Lentetuin

"Alsof het echte, het eigenlijke, dat waarop het in het leven buiten alle menselijke berekening op aankomt, zich openbaart in die vogelzang, meer nog dan in het boven de grond komen van krokus en narcis, dan in het bladzetten weer van de bomen." De dichter C. O. Jellema beschrijft de vier jaargetijden in vier afleveringen: wintertuin, lentetuin, zomertuin, herfsttuin. "Het nu, denk je, is Der Mouws Brahman: Hij, die zaait en bloeit, verwelkt en plant."

Ook, het duurde maar even, was ik werkelijk kwaad op de honden, alsof ik het hun mocht kwalijk nemen dat zij zich, met hun onnozele speelsheid toegevend aan hun aard, op dat moment hadden onttrokken aan het beeld waarin ik hen steeds wil zien, eigenlijk, dat van intelligente, trouwe makker, van bijna-mens. Maar toen dacht ik aan twee dingen, in deze volgorde. Eerst aan hoe mijn grootvader, theedrinkend in de tuin, een poes een jonge vogel zag bespringen en hoe hij toen, het is me verteld, in blinde drift de poes bij de staart pakte en doodsloeg tegen een boom. Daarna aan hoe ik zelf als kind met een windbuks een spreeuw uit de dakgoot neerschoot en, gefascineerd en geschrokken, ermee naar mijn moeder op het terras liep, deels om haar de wonderlijke metaalglans van het vogeillijfje te tonen, deels wellicht ook om door schuldigspreking van een onverwacht schuldgevoel te worden bevrijd. Hoe heb je dat kunnen doen, zei ze, opkijkend uit haar boek. Hoe kwam je erbij.

Tussen de spirea's heb ik de jonge merel, nog warm, begraven, een spade diep. Waar het kopje lag bleef op de tuintafel een plasje geel slijm achter, ik kan er niet toe komen om dat weg te vegen.

-2-

Al een week lang zit 's morgens nog voor het licht wordt, voor de open balkondeuren een merel te fluiten zo luid dat ik er wakker van word. Een voorzanger en solist, want verderweg in bomen en struiken in de tuin gaat het overal zingen, naarmate het lichter wordt luider en voller, als om het hardst, totdat de veelsoortigheid plotseling afneemt, de zangers op een enkele na zwijgen en de houtduiven gaan koeren uit volle borst, hun coda het begin van de dag. Vroeger, in mijn studententijd, was er in het voorjaar altijd een morgen waarop ik in het donker opstond en de stad uit fietste om in het bos die morgenzang te horen. Nu luister ik liggend.

Mooi, dat zingen van de vogels in het voorjaar, denk je. Iets waar je in de winter al op hoopt dat het weer zal beginnen. Mooi is maar een woord. En wat het is, vraag je je af, om zo, liggend en luisterend, een geluk in je lichaam te voelen van opeens volstrekt uitgerust en ontspannen, een en al oor te kunnen zijn. Alsof het echte, het eigenlijke, dat waarop het in het leven buiten alle menselijke berekening op aankomt, zich openbaart in die vogelzang, meer nog dan in het boven de grond komen van krokus en narcis, dan in het bladzetten weer van de bomen. Nightthoughts.

Ik hoore't gij vogelkens, luide genoeg

herhaalt en herhaalt gij uw' spraken;

maar, hoe ik mijn beste doe, spade en vroeg,

'k en weet er geen zin van te maken.

Toch, bij Gezelle, in dit bijna honderd jaar oude gedicht, laat het zich raden waarin die zin te vinden is. "Die meest en die merelt, die lijstert, die leeuwerkt, die muscht, altemaal" vertolken zij - wanneer de ziele luistert - het diep gedoken Woord.

Maar mijn gevoel van geluk, denk je liggend en luisterend, is niets anders dan de herinnering aan een geluk, het nagekomen en haast te late besef daarvan. Weer lig je, kind, even in de witte logeerkamer van je grootouders, houtduiven koeren, klinkend wordt een zeis gewet. Met nog dichte ogen zie je de rode beuk voor het open raam, de tuinman op het grasveld daaronder.

Het zijn de vogels die het einde van de lente aangeven; als hun koorzang, terwijl de dagen nog lengen, in de vroege morgen dag na dag dunner en dunner zal worden, verstommen zal tot op enkele stemmen, is de zomer begonnen.

-3-

Voorjaar. Onder de kale kastanje het blauw-witte krokusveld, in het nog winters-grauwe gras de gele akonieten, sneeuwklokken die de laan omzomen. Het voorjaar kan koud zijn. In de koude voorjaarsnacht zingen in Bloems gedicht de nachtegalen. Maar koude lente een woordcombinatie uitsluitend te gebruiken als titel, voor een gedicht, een bundel, een schilderij. Lente is luw. Het voorjaar gaat aan de lente vooraf.

Vooral als belofte beleef je dat krokusveld, die zoom van sneeuwklokken, die gele spikkels in het gras. Alsof dat enkele, dat bloeien hier en daar, nog niets is vergeleken bij wat het als in aantocht zijnde aankondigt: uitbundige bloei, uitbarsting van bladgroei, lentes volheid, alles, warmte, kleur en geur. Met ongeduld kijkend stel je dat waarop je hoopt juist door het te verwachten steeds maar uit. Tot het je overrompelt, elk jaar weer, met een tegelijk van zo veel, dat je ogen te kort komt, terwijl je van elke boom, heester, plant, elk bol- en knolgewas zou willen zien wat zij doen tussen nu en straks.

Nu - bestaat dat?

Je zou aandachtig willen zijn, zo intens, dat je in de beschouwing van een enkele bloemkelk, van zeg maar de mooiste witte narcis, die Pheasants eye heet, narcissus poeticus, de vervulling ziet van jouw eigen levensverwachting, het waartoe van der dingen aanwezigheid, Gezelles zin. Je weet dat zoiets bestaat, anderen schreven erover, je mist het zintuig, het mystieke talent. Omdat je het altijd straks verwacht, beleef je het nu nooit anders dan achteraf, als een herinnerd nu, maar gekleurd door de spijt om het voorbije.

Waar wacht je op? Als de appelbomen in bloei staan - en wat is er lentelijker dan witrose appelbloesem tegen blauwe lucht - rest van de narcissen eronder niets dan onaanzienlijk verwilderde pollen in nodig te maaien gras. Het nu, denk je, is Der Mouws Brahman: "Hij, die zaait en bloeit, verwelkt en plant" , en:

Hij, die dauwt en licht en schikt en snoeit,

en, park en bloembed, ritmisch ruist en gloeit,

en ruikt en proeft zijn eigen diepe glorie,

Hij ziet die tuin, waar zich het eeuwig Zijn ontvouwt. . . .

Brahman, die de tuin is en de tuinman, de vormgever en de groeikracht, geest en natuur. Ook bloei en verwelken in een daad van aanschouwing en aanschouwd zijn. Alomvattend. Het onhaalbare dus, voor een mens.

Maar zoals Der Mouw het in een ander sonnet beschrijft, een over een uitgebloeid violenbed, zo zou het kunnen zijn:

Verwilderd is 't, deels plat, deels uitgeschoten,

zodat ik - 'k zie ze nog - die mooie groten

in de verschrompelden nauwlijks herken;

maar even lang als toen sta ik te kijken:

ze deden goed hun best; 't mag nu niet lijken,

alsof 'k voor 't vroeger moois ondankbaar ben.

Vertel me, tegenover wie mag dat niet lijken? Is er, buiten mijzelf om, een instantie die mijn ondankbaarheid afwijst, mijn dankbaarheid aanvaardt? Hoe lang heb ik, in 't voorjaar, echt gekeken? Toch dankbaar voor een lente, er te zijn.

-4-

Zaailingen wieden. Geen enkel jaar zijn de esdoorns zo verbazend gul geweest. Middagen achtereen gehurkt, geknield, gebogen. Op vrije plekken zijn ze, met dit zonnig droge weer, gemakkelijk weg te schoffelen. Maar ze staan bundelsgewijs op de azaleaheuvel in de struiken, evenals, nog erger, in de rozentuin, liefst in het hart van de struiken waar je ze niet zonder schrammen op te lopen wegplukt; en onopgemerkt eerst in de buxushaagjes waar ze, snelle groeiers, plotseling bovenuitpieken. Een wanverhouding, deze overbodige overvloed, terwijl je in de groentetuin het zaaisel van warmoes, snijmoes (de Groninger blauwe) en meiraap elke avond begiet om het de grond uit te krijgen. De band die je hebt met het zelf-geplante, zelf-gezaaide, de zorg ervoor nooit een verplichting.

En, realiseer je je ondanks de esdoorns, er is geen werk in de tuin dat je tegenstaat, waartoe je je moet zetten. Graadmeter tijd: je werkuren zijn er om voor je het weet, elke dag weer. Hoe anders in je werkkamer, achter de schrijftafel, waar je je elk moment van het tijdstip bewust bent. Waar concentratie meestal een kwestie van zelfdwang is. Je kijkt door het zijraam naar de moestuin en je bent bij de planten, door een voorraam naar de rozentuin en je ziet wat je wacht: de buxus dient getopt, de beukenhaag geknipt te worden. Terwijl je schrijft liet je pen en papier nu het liefst in de steek. Met vrijheid zal het te maken hebben, met de vrije beweging van het lichaam, om te kunnen lopen, te bukken, te knielen. Met onrust ook. Soms is het vluchtgedrag. Buiten, waar je jezelf kunt vergeten.

Ik ga dus. En vanavond, lang licht blijft het al, is er tijd om alleen maar te kijken, met een belangeloos welgevallen om met Kant te spreken, want tevreden over gedane arbeid, langs de azalea's, in alle kleuren rose en lila, langs het heesterperk waar nu de bruidswitte Exochorda racemosa 'The Bride' zo geurt, langs de vasteplantenborder aan de voet van de theekoepelheuvel, het bolronde perk met de gele Keizerskroon, onder de treurbeuk door, de uilen zullen weldra hun glijvlucht beginnen, naar voren, naar de rozen waarvan nu al, zo warm is de lente, de eerste bloeit, de Rosa pendulina, in het botanische perk, een roos uit de bergen.

Achter de beukenhaag het strakke land, een kleine bosrand, een in de ruilverkaveling geschapen, achter planbureau's bedacht natuurgebied. En daar weer achter komt, ik las het laatst in NRC-Handelsblad, een tachtig meter hoge toren van de NAM. Met vlam.

Je zou vanuit de hemel een gordijn moeten kunnen neerlaten 's avonds, zo'n zwarte verduistering uit de oorlogstijd, neer tot op de beukenhaag. Om de sterren te kunnen blijven zien in de tuin, straks. He, de eerste vleermuis, kijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden