Leg niks uit, houd je kop

,,Destijds dacht ik dat een roman ergens over moest gaan, en dat ik ook echt wat te zeggen had. Nu ben ik zover gekomen dat ik niets meer te zeggen heb, en dat zo goed mogelijk wil doen.'' Zelfkritiek met Willem G. van Maanen, die deze maand vijftig jaar schrijver is. ,,Ik zou graag verontrustend willen zijn, en schrijven.''

'Een literatuur die een zo groot schrijver als Willem G. van Maanen zijn plaats niet kan geven is verontrustend vergeetachtig en trouweloos.''

Met deze woorden besloot Willem Jan Otten een aantal jaar geleden een essay over deze schrijver, die ,,een moeilijk te verteren onderwaardering ten deel is gevallen''. Het essay van Otten is de afgelopen jaren vaak geciteerd - zo vaak dat het lijkt alsof de Nederlandse literatuur zich met een schok het bestaan van Van Maanen herinnerde. Van Maanens laatste roman, 'Een huis van lief en leed', liep vorig jaar net de AKO-literatuurprijs mis. Zijn bekendste roman, 'De onrustzaaier', beleefde na bijna een halve eeuw een zevende druk.

Van Maanen (1920) is deze maand vijftig jaar schrijver. Reden voor de gemeente Kampen om hem met een penning te eren. En voor de uitgever om 'Alle verhalen' te laten verschijnen, een verzamelbundel waarin ook acht nieuwe verhalen zijn opgenomen. Die penning is opmerkelijk: Van Maanen is dan wel geboren in Kampen, en gebruikt dit voormalige bolwerk van de Reformatie ook als het decor voor zijn meeste romans, de beschrijving van dat decor is doorgaans weinig flatteus. Van Maanen: ,,'De onrustzaaier' is er zelfs uit de bibliotheek gehaald vanwege de beschimping van de stad, en de aanval op het geloof. Een voormalige klasgenoot van mij, die later boekhandelaar in Kampen is geworden, verkocht het boek alleen onder de toonbank.''

'De onrustzaaier', de titel verwijst naar het nieuwe hoofd van de openbare school, over wie aan het begin van de roman gezegd wordt: 'Die man daar? Dat is de nieuwe meester of liever: dat was de nieuwe meester'. Het daarna volgende verhaal staat dus in het teken van de ondergang van deze nieuwe meester, Chris, een charismatische figuur die snel na zijn aanstelling het dagelijks leven van het hanzestadje ontwricht met socialistische ideeën en opruiende gedachtes over de beknottende rol van het geloof voor de ontwikkeling van de mens.

,,Toen ik het boek voor de herdruk teruglas, ergerde ik me vooral aan de rechtlijnigheid van het verhaal. Het geloof wordt in de roman te ongecompliceerd beschreven. Dat hoef ik mijzelf niet te verwijten, ik was drieëndertig toen ik het verhaal maakte. Rechttoe rechtaan, ik heb tijdens het schrijven nauwelijks getwijfeld. En het is mijn enige roman geweest waarbij ik tijdens het schrijven heb gelachen. Ik wilde afrekenen met bepaalde verschijnselen, met de domheid en de hypocrisie van een gemeenschap.''

Toonbeeld van deze hypocrisie is notaris Pilaar, de verteller van het verhaal, de ikfiguur en eigenlijke hoofdpersoon van de roman. Pilaar is behalve notaris ook voorzitter van het schoolbestuur. Hij heeft dan ook de nieuwe meester aangetrokken, in de hoop de openbare school weer aantrekkelijk te maken voor nieuwe leerlingen. Liefst zo aantrekkelijk dat de christelijke school van meester Heeringa, ,,vanzelf, zonder enige strijd, ten onder zou gaan''.

Omdat Pilaar verantwoordelijk was voor de aanstelling van meester Chris houdt hij hem lang de hand boven het hoofd. Maar als de situatie onhoudbaar is, wast hij zijn handen in onschuld - althans, vertelt hij een verhaal waaruit moet blijken dat er geen andere uitweg was dan de meester zijn ontslag te geven.

,,Pilaar is zo'n typische liberaal, die keurig in pak rondloopt, maar ondertussen. Later kreeg ik een brief van een notaris Pilaar. Hij schreef mij: 'Ik heb dat boek van u niet, maar ik verneem uit de kranten en van collega's dat u mij in een roman heeft opgevoerd. Mag ik u erop wijzen dat ...'. Ze bestaan dus wel, notarissen met zo'n naam. Maar nu vind ik die naam een veel te doorzichtige verwijzing naar Pilatus.''

,,Als personage is Pilaar wel enigszins uitgediept, omdat hij inziet dat hij zich schijnheilig heeft gedragen. De andere figuren in de roman blijven types. Ook meester Chris is eendimensionaal - nee, een boek als 'De onrustzaaier' zou ik nu nooit meer zo schrijven. Het boek is te gemakkelijk, te rechtlijnig, te weinig gelaagd.''

Toch kun je het verhaal van meester Chris interpreteren als een lijdensverhaal. De meester is een Christusfiguur die het goede wil maar zich de woede van het volk op de nek haalt.

,,De parallel is inderdaad in het boek aan te wijzen, maar het ligt er te dik bovenop: Pilaar vergelijkt Chris met Christus; Chris noemt Pilaar Pilatus. Dat moet je niet doen, met uitleg onderschat je de lezer.''

,,Veel erger is nog dat ik het christendom alleen als verschijnsel behandeld heb, en niets weet te zeggen over wat er onder ligt, over de religieuze verschijnselen. Dat kon ik ook niet, helaas ontbeer ik elk religieus gevoel. De psychiater Rümke heeft ooit geschreven dat je geloof moet beschouwen als de 'grond van mijn grond'. Onder de grond van mijn bewustzijn zit nog een grond, dat is de religie. Die tweede grond mis ik jammer genoeg.''

Als u die grond wel had gehad, zou u dan religieus geworden zijn?

,,Ik zou niet godsdienstig geworden zijn. Maar als ik iets geweten zou hebben van die tweede grond zou ik meer diepgang hebben gekregen.''

U zelf, of zouden uw personages meer diepgang hebben gekregen?

,,Ik bedoelde nu mijzelf. Ik zou mijzelf minder op de voorgrond hebben hoeven dringen, meer hebben kunnen overlaten aan andere krachten of machten. Dat heb ik in mijn leven niet gekund. En in mijn schrijven ook niet, niet echt. Rümke beschouwde het als een ontwikkelingsstoornis wanneer je die grond onder je grond miste.''

,,Maar ook mijn romans zouden aan diepgang hebben gewonnen, zeker 'De onrustzaaier'. Het is net alsof ik een schilderij gemaakt heb zonder de kleuren te mengen, alsof ik de tubes heb uitgeknepen en zomaar op het doek gesmeten. Onder een schilderij moet iets zitten waarnaar je kunt raden, gissen.''

,,In mijn latere boeken zijn mijn personages gelaagder geworden, gecompliceerder. In 'De dierenhater', een roman die ik beschouw als een verdieping van 'De onrustzaaier', is het hoofdpersonage minder eenduidig. Aanvankelijk lijkt hij een dierenhater maar als je goed leest blijkt het tegendeel. De lezer wordt erin op het verkeerde been gezet - ach, een goede lezer heeft dat snel door. Stilistisch is het boek ook minder gemakkelijk. Vanaf 'De dierenhater' heb ik een stijl ontwikkeld die de literaire kritiek vaak als 'kaal' heeft getypeerd.''

Aan uw toon te horen lijkt u die aanduiding niet te delen.

,,Wat is kaal? Zonder franje, zonder metaforen, zonder vergelijkingen? Dan wordt een boek kaal, ja. Zo is mijn stijl niet. Ik denk dat je moet weglaten wat maar enigszins vertroebelt. In 'De dierenhater' gaat op een gegeven moment de geliefde van de hoofdpersoon dood. De ontroering van de hoofdpersoon heb ik nauwelijks beschreven, je moet ontroering ook niet beschrijven, je moet beschrijven wat ontroering met je doet. Daarom laat ik de hoofdpersoon op de begraafplaats zeggen: 'Ik nam mijn hoed af, en voor het eerst merkte ik dat het regende'. Vóór dat moment was zijn aandacht kennelijk bij andere zaken, bij zijn dode geliefde. Laat niet blijken wat je ontroert, leg niks uit, houd je kop. Maar zorg dat het de lezer duidelijk wordt dat het personage ontroerd is. Vraag is dan wel: wanneer is het duidelijk genoeg? Je zit maar in je eentje te schrijven, er is niemand die je corrigeert. Deze manier van schrijven heb ik tot een systeem gemaakt. De techniek die daarvan het gevolg is, zou je 'kaal' kunnen noemen.''

Die stijl is ook kenmerkend voor uw laatste boek, 'Een huis van lief en leed'?

,,Ja. Neem het begin van de tweede alinea van 'De onrustzaaier'. De verteller staat te kijken naar de nieuwe meester, die wacht op de boot die hem naar de grote stad zal brengen. Dan schrijf ik: 'Een rug kan veel uitdrukken van wat iemand voelt of denkt, vind ik altijd'. Die laatste woorden zijn overbodig: natuurlijk vindt de 'ik' dat, anders zou hij het niet zeggen. Zulke overbodigheden zijn in 'Een huis van lief en leed' niet te vinden.''

'Een huis van lief en leed' kent nauwelijks een plot. De roman bestaat uit drie verhalen, die verteld worden door een dienstmeisje, een bibliothecaris, en een onderwijzer. Wat verbindt die verhalen? Of, anders gevraagd: waarover gaat de roman?

,,Waarover gaat de roman? Dat is een slechte vraag. Ik zou kunnen zeggen: over een man die niet kan lijden en, zonder dat hij het beseft, daaronder lijdt. Maar eigenlijk moet ik zeggen: die roman gaat over niets. Ik ben niet de enige schrijver wiens ideaal het is een boek te schrijven over niets, eindelijk verlost te zijn van die dwang dat het ergens over moet gaan, en dat het dan nog moet kloppen ook. In het leven klopt immers ook niets, al verbeelden we ons vaak van wel, denken we de chaos tot een soort van kosmos te hebben ingedamd, met nog zoiets als trots over ons ordenend vermogen, die niets anders is dan de trots van de boekhouder die de cijfers kloppend heeft gemaakt. Spelling en syntaxis, ja, die moeten in orde zijn, maar verder? Ik zou graag verontrustend willen zijn, en schrijven, en zoiets heb ik met 'Een huis van lief en leed' geprobeerd. Dat alles bedekt onder of gesteld in een onberispelijke stijl: de heer in het driedelige kostuum van wie geen mens wil geloven dat hij zulke rare dingen zegt. Hijzelf moet het trouwens ook niet kunnen geloven.''

,,In 'De onrustzaaier' ontbreekt nu juist dat element van verontrusting, gek genoeg met zo'n titel. Het is eerder dan een roman een pamflet, een satire op zijn best. Overigens dacht ik destijds dat een roman ergens over moest gaan, en dat ik ook echt wat te zeggen had. Nu ben ik zover gekomen dat ik niets meer te zeggen heb, en dat zo goed mogelijk wil doen. Vergelijk me met een schilder die niet meer in voorstellingen denkt, maar in kleuren en vormen. Of een componist die geen melodieën meer maakt maar reeksen van kleuren en ritmes.''

Zo gemakkelijk komt u er niet af: u gebruikt in het boek een motto van Kossmann dat luidt: 'Het schandelijkste, waarde vriend, is dat ik onder al mijn leed niet heb geleden'. En ook het dienstmeisje zegt letterlijk dat ze een verhaal aan het schrijven is over een man die niet wil of kan lijden, ,,maar dat gaat hem niet goed af''.

,,Tuurlijk, lijden speelt in de roman een belangrijke rol. Naar mijn idee behoort het lijden tot de essentie van het leven. Dat klinkt gek voor een niet-christen, maar voor mij heeft lijden niets te maken met godsdienst of religie. Accepteren dat je lijdt, is een levenshouding, gebaseerd op de eindigheid van mens en ding. Buiten dat geloof ik dat je meer ziet van mensen als je in de schaduw van het lijden zit - ik had haast gezegd, in de schaduw van de Almachtige, naar Ida Gerhardts vertaling van psalm 91: 'Wie vertoeft in de schuilplaats des Allerhoogsten/ vernacht in de schaduw van de Almachtige'.''

In de schaduw van het lijden zie je meer. Wat zie je dan?

,,Kijken door toegeknepen ogen, zoiets is het. Schilders doen het als ze een landschap schilderen. Ze turen door hun oogharen, wat het effect oplevert dat de scheiding tussen licht en donker, licht en schaduw, duidelijker wordt. Iemand die nadenkt doet het trouwens ook, alsof hij zich dan beter voor de geest kan halen wat hij wil zeggen. Het lijden van de mens, zijn donkere kant, komt beter uit de verf als je op die manier naar hem kijkt, dat wil zeggen, als je hem accepteert, zoals de schilder het landschap accepteert. Het schept een gevoel van verbondenheid, je begrijpt en aanvaardt hem makkelijker, zijn duistere zijde dient zijn lichtere. Hij blijft niet eenzijdig maar wordt een totaliteit.''

,,Overigens verwijs ik graag naar een zinnetje uit 'Een huis van lief en leed': leven is lijden, lijden is lust. Een soort aforisme, dat de schrijver van dat verhaal als motto zou willen hanteren. Ik bedoel maar: lijden is niet alleen tranen, het is ook genieten, althans glimlachen. Zo'n lachje om de ijdelheid van het bestaan.''

U behoort dus niet tot degenen die de dood een schande vinden of een onrecht of een gemene grap.

,,De dood is de voorwaarde tot het leven, een verschrikkelijke voorwaarde misschien, maar een zinvolle. Het alternatief zou nog verschrikkelijker zijn: het eeuwige leven. Dat zou pas de dood in de pot zijn: niemand zou meer tot iets komen, tot niets anders meer dan ledigheid en grenzeloze verveling. Luilekkerland, een schrikbeeld, zeker voor mensen die iets willen maken, scheppen. We zullen ons leven met de dood moeten bekopen, tot dat leed zijn we veroordeeld. Dat die zekerheid de mensen niet meer verbindt, is voor mij altijd onbegrijpelijk geweest, en nog onbegrijpelijker is het dat er mensen zijn die dat proces van eindigheid willen verhaasten, door het voeren van oorlog of het plegen van moord en doodslag.''

,,Voor mij heeft het schrijven altijd geholpen de zekerheid van de dood te aanvaarden. Ook al wordt het product een boek dat over niets schijnt te gaan, dat wel structuur heeft maar geen plot, dat louter vorm is. Om mijzelf te citeren: 'Een roman zonder verhaal, dat is het ideaal: verf zonder kleur, een bel zonder geluid, een stoel zonder poten'.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden