Les op de crèche

Op de peuterspeelzaal gebeurt het al lang, maar voor de meeste crèches is het nieuw: een soort les voor peuters. Goed voor kinderen met een taalachterstand, maar ook een verrijking voor alle anderen.

’Puk, ben je wakker?” Crècheleidster Ilse Brongers haalt een grote lappenpop met een olijk blauwgestreept mutsje uit een ledikant. Bij de 2 Prinsjes, een kinderdagverblijf in Den Haag, is Puk onderdeel van het dagelijkse ritueel. De pop beleeft avonturen, net als de peuters. Vandaag is Puk ziek, hij heeft zijn hoofd gestoten.

„Wat moeten we nu doen?”, vraagt Brongers aan de peuters in de kring. Allemaal vingers gaan omhoog. „Ikke, ikke”, klinkt het. „Een kusje geven”, roept Marouane en hij geeft Puk een knuffel. „En wat nog meer?” Rabbia, een meisje met twee lange vlechten, springt omhoog met haar vinger in de lucht. „Er moet een pleister op.” Ze mag er een uitzoeken; het wordt een glimmende blauwe die ze voorzichtig op Puks voorhoofd plakt.

De 2 Prinsjes is een kinderdagverblijf, maar anders dan in de meeste andere crèches wordt hier ook ’les’ gegeven. En Puk is een hulpmiddel om de peuters spelenderwijs van alles bij te brengen. Deze peuterlessen zijn bedoeld om kinderen met een taalachterstand bij te spijkeren, nog voordat ze naar de basisschool gaan.

De meeste achterstandskinderen gaan niet naar een crèche, maar naar een peuterspeelzaal, een opvang waar kinderen tweeënhalf uur op een dag kunnen spelen. Zo’n 95 procent daarvan is een zogeheten voorschool, met lessen om achterstanden te bestrijden. Van de kinderdagverblijven heeft echter maar 5 procent zo’n voorschoolprogramma, schat Ernst Radius, beleidsmedewerker van MO-groep Welzijn & Maatschappelijke dienstverlening.

Maar dat aantal groeit. Vooral in de vier grote steden gaan tegenwoordig steeds meer kinderen met een taalachterstand niet naar een peuterspeelzaal, maar naar een kinderdagverblijf. Daarom is het belangrijk dat ook daar achterstanden doelgericht weggewerkt worden, met een voorschoolmethode.

Leidster Brongers en haar collega’s bij de 2 Prinsjes beperken zich niet tot het standaard lesmateriaal van de Puk-en-Ko-methode. Elke vijf weken staat er een ander thema centraal waar ze van alles bij halen: ze zingen er liedjes over, richten samen met de kinderen een tafel met spullen in. Per thema maken ze een ’ouderboekje’ met achterin een woordenlijst, om de betrokkenheid thuis te stimuleren. En bij alles wat ze doen, wordt Puk ingepast. Gaan ze naar de kinderboerderij, dan gaat de pop mee. Daar laten ze hem van alles beleven dat met het thema te maken heeft.

Aan het eind van de dag heeft Puk genoeg avonturen beleefd. De peuters bij de 2 Prinsjes mogen vrij spelen en de pop gaat terug in zijn ledikant. „Slaap lekker, Puk”, roepen de kinderen in koor. „Tot morgen.”

Zover als de 2 Prinsjes zijn de meeste kinderdagverblijven nog lang niet. Alle crèches moeten weliswaar een pedagogisch beleid hebben. Maar op veel kinderdagverblijven ziet een doorsnee dag er nog steeds hetzelfde uit: een fruithapje met een beker sap, liedjes zingen, de boterham, een slaapje tussendoor en veel vrij spelen. En dat is niet genoeg voor een voorschool.

Daarnaast zijn de leidsters (of ’pedagogisch medewerkers’ zoals ze sinds een paar jaar heten) niet voldoende opgeleid om kinderen te stimuleren, concludeert het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek in een rapport over de kwaliteit van kinderopvang. Veel crècheleidsters scoren matig als het gaat om zelf spreken en uitleggen, en zijn ook niet goed genoeg in het stimuleren van de ontwikkeling en het begeleiden van interactie tussen de kinderen.

Een aanvullende opleiding om als pedagogisch medewerker ’voorschool-gecertificeerd’ te worden, kan dat verhelpen. „Dat geeft een enorme meerwaarde aan de opvang”, zegt Radius van de MO-Groep. „En het maakt het werk aantrekkelijker.”

Het Amsterdamse kinderdagverblijf Doenja heeft dat inmiddels ook ervaren. Dat werkt sinds augustus met het voorschoolprogramma ’Kaleidoscoop’ en om dat goed te laten verlopen, volgen alle leidsters twee jaar een opleiding van een dag per maand. De lokalen zijn opnieuw ingericht met speelhoeken in verschillende thema’s en er is nieuw, vooral houten speelgoed gekomen. Overal staan nu bakken met knutselspullen klaar. Niet alleen kant-en-klaar materiaal, ook ’gevonden’ spullen, zoals lege wc-rollen, doppen en kurken.

Crèchemanager Anne Jaspers van Doenja is enthousiast. Een voorschoolprogramma is niet alleen nuttig en leerzaam voor kinderen met een taalachterstand, heeft zij gemerkt. „Het is een verrijking voor alle kinderen. Ze worden uitgedaagd en het brengt de kwaliteit van de opvang omhoog.”

Liesbeth Hijmans van den Bergh, moeder van Huub van drieënhalf, kan dat bevestigen. ’Jeetje, wat schools voor een peuter’, dacht zij aanvankelijk. Maar ze ziet nu dat het werkt. „De kinderen leren bijvoorbeeld vooruitkijken en achteruitkijken. Ik zie dat Huub dat echt oppikt, het geeft hem structuur. Hij is thuis heel erg bezig met wat gaan we doen en daar later op terugkijken. En hij is veel creatiever geworden.”

Taalachterstand hoeft niet het enige criterium te zijn om een kind wel of niet naar de voorschool te sturen, vindt ook Radius van de MO-groep. Dat is in de praktijk ook lastig te bepalen: doorgaans wordt gekeken naar het opleidingsniveau van ouders, maar dat zegt vaak niet alles. Ook emotionele of sociale achterstanden, bijvoorbeeld door een scheiding, kunnen een rol spelen.

„Je kunt kinderen daarom niet één, twee, drie in een hokje stoppen”, vindt Radius. „Bovendien bevordert het de integratie als kinderen met en zonder achterstanden met elkaar spelen en van elkaar leren. Want dat is precies wat er op een voorschool gebeurt: het is echt spelend leren.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden