Lekker iemand om mee te praten, dacht hij. Daar gaat mijn leesuurtje, dacht ik.

In de ochtendtrein op weg naar een medisch congres kwam collega H. opgewekt naast mij zitten. Lekker iemand om mee te praten, dacht hij. Daar gaat mijn leesuurtje, dacht ik, want H. is een van die trappelende zestigers die van geen ophouden weten. Ik heb hem wel eens gevraagd wanneer hij ermee gaat stoppen. Hij vroeg niet eens 'Waarmee?', maar antwoordde vinnig: “Halverwege mijn begrafenis, maar ook dan alleen als de kransen goed liggen op mijn kist, anders zal ik daar toch nog even wat aan moeten doen.“

Inmiddels is hij wel het type huisarts dat alleen nog in dromen bestaat. Hij is op de hoogte van alle recente pillen, de gekste nieuwe wondbedekkingen, bezoekt al zijn oudjes regelmatig thuis en geeft familieleden zijn 06-nummer rond een sterfbed. Dat laatste kwam hem op een koddig verwijt te staan uit de mond van een van de jongeren in zijn waarneemgroep. Hem werd een “klassieke vorm van gebrek aan professionele distantie“ verweten, waarop hij had geantwoord dat hij bij haar sterven graag een uitzondering zou maken.

Hij heeft ook nog tijd om te lezen. Dit keer 'Awakenings' van Oliver Sacks. Wat hij ervan vond?

“Babbelzieke weduwe. Ligt zich de hele dag te koesteren in het zonnetje van zijn eigen vriendelijkheid. Heerlijke arts voor een zieke, maar een vreselijk typje na werktijd, wat denk jij?“

Ik wist niks te melden over Sacks' vrije uren behalve dat hij die niet op formele of emotionele basis met één ander mens deelt. Voorzover de wereld weet. Ik wou daar wel wat over speculeren, maar H. was alweer aan een ander onderwerp begonnen. “Nou je 't over seks hebt. Heb jij gehoord dat homoparen wel kunnen trouwen in de anglicaanse kerk, maar dan moeten ze erbij beloven dat ze eenmaal thuis aangekomen strikt in de kleren blijven?“

En hij voegde daaraan toe: “Ik heb van die dagen, dan lach ik te weinig, maar met zo'n bericht kan ik wel weer een paar dagen vooruit. Zijn mensen niet iets heerlijks?“

Hij had een prima zomervakantie gehad. “Maar ik ben nu 62 geloof ik, en op vakantie vallen mijn vrouw en ik qua sfeer tussen twee uitersten. Je voelt je niet thuis in een discotheek waar de hormonen door de lucht loeien en er om je heen een wedstrijd gespeeld wordt waar je niet meer voor opgesteld kunt worden. Maar we zijn ook nog geen negentigjarige bibberaars achter een rollator die aan geen enkele wedstrijd meer deelnemen. Kortom, wij zitten in een zegenrijke tussentijd, en het mooie is dat we het in de gaten hebben. Want dat is toch eigenlijk de grote misser van jong zijn, denk je niet?“

“Wat is de misser van jong zijn?“

“Dat je ' t niet in de gaten hebt dat je jong bent!“

Het was hem laatst opgevallen toen een patiënt op zijn spreekuur kwam, een dikkige man van rond de 35, organisatiedeskundige, die hij kende vanaf zijn tiende. Maar nu niet meer jong dus, althans niet jong in die onvergetelijke zin van het woord.

“Hij kwam bij me met allerlei vage klachten en zijn bloeddruk was zo hoog dat je een verlossende knal binnen zijn opgeblazen kop vreesde.“ Maar wat hem zo getroffen had was de verbijsterende snelheid waarmee het leven, of de tijd, zo'n jongen had ingepakt.

“Dat joch speelde in zijn middelbare schooltijd uitzonderlijk goed hockey. Ik schrok ervan toen hij zijn overhemd uittrok, hoe kort die route soms kan zijn van jonge hockey-held naar kalend met buik. Die dooie vanzelfsprekendheid waarmee mensen hun leven als het ware uitgieten in een gereedstaande vorm.“

We keken naar buiten. Prachtig scheurkalenderweer, mistflarden, zonnestralen vallend in “wouden als kathedralen“, een weiland met een paard half badend in de mist, “in alles was een oogopslag“.

“Weet je, zo'n paard“, vervolgde H., “ik kom er niet uit waarom het van een paard niet erg is en van een mens wel dat ie 't eeuwige leven niet haalt.“

“Je zegt nogal wat. Hoe kom je daar nou bij? Er is helemaal geen eeuwig leven, niet voor paarden en niet voor mensen.“

“Weet ik wel, maar voor mensen is dat erger.“

“Dat is geen racisme, of seksisme, dat heet speciisme tegenwoordig, en het bestaat uit een grove overschatting van de status van de mens in vergelijking met andere dieren. Paarden bijvoorbeeld. Waarom zit je niet in over de vergelijkbare doem van een bacterie?“

“Bacteriën zijn veel te klein. Maar een paard is groot, en mooi!“

“En een mens nóg mooier? Het klinkt erg narcistisch allemaal.“

“Zeker, maar je weet wat de narcist zegt als hem gevraagd wordt wanneer hij eens van die Olympus af gaat komen.“

“Nou?“

“Alleen als ze me in triomf naar beneden dragen!“

“Maar niemand gaat de mensheid die berg afdragen. We zijn door na te denken en naar dieren te kijken allang in het dal teruggekeerd.“

“O ja? Nou ik vind er niks aan hier beneden. Kom, we moeten er uit. En laat ik je niet zien slapen tijdens de middagzitting.“

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden