Leonardo da Vinci's Lijkwade

Sinds 1988 wordt de echtheid van de Lijkwade van Turijn ernstig betwijfeld. Britse experts denken zelfs dat ze de meestervervalser hebben gevonden: Leonardo da Vinci. Door onlangs voor het eerst ook de achterkant van het doek te onderzoeken hoopten kerkelijke experts de twijfels te ontkrachten. In werkelijkheid zijn ze alleen maar versterkt.

De Lijkwade van Turijn is eeuwenlang vereerd als het doodskleed van Jezus Christus. De discussie over de echtheid loopt nog steeds. Anderhalve maand geleden hebben kerkelijke deskundigen voor het eerst ook de achterzijde onderzocht. Die blijkt bloedsporen te bevatten. De afdruk is alleen aan de voorzijde zichtbaar. Hij dringt niet door het doek heen, maar ligt op de oppervlakte van het weefsel. Dit sluit uit dat de afbeelding op het doek is 'geschilderd'.

Het Vaticaan leidt hieruit af dat het doek authentiek is. Maar de 'lege' achterzijde vormt juist een bevestiging van de hypothese van het fotonegatief zoals deze zeven jaar geleden werd opgeworpen door een team van Britse wetenschappers en kunstenaars onder leiding van Lynn Picknett en Clive Prince. Hun conclusie, neergelegd in het boek 'Turin Shroud, in whose image', wijst niet in de richting van authenticiteit, maar van een (meesterlijke) vervalsing. Volgens hen is het doek geen afbeelding van Christus, maar een zelfportret van Leonardo da Vinci. Ze stelden vast dat de lijkwade het negatief van een foto-opname is uit het begin van de Renaissance en daarmee de eerste 'foto' uit de historie.

In 1988 werd de Lijkwade met de C14-methode ontmaskerd als een 13de- of 14de-eeuwse vervalsing. De koolstofmethode dateerde de oorsprong van het doek tussen 1260 en 1390 met een marge van honderd jaar. Minstens twee raadsels bleven over. Hoe kon de vervalser van dit relikwie in de Middeleeuwen, toen het begrip 'negatief' nog niet bestond, een fotonegatief in een doek aanbrengen? En, ten minste zo raadselachtig: hoe kon deze vervalser kennis hebben van de techniek van de kruisiging die de Romeinen, tot aan de vijfde eeuw, toepasten? Kennis hiervan behoorde niet meer tot de knowhow van iemand uit de Middeleeuwen. Middeleeuwse afbeeldingen van Christus aan het kruis tonen hem dan ook met spijkers die door de handen zijn geslagen. De Romeinen wisten echter uit ervaring dat het vlees dan afscheurt en sloegen de spijkers tussen vier botjes in de polsen. De Lijkwade van Turijn laat een gekruisigde zien bij wie dit precies zo is gebeurd. De duimen die bij deze kruisigingstechniek naar binnen klappen, liggen ook op de Lijkwade verlamd tegen de handpalmen aan.

Beide raadsels leiden tot de conclusie dat als de Lijkwade van Turijn een 'maaksel' is, het hier gaat om een ongekend meesterwerk. Het is daarom niet verwonderlijk dat al vroeg (vóór de C14-methode) de naam van Leonardo da Vinci (1452-1519) de rond deed als mogelijke vervalser.

In 'Turin Shroud' (1994) namen de Britse onderzoekers Lynn Picknett en Clive Prince deze hypothese opnieuw op. Met een groep wetenschappers en kunstenaars zochten ze naar middeleeuwse middelen voor zo'n vervalsing, én naar mogelijke motieven voor Da Vinci. Ze gingen ervan uit dat de vervalste afbeelding niet geschilderd of via reliëfafdrukken in de doek geïmpregneerd werd, maar dat ze een fotonegatief is. Nu is de fotografie een 19de-eeuwse uitvinding. Ze brengt twee zaken samen: een camera die het beeld 'vangt' en een lichtgevoelig oppervlak dat het beeld vasthoudt.

Het principe van 'licht vangen' -de camera obscura- is eeuwenoud. Aristoteles schreef er in de vierde eeuw vóór Christus al over, de Arabische filosoof Ibn al-Haitam in de 11de eeuw, en in 1279 gaf de Engelse alchemist John Peckham er eveneens beschrijving van. Zo ook Leonardo da Vinci.

In zijn 'Codex Atlanticus' vinden we een tekening van de camera obscura waarin de principes worden uitgelegd; in een andere notitie schrijft hij wat je moet doen om de beelden te projecteren. Maar wist Da Vinci ook hoe je een beeld kon vasthouden? Al in de eerste eeuw na Christus schrijft Plinius de Oudere in zijn 'Historia Naturalis' over stoffen die, blootgesteld aan licht, donkerder worden. Waarschijnlijk bedoelt de Romein met dit lichtgevoelige materiaal zilver-chloride. Da Vinci kende dit geschrift en heeft ongetwijfeld geexperimenteerd met andere lichtgevoelige materialen die in de kunstenaarswereld van zijn tijd, maar ook in de alchemie en de theologie bekend waren. De theoloog Albertus Magnus schreef in de 12de eeuw over de lichtgevoeligheid van zilver-nitraat.

De chemicaliën die in de vroege fotografie van de 19de eeuw gebruikt werden om beelden materieel vast te leggen, bevatten organische stoffen: gelatine, albumen (eiwit) en Arabische gom. In de Renaissance bezat iedere schilder ze om verf en hechtingsmaterialen te preparen.

Het vandaag de dag opnieuw namaken van de Lijkwade met deze primitieve middelen -een camera obscura, enkele eenvoudige chemicaliën en een linnen doek- vormt het sluitstuk van het bewijs dat dit doek een vervalsing is. Van de vele pogingen die er in de vorige eeuw ondernomen zijn blijkt die van het team van Picknett en Prince de meest geslaagde en overtuigende. De onderzoekers bereikten een effect dat verbluffend gelijk is aan de afbeelding op de Lijkwade van Turijn. Hun afdruk dringt niet door het doek heen, maar ligt op de oppervlakte van het weefsel. Precies als het beeld van de Lijkwade. Een raadsel, totdat je het herkent als het eerste fotonegatief. Niet op filmpapier, maar op een linnen doek, geprepareerd met een oplossing van eiwit en chromiumzout.

De belangrijkste fasen van het imitatieproces zijn in 'Turin Shroud' stap voor stap beschreven en met foto's geillustreerd. Volgens de onderzoekers was hun eiwit-oplossing niet de enige manier die Leonardo voor zijn maaksel ter beschikking stond. Je verkrijgt dezelfde foto-effecten door verbindingen van alcoholtinctuur, het sap van aloë-bladen, hars-extracten en andere organische stoffen.

Ian Wilson, dé Lijkwadedeskundige van de afgelopen vijfentwintig jaar, neemt in zijn studie 'Het bloed en de Lijkwade' (1999) afstand van de Leonardo-hypothese. Maar hij doet dit op een merkwaardige manier. Hij wijst op het onderzoek van Nicolas Allen, hoogleraar aan de technische universiteit in Porth Elizabeth, Zuid-Afrika. Onafhankelijk van het onderzoeksteam van Picknett en Prince bewijst Allen -eveneens met een camera obscura waarin hij een lens van bergkristal aanbracht zoals de oude Egyptenaren deze al voor vergrotingsdoeleinden gebruikten, en zilver- en ammoniakzouten- dat een middeleeuwer op fotografische wijze de afbeelding van de Lijkwade tot stand kon brengen. Toch houdt hij vast aan de authenticiteit van de wade door de koolstofdatering in twijfel te trekken.

De maker van de Lijkwade moet iemand zijn geweest met een grote kennis van anatomie. In zijn biografie 'Leonardo, de eerste natuurwetenschapper' (2000) constateert Michael White dat Da Vinci's observaties op het terrein van de anatomie, die hij in een grandioze collectie tekeningen overleverde, misschien wel zijn grootste wetenschappelijke prestatie vormen. In de Middeleeuwen rustte op de ontleding van lijken een zwaar taboe. Voor de Lijkwade-hypothese is van belang dat Leonardo pauselijke dispensatie bezat om sectie op menselijke lichamen te verrichten.

De gelegenheid om met lijken te experimenteren gebruikte Da Vinci volgens de Britse onderzoekers om de lijkwade te vervaardigen. In de snijkamer wist hij details van de Romeinse kruisigingstechniek te achterhalen. En hij bewerkte lijken om de afbeelding daarvan met de camera obscura op een met chemicaliën geprepareerd doek te projecteren.

De projectie op de Lijkwade is niet perfect. Ze toont ons een reus van over de twee meter. Als dat de ware lengte van Jezus zou zijn geweest, had de Bijbel ons deze voor die tijd 'goddelijke' maat ongetwijfeld meegedeeld. Bovendien lijkt de afbeelding uit twee afzonderlijke delen te bestaan: een los hoofd geprojecteerd op een gekruisigd lichaam. Het hoofd is te klein voor de rest van het lijf. Het lijkt er afzonderlijk 'opgeplakt'. Wellicht niet zonder ironie schrijft Da Vinci: ,,Er zijn velen die handelen in trucs en gesimuleerde wonderen waarmee ze de domme massa misleiden; en als niemand hun vervalsingen ontmaskert, zullen zij die aan iedereen opdringen.''

Volgens Picknett en Prince vervaardigde Leonardo da Vinci De Lijkwade eind 15de eeuw en gebruikte hij daarvoor een afdruk van zijn eigen gezicht. Da Vinci zou deze vervalsing hebben gemaakt in opdracht van paus Innocentius VIII. Hij moest het oude doek dat in 1350 was opgedoken en een opzichtige vervalsing 'in verf' zou zijn geweest, vervangen door een geloofwaardiger publiekstrekker.

De tweede reden was, aldus de geheimzinnige informant van Picknett en Prince, was dat Leonardo het christendom hartgrondig verafschuwde en met deze heiligschennende actie wraak nam voor alle bijgeloof en kortzichtigheid.

Als een en ander klopt is de Lijkwade de eerste foto, ooit gemaakt. Het zou het bizarre zelfportret kunnen zijn van de man die volgens sommige critici zijn zelfportret ook al in de Mona Lisa projecteerde. Da Vinci heeft zijn vervalsing alleen maar 'in negatief' gezien. Hem ontbraken de middelen om het te ontwikkelen en af te drukken.

Toen Picknett en Prince de resultaten van hun team aan Amerikaanse kunsthistorici voorlegden, zei een van hen: ,,Als jullie bevindingen kloppen, is dit doek niet alleen 's werelds eerste foto, maar ook nog eens een echte Da Vinci, een zelfportret... Mijn God, dan is het 's werelds meest onbetaalbare kunstwerk''. Conclusie: de Lijkwade van Turijn hoort niet thuis in een kerk, maar in het museum.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden