Let mi takki you 1 ding

Jongeren - hier in Amsterdam-Oost - hebben een eigen taal ontwikkeld, waar dichters van nu graag uit putten. (FOTO SOPHIE VAN SCHOUWEN, TROUW )Beeld sophie van schouwen

Elitair, ingetogen: poëzie geldt nog vaak als een deftig genre. Verzet tegen dat brave imago klonk al vaker, maar nu dichters als Ramsey Nasr en Ilja Leonard Pfeiffer ruig rappersidioom tot poëzie

Al een paar jaar lang is in het heilige der heilige van de Nederlandse literatuur, de poëzie, een drastische omwenteling gaande. Een verandering van taal, van dichterlijke etiquette misschien wel. En taal, dat is nu eenmaal de belangrijkste troef in de poëzie. Wie in de discussie ’vorm of vent’ partij moet kiezen, zal als het om gedichten gaat meestal voor de ’vorm’ kiezen, de taal, de stijl: het gaat niet om wát er gezegd wordt maar hóe het gezegd wordt. Zo is het in elk geval sinds de Romantiek.

Even recapituleren. De Tachtigers en de symbolisten stelden rond de voorlaatste eeuwwisseling tegenover het moralistische getut van hun voorgangers een heel stelsel van verfijnd, hooggestemd taalgebruik, bedoeld om de schoonheid en diepgang der dingen uit te drukken. Maar na een tijdje was de magie daarvan wel uitgewerkt. Paul Rodenko constateert in zijn baanbrekende bloemlezing ’Nieuwe griffels schone leien’ dat ’een steeds kleiner kring van elite-woorden (zwaan, onyx, princes, azuur, enz) een steeds bloedelozer inteeltbestaan gaat leiden’.

Dan volgen er dichters die weer terugkeren naar het gewonere Nederlands, zoals Nijhoff en Du Perron, en anderen die nieuwe taalbronnen voor de poëzie aanboren, bijvoorbeeld Gerrit Achterberg, die de taal in zijn gedichten uit wiskundeboeken, technische verhandelingen, krantenberichten lijkt te hebben gehaald: „die nacht stonden machines in het donker. / Woorden werkten nooit ontgonnen taal / en beelden werkten magistraal / op uit het suizelend ontvonken / van heel het neergelegde materiaal / der ziel, alles wat ging verloren.”

Maar ook die simpele, zakelijke retorica hield het niet eeuwig vol. De Vijftigers gooiden na de Tweede Wereldoorlog de boel overhoop met hun volstrekt nieuwe, van surrealisme en neologismen doordrenkte taalgebruik: „mijn duiveglans mijn glansende adder van glas / Mijn viervoetoge narennen mijn kneedbaar / Smeltpunt op de pupillen ruworige / Heester onder mijn handpalm deze / Deze stem is van stamelen een lichaam.”

Waarna de realisten het roer weer overnamen: psychologisch realisten als Rutger Kopland en Judith Herzberg met alledaagse emoties in gewone mensentaal vervat, en de jongens van Barbarber en Gard Sivik met verrassend alledaagse observaties in eveneens alledaagse spreektaal. Gedichten met zinnen als „Ken je het verlangen naar een sigaret, / naar die gelukkige tijd dat je nog rookte?” of „Poëzie, waar heb ik het woord voor het eerst gehoord? / Waarschijnlijk op school.”

Als je de Nederlandse poëzietaal beschouwt als zo’n golfslagbad van afwisselend hooggestemd en simpel taalgebruik is het de laatste jaren, ongeveer sinds het eind van de jaren tachtig, tijd voor een nieuwe retoriek, die een steeds opvallender galm aanneemt. Ik doel dan vooral op de dichterlijke emancipatie van de straattaal.

Begonnen is het denk ik met de Maximalen, in het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Zij vroegen om meer straatlaweit in de dichtkunst en voegden ook de daad bij het woord door ’de muze de straat op te jagen’ zoals het in hun bloemlezing ’Maximaal’ heet. Daarin lees je teksten als ’Kom toch terug; stomme klootzak’ (Tom Lanoye) of ’Maar poëzie is taal is geil en wil er altijd zijn’ (Joost Zwagerman).

Maar ook andere dichters van die generatie omhelzen de taal zoals die door de gewone man wordt gebezigd. Arjen Duinker, bijna naïef, weigert nog de traditionele dichterlijke saus te gooien over zijn verbazing, in dit gedicht uit zijn debuutbundel ’Rode oever’:

wat is dit een mooi land!

natuur! vertier!

water! bloemen en planten en dieren!

wat een mooi land! zee, bergen, heuvels!

marmotten! kleine hutten waar je kaas

kan eten!

musea! kerken! klederdrachten! hotels

alles is er!

wat een land! casino’s! straten! bramen!

sinaasappels!

oooooh!

En Tonnus Oosterhoff, taaltovenaar van onze tijd, prevelt in het gedicht ’Meneer met Pinksteren’: ’Domme kuthoer! Ja! Domme kuthoer ja’. Verder kom je bij hem typisch Groningse uitdrukkingen tegen, zoals het tussenwerpsel ’ja’ in de zin ’De geschiedenis is ja nog niet begonnen’, of noteert hij de ingeslikte ’e’ in het noordelijke accent: „De voorzitter van een club, met dik bloed om de kop, en zijn / vrouw zwijng.” En natuurlijk moeten Jules Deelder en Bart Chabot hier genoemd worden, die de poëzie de afgelopen decennia buiten haar gebruikelijke grenzen tot in het cabareteske oprekten. Wat bij deze dichters vaak een soort ironisch naturalisme lijkt, bedoeld om het kleurrijk gewone van alledaagse taal in het zonnetje te zetten, ontwikkelt zich allengs tot een nieuw poëtische idioom: Straattaal wordt dichterlijke taal!

Kijk maar naar wat de Dichter des Vaderlands, Ramsey Nasr, ons onlangs voorschotelde in ’Mi have a droom’: „wullah, poetry poet, let mi takki you 1 ding: di trobbi hier is dit? ben van me eigen now zo 66 jari & skerieus ben geen racist, aber? alle josti op een stokki, uptodate, wats deze shit?” Onmiskenbaar een poging om het slang van rappers, multiculti jongeren en ander streetwise volk tot poëzie te promoveren. En ook duidelijk een signaal dat het in de nog altijd als tamelijk elitair te boek staande kunst weer eens met de nette meneren- en mevrouwentaal is afgelopen.

Nasr is nog een fatsoenlijke jongen vergeleken met Ilja Leonard Pfeijffer, die zich ook inspande om Dichter des Vaderlands te worden, waarschijnlijk vooral om vervolgens de burgers te schokken, ’épater le bourgeois’, in de traditie van de achttiende-eeuwse libertijnen. Want zijn poëzie gaat ruimschoots over de schreef als het gaat om schoonheid en beschaving. Een willekeurige greep uit zijn cyclus ’Touwen’, bijgenaamd ’een baggersonnettenkrans’:

Snollen met snotterend smegma dat

druipt uit d’r gleuven.

Alle gehoerte als kipsaté pront op een

stokje,

nou breekt m’n schoeisel het schompers

met pindasaus, wok me

wokkeltje als het niet waar is. Met

lekkende sleuven

alle addergebroed bloedend in Zeist

op een rijtje.

Geen poëzie om mee bij je schoonmoeder langs te gaan, maar je kunt met een beetje goede wil nog beweren dat Nasr en Pfeijffer voorheen ongebruikte hoeken en nissen van de taal exploiteren om te zien wat het aan poëzie oplevert. Het is in zekere zin een waardevrije, autonome onderneming, in de trant van de Vijftigers die de taal omploegden maar niet de maatschappij.

Onlangs verscheen een bundel die met hetzelfde materiaal een ander oogmerk lijkt te hebben, ’Gemraad Slasser d.d.t.’ van Robert Anker.

Ook een bundel vol agressie, populisme, seks en straattaal, maar dat alles met een onmiskenbare ondertoon, dunkt me. De onrustige, opgefokte maatschappij van Gemraad davert zo op het eerste gezicht lekker bruut en gewetenloos langs. Anker, in de vorm van zijn gabber-alter ego zeg maar, lijkt ten volle te genieten van het platvloerse, ongezeglijke:

Met maisgele tanige genitaliën

welwillende

het malse schunnige buurtkind

liep een beetje in de openbare ruimte

te kutten en te fucken.

Of het nu over seks gaat, de beurswereld, hangjongeren of het leven op het platteland, deze wereld is even onbehouwen als hedonistisch. ’Wij doen het met een verken glijmt de boer’ in Ankers hedendaagse ’Georgica’.

Dit zou allemaal bij te boeken zijn als weer een gulle duik in de hedendaagse neergang, ware het niet dat naast het taalfeest dat het oplevert ook ongemerkt een moreel standpunt lijkt te worden ingenomen. Waar Pfeijffer lekker dampt en om zich heen slaat, voel je bij Anker tussen de regels door verbazing, sterker nog, iets van afkeuring over de door hem gepresenteerde of misschien wel geacteerde wereld. Overal doet en bevredigt men zijn behoefte maar: „gemraad nooit een roezer maar een breker / neukte kindje twaalf in een bunker / jeugdpsychose? Gek!” Je denkt niet meer aan lekker ongecensureerde perverseriën in een bandeloze utopie maar aan de psychiater Dalrymple met zijn kritiek op de softe therapeuten, aan de neergang van de moraal, aan de verruwing van de maatschappij, aan de PVV, aan weet ik wat.

Het gebruik van straattaal is hier dus niet zomaar een hedendaags naturalistisch foefje maar lijkt ook een visie uit te drukken. Zoals zeg maar Koot en Bie de oudere jongere of de reactionaire leraar te kijk zetten door naadloos in hun huid te kruipen.

En daarmee is misschien wel een nieuwe fase in de moderne straattaalretoriek aangebroken, van bezinning op de verworven ultravrijheden. Op de omslag van Ankers bundel staat: „Het kan niet anders of deze in taal en thematiek geheel nieuwe Anker zal onrust opwekken. Onrust en onbehagen.” Een waarschuwing dus tegen de geile en ongelikte wereld die we met ons populisme zo gul hebben omarmd. Ik zou er niet van staan te kijken als de dichtkunst binnen afzienbare tijd weer terugstroomt in een meer ingetogen, fatsoenlijke en elitaire bedding.

Jongeren - hier in Amsterdam-Oost - hebben een eigen taal ontwikkeld, waar dichters van nu graag uit putten. (Trouw)Beeld sophie van schouwen
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden