Lente in het jonge nationale park De Hamert

Er groeien nog paddestoelen op een dode boomstam, waar het water van de beek omheen kolkt. Een hele rij grote kaneelbruine hoeden van de platte tonderzwam siert de zwaar en fluweel-groen bemoste eikenstam midden in de stroom. Toch is het geen herfst. Overal zingen vogels. Het bescheiden tiereliertje van een boomkruiper mengt zich met de slag van verscheidene vinken. Weemoedig en bijna droevig klinken de welluidende noten van een grote lijster verder weg in het bos.

Het is lente in het nationale park De Hamert in Noord-Limburg, dat anderhalf jaar geleden door de minister van landbouw, natuurbeheer en visserij is ingesteld. Af en toe komt de zon door de grauwe bewolking, waar soms wat spetterregen uit valt, niet hinderlijk bij vijftien graden en een zwakke zuidenwind. Het voortijlende water in het diep uitgesleten dal glinstert.

Het is geen echte beek, daar in het zuidelijke deel van De Hamert. Het water werd in 1770 gegraven als scheepvaartverbinding tussen de Niers en de Maas. Later raakte dit Geldernsch-Nierskanaal in onbruik en werd het niet meer onderhouden, waardoor het stromende water de oevers uitschuurde, ging kronkelen en op een 'woeste' beek ging lijken.

Vanaf de hoge oever kijk je neer op een paar grote meanders in de diepte. Door de stroom ondermijnde bomen zijn dwars over en in het riviertje neergevallen en blijven liggen.

IN HET BEEKBOS De dalbodem ligt bezaaid met de bruin verdorde katjes van zwarte elzen, de voornaamste bomen van het beekbos. Direct aan het water groeien opvallend grote hazelaars, een enkele nog vol geelgroene meeldraadkatjes. Een bunzing en een paar reeën, die uit de beek kwamen drinken, lieten in de slikrand van een ondiepe binnenbocht hun pootafdrukken achter.

De donkergroene pijlbladeren van de wilde aronskelk komen massaal de grond uit. Je zou hier ook velden van speenkruid mogen verwachten, maar ik vind alleen wat beslijkte plantjes dicht bij de stroom. Blijkbaar kan dit oppervlakkig wortelende knolgewasje niet goed tegen overstromingen, in tegenstelling tot hondsdraf en grote brandnetel. De laatste moet in de zomer het beekdal overheersen, want de jonge spruiten komen overal tussen het vorig jaar afgevallen boomblad tevoorschijn.

EIKEN EN BERKEN Het bos op de hoge oevers van het Geldernsch-Nierskanaal heeft een heel ander karakter dan het elzenbroek aan de beek. Hier geen vochtminnend geboomte, maar stoere zomereiken en slanke ruwe berken tot op de rand van de steilte. Eiken en berken zijn de voornaamste bomen op de droge gronden, die de uitgestrekte heidevelden van De Hamert omsluiten.

Het bos wordt aan zichzelf overgelaten, wat te zien is aan de talrijke dode bomen, die meestal zijn omgevallen, maar vaak nog rechtop staan. Veel kwijnende en dode berken dragen de zilverwitte hoeden van de berkenzwam of de grauwe paardenhoefvormige vruchtlichamen van de zeldzame echte tonderzwam.

Een paar boomklevers roepen luid in de hoge eiken. Als je de boomtoppen met de kijker afspeurt, zie je ze wel, tamelijk dikke, spechtachtige vogels, mooi blauwgrijs op de rug, oranjerood op de buik. Ze leven van insecten, die ze klauterend langs de dikke takken uit schorsspleetjes peuteren, maar eten vooral in de winter ook oliehoudende zaden. In spleten in de schors van twee eiken op de rand van de hoge beekoever hebben de klevers hazelnoten vastgeklemd en vervolgens opengepikt. De doppen zijn als stille getuigen blijven zitten.

Ik loop de lange Twistedenerweg af tot de eerste boerderij aan de rechterkant van de weg. Er tegenover loopt een pad het bos in. Een armetierige esp staat in volle grijze bloei. Mooie zomereiken en een aantal oude beuken met veel dode takken en soms diepe scheuren in de bast zijn vermoedelijk een restant van een vroegere houtwal, die een akker heeft omsloten. Een enkele boompieper zingt boven in een vliegdennetje en in de bosrand roept een geelgors met een hees geluidje.

IJSTIJD Het pad stijgt, want De Hamert ligt op een stuwwal, ontstaan in het Saalien, de voorlaatste ijstijd, toen het landijs het grootste deel van Europa bedekte. Gletsjertongen duwden de grond op tot hoge heuvels, die zelfs nu, ruw geschat 125.000 jaar later, nog steeds niet helemaal door wind en water zijn geslecht. Vanaf de hoogte kijk je in een bos van uitsluitend witstammige berken dat er haast Scandinavisch uitziet. Er is niet veel fantasie voor nodig om je voor te stellen hoe deze plek was in het Preboreaal, de koele periode na de laatste ijstijd, toen berkenbossen het landschap bepaalden, zo'n 10.000 jaar geleden.

De stuwwal zelf is vooral met heide begroeid. De lucht is vervuld van het karakteristieke gezang in alle toonaarden van boomleeuweriken, die net uit hun overwinteringsgebieden in Frankrijk en Spanje zijn teruggekomen. De Hamert is onder vogelkenners vermaard om de vele boomleeuweriken, die er elke zomer broeden. Boomleeuweriken komen aanzienlijk minder voor dan veldleeuweriken, die overigens in de laatste decennia zich meer en meer uit de polders terugtrekken naar de duinen en de heidevelden. Hier is in de zomeravond het vreemde geratel te horen van de nachtzwaluw, een geheimzinnige nachtvogel van de heideranden, die ook sterk in aantal is afgenomen.

ZONNENDE MIEREN Wat ik eerst aanzag voor een zwart korstmos, blijkt een tapijt van duizenden traag bewegende rode bosmieren te zijn, die hun nestkoepel bouwden om een dode stronk van een vliegden. Ze zijn uit de diepte van hun nest gekomen om zich te koesteren in de voorjaarszon.

Plekjes loodgrijs en soms wit zand markeren de ronde holletjes van mestkevers op de heide, waar veel keutels liggen. Ik tref de schaapskudde onder en tussen typisch gevormde zomereiken op het hoogste punt van de glooiende heide, niet ver van de 'Zwitserse' schaapskooi.

Daarachter ligt weer een ijstijdlandschap, aanzienlijk jonger dan de stuwwal. Een gordel van zandheuvels dateert uit het Weichselien, de laatste ijstijd, toen het landijs ons land niet bereikte, maar hier alles boomloze toendra was en bij tijden poolwoestijn, die er uitgezien moet hebben als een onafzienbare zandverstuiving. De Noordzee lag droog en de felle wind legde het meegevoerde zand neer in rechte of kronkelende zandruggen of stoof het op tot hoefijzervormige paraboolduinen. Tussen die dekzandruggen vallen de natte plekken al van ver op door het roestige rood van de vele gagelstruiken en de hooikleur van hoge pijpenstrootjespollen. Daar liggen vennen met moerassige oevers. Plasjes in een langwerpig moerasgebied zijn nog over van een oude en grotendeels verlande Maasarm. Er broeden dodaarzen en verschillende eendensoorten, zoals wintertalingen en slobeenden, die je nauwelijks te zien krijgt.

NATUUR DEZE WEEK

De vordering van de lente is niet bij te houden. In enkele dagen kwamen de gele narcissen in volle bloei en in de tuinen prijken blauwe druifjes, blauwe anemoontjes en sterhyacintjes. Terwijl de laatste katjes van hazelaars en elzen verdorren en afvallen, komt de forsythia in volle gele bloei. Aan de stadsgrachten hebben de iepen onopvallende bloemenkluwentjes aan de kale takken. ù Speenkruid komt niet alleen voor aan de slootkant, maar ook op beschutte plekken in de bossen. Het licht valt nog ongehinderd tussen de kale bomen op de grond, waar honderden goudgele sterretjes stralen in de zon. ù De wilgen bloeien in de rietlanden en langs de sloten. Op de sterke honinggeur komen dikke hommelkoninginnen, honingbijen en vliegen af. Overal in bossen, tuinen en parken vliegen dikke akker- en aardhommels laag boven de grond rond. Het zijn de stammoeders van de nieuwe hommelnesten, waarvoor ze nu een geschikte plek zoeken. ù De rijpe zwarte bessen van de klimop worden gegeten door merels en houtduiven. ù Er verblijven in ons land nog veel wintergasten uit het noorden: sijzen, barmsijzen, kepen, koperwieken, kramsvogels, goud- en zilverplevieren, smienten, zaagbekken, kleine en wilde zwanen en ganzen die in het hoge noorden van Europa broeden. Aan de Oostvaardersplassen huizen nu twee zeearenden. ù Niet alleen op de zuidelijke heidevelden zoals op De Hamert zingen de boomleeuweriken, maar zelden zag ik er zoveel tegelijk als op dat landgoed. Boomleeuweriken hebben een voorliefde voor halfopen heide met jonge vliegdennen, die een rol spelen in hun baltsvluchten. Het jodelende gezang met veel lululu-klanken, waaraan de vogel zijn wetenschappelijke naam Lullula dankt, wordt vaak voorgedragen tijdens een spiraalvlucht om een dennetje.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden