Leidens ontzet

Als jongetje heb ik de hongerwinter meegemaakt. Het moet mede daarom geweest zijn dat het verhaal van burgemeester Van der Werff op school een onuitwisbare indruk op mij maakte: 'Spijs heb ik niet, doch doodt mij, snijdt mijn lichaam aan stukken en deelt het uit zover het strekken mag.'

Een groot man. Aan burgemeester Cees Goekoop zou u wat dat betreft ook een goeie hebben.

Met uw vererend verzoek als vreemdeling in uw midden in deze dienst voor te gaan, bracht u mij wel enigermate in verlegenheid. Waar moest ik het over hebben? Het antwoord op die vraag vond ik in Gouda.

Wie in de Janskerk de Goudse glazen beziet, vindt het beleg van Leiden verbeeld in het glas dat de stad Delft aanbood: de inundatie van het gebied tussen Delft en Leiden die Leiden zou ontzetten, werd door Prins Willem van Oranje vanuit Delft geleid. Welk tafereel moest de Sleutelstad nu kiezen voor het glas dat als geschenk van Leiden de kerk van Gouda zou sieren?

Bijbelvast als men in die dagen was, viel de keuze op een voorstelling van het ontzet van Samaria, zoals beschreven in 2 Koningen 6 en 7, een situatie vergelijkbaar met die van Leiden.

De koning van Aram belegerde de stad, het volk dreigde van honger om te komen. De voedselvoorraad slonk, de voedselprijzen stegen, en wàt voor voedsel: een ezelskop kostte maar liefst tachtig zilverlingen, een klompje duivenmest vijf.

Iedere dag maakte de koning van Samaria zijn ronde over de wallen van de stad en hij probeerde zijn volk moed in te spreken. Maar de mensen waren radeloos en redeloos en reddeloos, zij verwilderden. Deed hij er niet beter aan zijn dagelijkse tocht te staken? De houding van de burgers begon hier en daar dreigende vormen aan te nemen, alsof zij in hem de schuldige van alle rampspoed zagen. Haat en afgunst las hij in hun holle oogkassen, het was niet moeilijk hun gedachten te raden. 'In het paleis is nog eten, in het paleis hebben ze het zo slecht nog niet, we zouden hèm eens een bord afval voor moeten zetten.'

Een vrouw maakte zich los uit de mensen en schreeuwde hem toe. “Help ons toch, heer koning!”

“Als de Heer u niet helpt, waar zal ik dan hulp voor u vandaan halen? Van de dorsvloer soms, of van de wijnpersbak?”

Even was het stil. Hoe nu verder? De koning kon bij God niet helpen, maar bij God, hij kon ook niet doorlopen. Het enige wat hij kon doen is luisteren. Luisteren en zwijgen, want er is lijden waar geen woorden meer voor zijn. “Vrouw, wat is er?”

“De vrouw die naast mij staat, heer koning, zei tot mij: 'Laten wij vandaag jouw zoon eten, dan eten wij mijn zoon morgen.' Zo hebben wij gedaan; wij hebben mijn zoon gekookt en gegeten. Maar toen ik de volgende dag aan haar vroeg: 'Waar is je zoon, dat wij die eten?', toen bleek dat zij hem heeft verborgen.”

Van afgrijzen en ontzetting vervuld scheurde de koning zijn kleren. In een wereld die aan flarden ligt ging ook zijn koningskleed aan flarden. Het volk zag hem over de muur voorbijgaan, en zie, onder zijn mantel droeg hij een rouwkleed, op de naakte huid.

De stemmen verstomden waar hij voorbijging met onder zijn gehavend koninklijk kleed die juten lap, dat rouwgewaad. Zie je dat? Zie je dat? Het was niet de bedoeling dat zij het zagen, maar nu zien ze het. De burgers van de stad waren er verlegen mee. Die man, die aan de andere kant van hun leed leek te leven, is hunner één. Ook hij heeft geen woorden meer, alleen nog een gebaar, maar dat gebaar ontroert en troost. Uiterlijk is hun koning de ongebroken drager van kracht en waardigheid - als drager van zijn ambt dient de vorst onverschrokken te zijn en zijn volk in fierheid voor te gaan - innerlijk wordt hij door hetzelfde lijden verscheurd als zij. Tot aan het démasqué op de wallen van Samaria wist alleen God van de droefenis die de eenzame man in het verborgene droeg. Nu weten zij het allen.

Maar de honger duurde en duurde voort en uiteindelijk was ook de koning aan het einde van zijn krachten, zijn geduld was op en zijn geloof was op en al zijn wanhoop en verdriet ontlaadde zich op het hoofd van de profeet. Had Elisa soms geadviseerd niet ten strijde te trekken maar liever een beleg te verduren, of ziet de koning het beleg van Aram als een teken van Gods toorn en laat hij zijn toorn daarover neerkomen op het hoofd van de man van God? “Moge dat profetenhoofd van de romp worden gescheiden!” De koning zond zijn adjudant uit om het vonnis te voltrekken.

Elisa voelde het onheil naderen en gaf de zijnen opdracht de deur te sluiten, nog voor de afgezant des konings zijn huis had bereikt. “Ik hoor het geluid van de voeten van zijn heer achter hem.”

Maar de man was al binnen. “Zie toch het kwaad dat ons vanwege de Eeuwige overkomt! Wat zullen wij nog op de Eeuwige hopen?”

Elisa zei: “Zo spreekt de Heer, morgen om deze tijd zal een maat fijn meel een sikkel kosten en twee maten gerst eveneens een sikkel, in de poort van Samaria.” Er zal voldoende voedsel zijn voor iedereen en voor gewone prijzen.

“En u wilt dat ik dat geloof? Al zou de Eeuwige sluizen in de hemel maken, dan nog zou het niet geschieden.”

Elisa zei: “Je zult het met je eigen ogen zien, maar proeven zul je het niet.”

Vier melaatsen zitten buiten voor de poort van de stad, want in de stad worden zij natuurlijk gemeden als de pest. De mannen zijn op sterven na dood. “Wat zitten wij hier nog? We kunnen de stad ingaan, maar daar heerst de honger, wij zullen er zeker sterven. Maar hier sterven wij ook. Welaan dan, laten wij overlopen naar het legerkamp van Aram. Laten zij ons in leven, dan zullen wij leven, willen zij ons doden, dan gaan we dood.”

De vier melaatsen hadden niets meer te verliezen en in de avondschemering stonden zij op om naar het legerkamp van Aram te gaan. Aan de rand ervan gekomen, zie, er was geen sterveling te zien! Hoe kon dat zijn?

Zij wisten niet dat de Heer de bladeren in de bomen achter de heuvels had doen ruisen en dat de koning en de zijnen van pure angst in dit geruis het naderen van wagens en paarden hadden gehoord, een grote legermacht. Paniek in het kamp. “De koning van Israël heeft de koningen van de Hethieten en de Egyptenaren gehuurd om ons te overvallen!” Hals over kop kozen zij het hazenpad en renden voor hun leven, met achterlating van al hun have en goed.

De vier melaatse mannen gingen een van de tenten binnen en stilden er hun honger met spijs en drank. Ook stilden zij hun honger naar zilver en goud, begerig de ene tent na de andere plunderend. Hun schatten verborgen zij.

Toen kwamen zij tot bezinning, want wat als straks de morgen aanbreekt en aan het licht komt dat zij zich stil hielden? “Dit is een dag van goede tijding en wij doen er het zwijgen toe.”

Op naar de poort, waar zij de wachters het heugelijke nieuws meldden. De koning kon het aanvankelijk niet geloven en vreesde een krijgslist. “Zend dan twee wagens op verkenning uit, heer koning, met de paarden die wij spaarden. Het kan zijn dat de verkenners het leven laten, zoals zovelen onzer. Het kan ook zijn dat zij er het leven bij behouden. Wij zullen zien.”

Niet lang daarna keerden de krijgers in galop terug. “Wij zijn vrij!” De uitgehongerde burgers van de stad persten zich door de smalle poort naar buiten. De adjudant des konings, die gisteren smalend had geroepen dat zelfs wanneer de Eeuwige de sluizen des hemels zou openzetten het woord van de profeet nog niet in vervulling zou gaan en die nu door de koning was aangesteld om toezicht te houden, werd door het uitzinnige volk in de stadspoort vertrapt, zodat hij stierf. Hij zou, had Elisa voorzegd, de overdaad aan voedsel met eigen ogen zien, proeven zou hij die niet.

Woorden die gelden voor de adjudanten van het militaire apparaat van alle tijden. Zij zullen de bevrijding wel zien, maar de vrucht ervan niet tot zich nemen, want de vrucht van de bevrijding is de ondergang van het apparaat.

En het geschiedde: een maat fijn meel kostte een sikkel, twee maten gerst eveneens.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden