Review

Lessen in kijken naar architectuur

Ton Verstegen: Rudy Uytenhaak, architect. Met foto's van René de Wit. 010, Rotterdam in samenwerking met het Nederlands Architectuurinstituut; rijk geïllustreerd, 144 blz. - ¿ 65.

Bij het opzetten van de serie is gekozen voor één standaard vormgeving. Alle delen zijn daardoor wat uiterlijk en indeling betreft identiek. Daarnaast werd besloten om louter met zwart-wit fotografie te werken. Al voor aanvang kreeg de monografie-reeks daardoor een corset aangemeten. Het geeft duidelijkheid, maar het knelt soms ook. Zo ontbreekt Aldo van Eyck in de serie, de grand homme van de Nederlandse architectuur. Kleur is bij hem van zo'n wezenlijk belang, dat hij simpelweg weigerde om alleen met zwart-wit fotografie te werken.

Wel vertegenwoordigd zijn op alfabetische volgorde: Wiel Arets, Alexander Bodon, Jo Coenen, Benthem Crouwel, Gunnar Daan, Cees Dam, Arie Hagoort, Herman Hertzberger, Jan Hoogstad, Rem Koolhaas, Mecanoo, Wim Quist, Sjoerd Soeters, Rudy Uytenhaak en Carel Weeber. Alleen de monografieën van Arets en Koolhaas moeten hiervan nog verschijnen. De meest opvallende afwezige: Ben van Berkel. Keuzes zijn onvermijdelijk en je kunt lang discussiëren over wie wel en wie niet, maar de afwezigheid van Van Berkel is eigenlijk niet goed te praten. Daarvoor heeft hij teveel bijzondere gebouwen gemaakt.

Het ontbreken van Van Eyck en Van Berkel is echter slechts een kleine smet op het blazoen van een prachtige reeks. Door de terughoudende vormgeving en de serene zwart-wit fotografie komt alle nadruk op de gebouwen te leggen. Het dwingt tot een geconcentreerd kijken. De verzorgde vormgeving leverde in het verleden al voor twee losse delen het predikaat Best Verzorgde Boek op. Dit jaar kreeg de hele serie die bekroning.

Van alle architecten wordt een dwarsdoorsnede van het oeuvre getoond, van het eerste project - meestal een huis - tot de laatste projecten. Op dit laatste punt wringt soms een schoen. De meeste architecten staan nog zo midden in de bouwpraktijk (Bodon is de enige die inmiddels is overleden), dat het boek bij verschijnen eigenlijk al gedateerd is. Zoals bij Mecanoo. In de monografie is niet de Hogeschool voor Economie en Management opgenomen, het laatste grote project waarbij Erick van Egeraat nog was betrokken. Dit gemis is jammer, juist omdat bij Mecanoo de kans lag om een complete periode afsluitend in beeld te brengen. Saillant is dat het hoofdkantoor van ING in Budapest wél is opgenomen, terwijl dit het eerste project is waarmee Van Egeraat zich solo profileert.

De monografieën van Quist en Weeber zijn zo lang geleden verschenen (tien jaar bijna), dat hun boeken eigenlijk al lang niet meer actueel zijn. Het is onvermijdelijk bij een reeks die zo tijdrovend is, dat er maar enkele per jaar kunnen worden uitgegeven, al is het tempo de laatste paar jaar wel opgevoerd.

Bij Quist laat de gedateerdheid zich nog het meest voelen, onder meer gezien zijn recent opgeleverde Museum Beelden aan Zee in Scheveningen en Cobra Museum in Amstelveen. Als enige architect heeft Quist daarom een aantal jaar geleden een tweede publicatie gekregen, die min of meer aansluit op de monografie.

Door het consequente gebruik van zwart-wit fotografie in de serie, komt alle aandacht te liggen op de details en elementen die voor de verschillende architecten kenmerkend zijn. In het recent verschenen boek over Uytenhaak accentueert de fotografie bijvoorbeeld het veelvuldige gebruik van zogeheten 'vliesgevels', die de identiteit bepalen.

De belangrijkste kwaliteit van de monografie-reeks is echter haar toegankelijkheid. Ook het publiek dat niet vertrouwd is met architectenjargon komt in de boeken aan zijn trekken. Conceptuele ingewikkeldheid wordt zorgvuldig vermeden. Enige kennis van architectuur is soms gewenst - vooral vertrouwdheid met bepaalde namen - maar ook zonder dit referentiekader zijn de teksten goed te volgen. De auteurs spannen zich in om uit te leggen, te duiden en in een context te plaatsen. Het zijn vertellende stukken, waarin de betreffende architect hoogstens geparafraseerd aan het woord komt. Alleen Soeters wordt uitgebreid sprekend opgevoerd. Voor de rest zijn het de observaties van de auteur, die natuurlijk wel behoorlijk is gesouffleerd door de architect.

De waarde van de serie ligt in het veelomvattende beeld dat van de Nederlandse architectuur in de jaren zeventig, tachtig en negentig wordt gegeven, maar er is nog een tweede effect, dat zonder twijfel onbedoeld was. De reeks is ook bijna spelenderwijs een les in kijken naar en denken over architectuur. De auteurs strooien uitbundig met citaten van al dan niet beroemde architecten (zowel uit heden als verleden), waardoor een omvangrijke schets van het architectuurdebat ontstaat. Je kunt je een slechtere educatieve serie wensen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden