Leersumse Quaestie en Bram Grandia: zo hervormd, zo gereformeerd

Wie zich verbaast of ergert over het moeizame proces van eenwording tussen hervormden en gereformeerden, kan ik van harte een zo juist verschenen beschrijving aanbevelen van een formidabele ruzie in de hervormde kerk, bekend als 'De Leersumse Quaestie'.

In de grote steden met hun secularisatie mogen hervormden en gereformeerden dan ononderscheidbaar op elkaar zijn gaan lijken, in talloze dorpen en kleine stadjes van dit land ligt dat heel anders. Er gaapt daar tussen hervormd en gereformeerd een wereld van verschil met in het algemeen nul komma nul animo daar iets aan te doen. Waar dat verschil uit voort komt, lees je in 'De Leersumse Quaestie'

Zacht gezegd: gereformeerden zijn een ruzie onder elkaar nooit uit de weg gegaan. Maar hun onderling getwist ging onveranderlijk over (vermeende) afwijkingen van de rechte leer. De hervormden in de Leersumse Quaestie raakten daarentegen onderling slaags over de autonomie van het kerkelijk beheer. Of, wat kort door de bocht geformuleerd, over de vraag wie de hoogte van het salaris van de predikant bepaalt: het plaatselijk college van kerkvoogden of de algemene synode, die landelijk richtlijnen voor de salariering van predikanten had uitgevaardigd.

De Leersumse kerkvoogden, een gezelschap van plaatselijke boeren en notabelen, wenste zich op dit punt niet door buitenstaanders de wet te laten voorschrijven. Met als gevolg een spijkerhard uitgevochten conflict, waarin de argumenten niet altijd treffen door fijnzinnigheid. “...om financieel afhankelijk te zijn van eenvoudige, onkundige, en soms bekrompen kerkvoogden leek menigeen niet zoo'n begeerlijke toekomst”, schrijft één van de hoofdrolspelers ds. H. J. Couvée, hervormd predikant te Amerongen en consulent te Leersum, als verklaring voor het grote tekort aan theologiestudenten.

'Leersum' was een strijd tussen aan de ene kant de dominees met als machtsbasis hun classicale vergadering, waarin hun beroepsgroep een comfortabele tweederde meerderheid had, en aan de andere kant de plaatselijke kerkvoogden, die het eeuwenlang in de kerk van hun dorp voor het zeggen hadden.

Daarbij liepen de emoties hoog op. Met als dieptepunt een handgemeen voor de kansel om de 'collecte voor de kerkvoogdij' na de dienst van zondag 19 juni 1932. De opbrengst ervan placht in een kist gestort te worden, waarvan de kerkvoogden de sleutel bewaarden. Maar aangezien de kerkvoogden geschorst waren, wilde de diaken, die de collecte met de toen gebruikelijke lange stok had opgehaald, de opbrengst na de dienst meenemen. Dat pikten de kerkvoogden niet met als gevolg een worsteling om de stok toen een van de kerkvoogden alsnog probeerde 'zijn' collecte in de kist te storten. Er moest tenslotte politie aan te pas komen.

De worsteling was overigens sowieso toch tevergeefs, aangezien de wereldlijke rechter van het gerechtshof in Den Haag toen al bepaald had, dat de algemene synode 'bevoegd was het reglement op de predikantstraktementen te regelen'. Een uitspraak, die de macht over het 'eigen beheer' van de plaatselijke kerkvoogden brak.

De hervormde kerk noemt zich nogal eens de 'Vaderlandse kerk' en door 'de Leersumse Quaestie' weet ik niet alleen beter wat daarmee bedoeld wordt, maar ook hoe juist die benaming is. De hervormde kerk in Leersum, en in andere plaatsen was het waarschijnlijk niet anders, was met de eigen gemeenschap verbonden doordat dezelfde boeren en notabelen (het grondbezit en het kapitaal), die het in het dorp voor het zeggen hadden, ook in de kerk de baas waren. In veel plaatsen van ons land is dat anno 1998 nog niet veel anders dan in 1932 en de bereidheid die macht op te geven (bijvoorbeeld door met de gerefomeerden het beheer van de kerkelijke goederen volgens de nieuwe kerkorde op te pakken) is daar even weinig aanwezig als indertijd in Leersum. Ik heb de indruk, dat d t, en niet de confessionele verschillen, het grootste struikelblok is voor Samen-op-Weg.

In vergelijking met hervormden als de toenmalige Leersumse kerkvoogden zijn gereformeerden eigenlijk 'Vaterlandlose Gesellen'. Hun doleantiekerkjes stonden meestal aan een uitvalsweg aan de rand van het dorp. Hun band met elkaar liep dan ook niet via de plaatselijke gemeenschap met haar onaantastbare orde van grondbezit en notabele macht, maar via leer en leven.

Hedendaags typisch voorbeeld van zo'n gereformeerde 'leer-en-leven- Geselle' is ds. Bram Grandia, die een dik boek over het jubeljaar schreef, één groot pleidooi voor 'effectief mededogen' met de armen. Vier het jaar 2000 als jubeljaar, zo betoogt Grandia, en scheld in dat jaar de schulden kwijt, die de landen van Derde Wereld hebben aan IMF en Wereldbank. Een sympathieke oproep, maar gedaan met een hartstocht, om niet te zeggen drammerigheid, die een doorsnee hervormd kerkvoogd onmiddellijk als 'typisch gereformeerd' zou herkennen. Ook de versmalling van zo ongeveer de hele religieuze problematiek tot de kwestie van een rechtvaardige verdeling tussen rijk en arm, hand in hand met de steeds terugkerende oproep aan de lezer de goede kant te kiezen, is door en door gereformeerd, zij het op z'n modern maatschappijkritisch. Zo veel gestudeerd, zo veel gelezen met uiteindelijk één hartstocht: de schapen te onderscheiden van de bokken. Lees beide boeken en stel vast: het wordt nog moeilijk met Samen-op Weg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden