die, van bovenaf gezien, de hele stad leek te beheersen, valt uiteen in talloze ’tactische manoeuvres’.

Het uitstallen van prullaria in voortuintjes, de hekjes, de bouwsels, kortom de ’verrommeling’ van de buitenwijk is een tactiek van de bewoners om van hun huis een thuis te maken. Als je in termen van geluk over bouwkunst wilt praten, dan is een fraai aforisme van Kierkegaard geloof ik beter van toepassing:

„Helaas, de deur van het geluk gaat niet naar binnen open, zodat men er op los kan stormen en hem openbeuken; hij gaat naar buiten open en dus is er niets wat je eraan kunt doen.”

Ondertussen ligt er voor architecten en stedebouwkundigen een schone taak: zo comfortabel mogelijk huizen en steden bouwen, wachtkamers voor gelukzoekers. De bewoners kunnen het zich vervolgens maar beter zo aangenaam mogelijk maken. Zij creëren voor zichzelf een gezellig hoekje. Ze eigenen zich de ruimte zodanig toe dat dat grote geluk ze eigenlijk niets meer kan schelen.

Pieter Hoexum is filosoof. Dit is de (bewerkte) tekst van de lezing die hij gisteren hield tijdens de Nacht van de Filosofie in Felix Meritis te Amsterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden