Lesgeven aan verstokte niet-lezers

Schoolboekenmakers en -schrijvers maken vaak (te) moeilijke boeken voor vmbo’ers van de lagere niveaus. Voor hun docenten is het moeilijk om met deze boeken te werken. Laat de tieners zelf schrijven en vertellen, adviseert daarom een deskundige: taalproductie in plaats van -receptie.

Saaai!! Twee volle vmbo-klassen van het Minkema College in Woerden zijn het onmiddellijk roerend eens: schoolboeken zijn (te) dik, zwaar, duur en bovenal: dodelijk saai.

„Er moeten meer samenvattingen in staan”, voegt Laura (derde klas, basisberoepsgerichte leerweg) toe. „En minder dure woorden.”

Een voorbeeld van een moeilijk woord? ’Structureel’, antwoordt Laura. ’Hoofd- en bijzaken’, zegt haar klasgenoot Rene. „Daar snap ik echt niks van, wat ze daarmee bedoelen.”

Vmbo’ers en boeken gaan niet samen. Vooral voor leerlingen van het laagste niveau, de basisberoepsgerichte leerweg, en voor zorgleerlingen is een boek een dood en abstract ding. Voor de docenten is dit lastig, hoe moeten ze dan lesgeven?

„Ik zorg voor veel afwisseling”, vertelt Marieke Remijn, geschiedenisdocent aan het Minkema College. Ze wijst op een schoolboek, Expeditie M & M dat ze sinds dit jaar gebruikt.

„Dit is een goed boek, kleine brokken tekst worden afgewisseld met plaatjes en opdrachten. Vmbo’ers zijn doeners; bij teksten haken ze snel af, omdat ze zich moeilijk kunnen concentreren.”

In haar laatste jaarverslag constateerde een verontruste onderwijsinspectie dat veel vmbo’ers moeite hebben met lezen. Mede doordat het leesonderwijs op de basisscholen tekortschiet, is een kwart van de leerlingen in de twee laagste niveaus van het vmbo niet in staat een schoolboek te lezen dat speciaal voor hen is geschreven.

„Ik weet dat dit zo is, maar soms verbaast het me nog steeds”, zegt Anne Toorenaar, onderzoekster bij het Instituut Lerarenopleiding aan de Universiteit van Amsterdam. Voor haar promotie-onderzoek ontwerpt zij lesmateriaal voor vmbo-ers. „Vooral de woordenschat is soms zo gering.”

„Een lap tekst schrikt deze leerlingen zó af”, vertelt Joyce Emons, docent Nederlands aan het Minkema College. „Waarom toch, vraag ik me dan af. Komen deze leerlingen soms uit gezinnen waar niet of nauwelijks wordt voorgelezen of gelezen?”

Het thuismilieu, denkt Toorenaar, speelt ongetwijfeld een rol. Laatst vertelde een docente dat zij vaak aan haar leerlingen vraagt of er thuis tijdens het eten ’gepraat wordt’. „De leerlingen bij wie dat niet zo is, haal je er volgens haar zo uit. Dit zijn tieners die alleen met leeftijdsgenoten praten.”

Toch kunnen de meeste vmbo’ers, ook van de lagere niveaus, volgens Remijn wel lezen. Ze doen het alleen niet. Thuis lezen ze nauwelijks of nooit, op school ontwijken ze het liefst elk geschreven woord.

„Ik vind ze erg gemakzuchtig”, schetst Marieke Remijn, die nu zeven jaar lesgeeft op deze school. „Het is ook erger geworden. Zelfs bij een opdracht die in één alinea staat beschreven, kijken ze naar mij. ’Mevrouw, wat moeten we doen?’ ’Dat staat er toch, lees maar’, zeg ik dan.”

„Ik zou wel eens willen weten waar die gemakzucht vandaan komt”, beaamt haar collega Emons. „Daar moeten ze eens onderzoek naar doen. Mij valt bijvoorbeeld op dat leerlingen al gauw vinden dat ze het ’nergens voor nodig hebben’. Zo wilde ik vorig jaar met jongens van voertuigtechniek uit de basisklas een sollicitatiebrief oefenen. ’Dat hebben we toch niet nodig?’, riepen ze meteen. ’Jullie willen later toch werken?’, antwoordde ik.

Toch, bekent Emons, moest ze haar pupillen in dit voorbeeld gelijk geven. Ze legden haar beeldend uit hoe het in hun sector werkt. ’We bellen Henk en we vragen of we morgen mogen beginnen’, hield een jongen haar voor. „Het zal nog waar zijn ook”, zegt Emons nu.

Tegelijkertijd, houdt Emons vol, zal ook dit type jongens en meisjes uit schoolboeken moeten kunnen leren. Maar de huidige generatie boeken, zo blijkt uit een rondgang, verschilt enorm in moeilijkheidsgraad en aanpak.

„Voor het vak verzorging zag ik boeken waarin hoofd- en bijzaken nauwelijks worden onderscheiden”, vertelt Toorenaar. „Voor de derdejaars basis- en kaderberoepsgerichte leerweg zat er een toets bij die ik zelf met moeite kon maken.”

Uitgevers maken vaak de fout, signaleert Marieke Remijn, dat zij het havo/vwo-niveau als uitgangspunt voor hun boeken hanteren.

„Eerst schrijven ze een methode voor havo/vwo, daar maken ze een uitgeklede versie van voor de hoogste niveaus van het vmbo. En daar weer een uitgeklede versie van is voor het laagste niveau van het vmbo. Alsof vmbo-leerlingen niet een eigen opzet en aanpak verdienen.”

Een andere fout is dat de zinnen en teksten soms te eenvoudig zijn. Vanuit de gedachte dat vmbo’ers zo simpel mogelijk aangesproken moeten worden, verschijnen er schoolboekteksten met korte zinnen, zonder verbindende zinnen (zie kader).

„Dit blijkt juist averechts te maken”, concludeert Jentine Land, onderzoekster aan de Universiteit Utrecht. „Als je verbindingswoorden, zoals omdat of doordat, weglaat, begrijpen de leerlingen het juist slechter. Simpele teksten worden zo complex.”

Docenten en onderzoekers spreken van een dilemma: enerzijds wil je leerlingen met eenvoudige teksten ’grijpen’, anderzijds moet je hen ook niet te laag inschatten.

„Vaak kunnen ze veel meer dan je denkt, als je hen maar op de juiste manier weet uit te dagen”, ervaart Marieke Remijn.

„Ze hebben het haarfijn door als je hen onderschat, als je denigrerend doet. Deze leerlingen hebben veel last van het negatieve imago van het vmbo, ze hebben weinig zelfvertrouwen en voelen dat ze het stempel opgedrukt krijgen dat ze dom zijn.”

Nog zo’n dilemma: hoe leuk moet een tekst zijn? Daar vmbo’ers toch al zo slecht gemotiveerd zijn voor een (’saai!’) boek, helpt het om teksten te nemen die goed bij hun leefwereld aansluiten.

„Maar leuk, leuker, leukst, dat hoeft nou weer niet”, vindt Emons. „De maatschappij is ook niet altijd leuk. Ook voor deze leerlingen geldt dat zij later in hun werkzame leven dingen moeten doen die niet leuk zijn.”

Jentine Land toonde bovendien aan dat teksten die leuker gemaakt worden door daar personages aan toe te voegen, juist slechter begrepen worden. „Ik denk dat de leerlingen door zulke personages te veel meegesleept kunnen worden”, verklaart Land. „Zakelijke teksten leiden minder af.”

Iris en Mirjam, twee leerlingen zorg en welzijn van het Minkema College, bevestigen deze bevinding. „In ons verzorgingsboek staan overal tussendoor personen”, illustreert Iris. „Dan gaat het hoofdstuk bijvoorbeeld over haren wassen en dan volgt er ineens een stukje over een mevrouw van wie de haren gewassen moeten worden. Ik vind dat onhandig.”

„We hoeven dat ook niet te leren”, voegt Mirjam aan, „Dus waarom moeten we dat dan lezen? Geef mij maar alleen die stukjes die we moeten stampen.”

Theun Meestringa van de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) buigt zich al jaren over de rol van het schoolboek in de lessen. Hij kent de klacht van docenten dat leerlingen zo slecht lezen en dat schoolboeken te moeilijk zijn.

Toch, pareert Meestringa, moet een goede docent met elke tekst kunnen werken. „We hebben lang gedacht dat we de leesstrategieën van leerlingen moeten verbeteren, maar dat blijkt niet te werken. Wij pleiten er nu voor dat docenten zich meer op de taalproductie van leerlingen gaan richten, in plaats van op de taalreceptie.”

Meestringa zegt dit als coördinator van het platform taalgericht vakonderwijs, een initiatief dat ernaar streeft dat alle docenten, dus niet alleen die van Nederlands, aan (verbetering van) de taal werken.

„Laat die leerlingen praten en schrijven over dat vak, de taalproductie noem ik dat, dan worden ze onmiddellijk actief.”

Bovendien, zegt Meestringa, moet een docent zich nooit beperken tot de boeken die binnen zijn school als uitgangspunt voor de lessen zijn gekozen. „Neem niet één tekst, maar vier”, adviseert hij. „Laat de leerlingen ook informatie op internet zoeken, en laat ze samen naar een tekst kijken. Wees creatief, dan kun je echt met elke tekst iets doen.”

Dat deze taalproductie goed werkt, heeft ook Toorenaar al ervaren. Zij experimenteerde met vmbo-leerlingen die, in het kader van hun vak zorg en welzijn, op een basisschool uit de buurt iets ’uit eigen werk’ moesten voorlezen.

„Ze schreven samen een boek en waren daar apetrots op. Ineens blijkt dan dat sommige leerlingen veel meer kunnen dan ze gewoonlijk laten zien.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden