LEERLING & MEESTER

Prof.dr. Henk van Os (54) - de 'ontdekker' van Siena - is sedert drie jaar algemeen directeur van het Rijksmuseum in Amsterdam. Voordien was hij hoogleraar algemene kunst- en cultuurgeschiedenis in Groningen. In die hoedanigheid was hij de leermeester van Victor Schmidt (35) die later bij hem zou promoveren op de 'Luchtvaart van Alexander de Grote in de verbeelding van de Middeleeuwen'. Schmidt is nu docent kunstgeschiedenis in Groningen.

Schmidt: "Hij had soms van die romantische momenten. Dan stond hij op die plek in Siena vanwaar je een prachtig zicht over de stad hebt. En dan mijmerde hij dat de middeleeuwen er nog zo tastbaar aanwezig waren. Ik vond dat overdreven."

Van Os: "Tegen kerst las mijn vader vroeger altijd het verhaal 'Kathedraal' van Aart van der Leeuw voor. Dat ging over mensen in een middeleeuwse stad die niets dan ruzie maakten en elkaar naar het leven stonden. Maar als dan de klok wordt geluid gaan ze eendrachtig bouwen aan de kathedraal die de stad moet bekronen. Sentimenteler kan het niet. Ongelukkigerwijs vond ik dat een fantastisch verhaal, ik kon het niet vaak genoeg horen. Dus toen ik als jongen in '58 voor het eerst in Siena kwam en daar die kathedraal zag in die gave middeleeuwse stad, toen dacht ik: zo is het dus in het echt. Ik voelde ook heel sterk: hier blijf ik mijn leven mee bezig."

Schmidt: "Die excursies werden door hoogleraren ook een beetje benut om studenten te werven. Hij heeft mij toen gezegd dat er wel mogelijkheden waren in geval ik verder wilde gaan in die middeleeuwse kunst."

Van Os: "Het was een bijzondere jaargang, de zijne. Er werd met een grote intensiteit gewerkt. Ik zal nooit vergeten hoe ze na een bezoek aan een villa met heel mooie schilderingen, langdurig discussieerden over de vraag of de dakgoten geheel oorspronkelijk, half oorspronkelijk danwel in het geheel niet oorspronkelijk waren. Dat soort details kon die mensen in opwinding brengen. Ik heb weinig studenten meegemaakt die dan 's avonds in een bibliotheek het antwoord op die vraag gaan zoeken."

Schmidt: "Hij was zo inspirerend doordat hij de zaak zo wist te brengen dat dat waar je naar keek niet alleen zo mooi was, maar je er ook interessante vragen bij kon stellen."

Van Os: "Je kunt zeggen: dat schilderij daar, dat is een stilleven. Punt. Maar je kunt ook zeggen: op dat Italiaanse stilleven staat een zilveren schotel die uit Nederland afkomstig is. Dan denk je: hoe kan dat? En dan heb ik je. Dus ook in de wetenschap moet je vragen oproepen waarvan mensen denken: he, dat is wat!"

Schmidt: "Hij benaderde objecten bij voorkeur vanuit hun cultuur-historische context."

Van Os: "Je kunt je interesseren voor de stijl van een schilderij, voor de voorstelling, maar ook voor de vragen als: waarom die stijl en waarom die voorstelling? Ik heb de moeilijkheid dat ik al die dingen interessant vind. Maar het belangrijkste is toch dat ik een kunstwerk kan zien als een visueel document van het verleden. Dus mensen die heel erg veel prevelen over eeuwige schoonheid en hun historische benadering sterk laten voeden door hun esthetische opwinding, vind ik niet zo prettig."

Schmidt: "Hij keek bij voorkeur naar functionele categorieen en dat was toen nog helemaal niet zo ingeburgerd. De boeken die hij schreef over de altaarstukken van Siena zijn daar een heel duidelijk voorbeeld van. En zijn aandacht ging vooral uit naar de vraag: hoe hebben die voorwerpen gefunctioneerd in hun oorspronkelijke context? Punt is vaak: de context is weg. Of de context is er nog wel maar de stukken zijn in musea beland. Veel van die grote, vroeg-Italiaanse panelen zijn al in de vorige eeuw verzaagd. Ze hadden vaak geen functie meer en stonden in de sacristie om vervolgens verkwanseld te worden. Je kunt het vergelijken met een oud boek waar je alle prenten uitscheurt die je afzonderlijk verkoopt omdat dat meer opbrengt dan het boek met alle prenten er in. Zo zijn delen van die panelen overal ter wereld terecht gekomen."

Van Os: "Pas geleden heeft iemand van een stuk waar ik ontzettend lang op heb gewerkt, een document gevonden: van het groot altaarstuk van de kerk van de Fransiscanen in Borgo San Sepolcro. Delen van dat stuk zijn te vinden in het Louvre in Parijs, in Leningrad, in Florence. In die brief zetten de opdrachtgevers, de Fransiscanen, uiteen aan welke voorschriften het stuk moet voldoen. Het doet mij innig deugd dat het is gegaan zoals ik eerder in mijn boek heb geschreven: de opdrachtgevers kozen de scenes en voorstellingen, de kunstenaar kreeg de vrijheid die naar eigen idee uit te beelden. Dat er nu een bevestiging is gevonden van het vermoeden dat ik destijds al heb uitgesproken, behoort tot de leukste voldoeningen die ik ken."

Schmidt: "Van hem leerde ik dat er een methodische reflectie op het vak moet zijn: als je voorwerpen uit vroeger tijd bestudeert dan is dat wat je erin ziet voor een belangrijk deel gevormd door de literatuur die erover is verschenen. Voor zover je ideeen afwijken van die van onderzoekers die je voor waren, is het goed om je te realiseren hoe ze tot stand zijn gekomen. Tegelijkertijd zie je ook dat de vragen die je zelf aan het materiaal stelt natuurlijk ook door de tijd kunnen worden achterhaald. Probleem is: daar kun je je niet boven verheffen, je kunt jezelf nu eenmaal niet zoals de baron van Munchhausen aan het puntje van je pruik uit het moeras trekken. Henk heeft er altijd op gehamerd: als je schrijft dat er iets in de visie van die ander niet deugt moet je er altijd zelf iets tegenover stellen."

Van Os: "Er zijn vakgenoten die een onderzoek opbouwen door eerst te bewijzen wat een ontzettende stomkoppen de mensen waren die eerder aan dat onderwerp hebben gewerkt. Daar heb ik een geweldige hekel aan. Dat toont een gebrek aan respect voor de kunstgeschiedenis. De gewoonte om ten koste van anderen - ook mensen die er al lang niet meer zijn - je eigen onderzoek te profileren vind ik een onaangename manier van doen. Ik zie liever dat kort wordt duidelijk gemaakt: dit zijn de onderzoekingen tot nu toe, en die hebben dat en dat bijgedragen en ik ga nu dit doen. Dus mensen die schreven: het voorgaande is allemaal onzin, nu komt het pas - daar kon ik vrij klierig over zijn. Van de studenten die ik heb opgeleid, is er eigenlijk niemand die dat zo doet."

Schmidt: "Hij schreef over het boek van Millard Meiss 'Paintings in Florence and Siena after the black death' dat ruim veertig jaar geleden is verschenen. Daarin laat Meiss zien dat bepaalde stijlveranderingen het gevolg waren van de grote pestepidemie in 1348. Punt is: het is nog steeds een goede studie, maar het klopt niet. Dat kun je aantonen door te laten zien dat stilistische veranderingen al voor de epidemie zijn gesignaleerd - dus die epidemie kan geen oorzaak zijn geweest. Hij concludeerde dat en stelde er vervolgens iets tegenover. Hij liet zien hoe die visie van Meiss tot stand is gekomen, hij plaatste die in de historiografische context: Meiss beschreef de impact van een pestepidemie in een periode waarin de tweede wereldoorlog nog vers in het geheugen lag. Met dit hele verhaal bedoel ik: je kunt alleen zinvol op een onderwerp studeren als je je ervan bewust bent hoe die erfenis aan eerdere, beeldbepalende studies tot stand is gekomen. Dat heb ik in zijn onderwijs en publikaties altijd erg belangrijk gevonden."

Van Os: "Hij viel meteen in zijn eerste jaar op door zijn mateloze interesse in kunstgeschiedenis. Toen hij kwam, wist hij al veel en hij wilde nog veel meer weten hetgeen hij duidelijk liet merken. In die zin was hij een van de meest gemotiveerde studenten die ik heb gekend. Echt bezeten van de kunstgeschiedenis."

Schmidt: "Mijn vader had een duidelijke belangstelling voor kunst, er hingen dingen thuis. Tijdens vakanties werd veel bekeken. Het was vrij duidelijk dat ik me met middeleeuwse kunst zou bezighouden."

Van Os: "Hij kon goed Latijn lezen - zijn vader was latinist - hij had een heleboel voor op de anderen. In het begin vroeg ik hem: heb je dit gelezen en dat. Maar al gauw vroeg hij mij of ik bepaalde dingen had gelezen. Victor was van het 'Dat zegt u en nu weet ik ook nog dit. . .'-type. En dan was er nog een jaargenoot van hem die was van het 'Dat-zegt-u-nu-wel-maar. . .'-type. In beide gevallen zorgt dat voor geluid in de kamer. Niets is zo erg als een groep passieve studenten."

Schmidt: "Het gaat hem meer om de grote lijnen, het zoeken naar relevante vragen voor kunsthistorisch onderzoek. Voor gedetailleerd gepriegel heeft hij het geduld niet. Ik ben zelf meer geneigd tot in de details te werken, met het gevaar dat je oeverloos blijft emmeren over kleine dingen en je door de bomen het bos niet meer ziet."

Van Os: "Mijn leermeester, Millard Meiss, kon me weleens peinzend aankijken als ik hem vertelde over iets waarop ik was gestuit. Dan zei hij: 'What is your problem, Henk?' Dat heb ik ook weleens tegen Victor moeten zeggen. Bedoelend: wat moet je daar nu allemaal mee, met al die dingen. Wat is je wetenschappelijke invalshoek? Wat is het snoer waar je al die prachtige kralen aan wilt rijgen?

Schmidt: "Dat je veel hebt uitgezocht en veel weet, wil nog niet zeggen dat je alles moet opschrijven. Hij zei dan dat ik moest kiezen: een onderwerp in de breedte of in de diepte behandelen. Ik wilde altijd allebei. En als dat tot niets leidde, kreeg je een tik op je neus van hem."

Van Os: "Dat omnivorische heeft hij altijd gehouden. Mijn taak was vooral om dat geconcentreerd te houden en communicabel te maken voor mensen die zelf niet zulke omnivoren zijn. Als je erg veel dingen nevenschikt dan is het de vraag of er nog wel een publiek voor is. Iets mag wel specialistisch zijn maar het moet een zekere spanning houden."

Schmidt: "Het is gebeurd dat ik het begin van een hoofdstuk voor mijn proefschrift van hem terugkreeg en dat er diagonaal een streep door stond met de opmerking: 'als je wilt dat iemand doorleest moet je vooral niet zo beginnen'. Dat is dan even schrikken maar hij had absoluut gelijk, het was gewoon beroerd opgeschreven."

Van Os: "Hij had iets raspaardjesachtigs, iets dat maakte dat je meer aan hem trok. Mijn andere leermeester - Schulte Nordholt - liet mij een keer een hoofdstuk drie keer in zijn geheel overschrijven. Derde keer keek hij me aan en zei: 'Nu verdom je het verder, he?' Ik knikte van ja. 'Maar nu kan het ook niet beter', zei hij toen. Dat is iets wat je heel goed bij iedereen moet beseffen: als je zoiets begeleidt, moet je eruit halen wat er in zit. En ook niet meer dan dat. Ik heb weleens met verbijstering aangezien hoe anderen promotiestudenten jaren lieten ploeteren en daarmee een enorm geestelijk beslag op die mensen legden. Ik heb altijd gevonden dat die operatie niet te lang moest duren."

Schmidt: "Hij heeft een keer ingegrepen omdat hij vond dat het te langzaam ging."

Van Os: "Proefschriften zijn toch vooral proeven van bekwaamheid. Als het allemaal te lang duurt dan is dat niet goed voor de ontwikkeling van iemand."

Schmidt: "Als hij hoogleraar was gebleven had hij zich moeten aanpassen. De tijdsdruk is nu veel groter geworden, de promotor moet veel intensiever begeleiden."

Van Os: "Ik ging er altijd van uit dat studenten volwassen mensen waren die hoogstens wat bijgestuurd moesten worden en behoed voor valkuilen. Ik was er altijd zeer op gebrand dat mensen eigen onderwerpen bedachten voor promotieonderzoeken. Ik vind dat er nu op de universiteiten een groot infantiliseringsproces aan de gang is. Mensen moeten solliciteren om onderzoek te doen waarop ze kunnen promoveren. Dat klinkt in mijn oren alsof je met een krijtje op het bord krast."

Schmidt: "Op een gegeven moment heb ik besloten niet te promoveren op de vroegItaliaanse schilderkunst omdat ik me realiseerde: het niveau waarop hij terecht is gekomen, zal ik nooit kunnen halen. Dus mijn onderzoek - naar de luchtvaart van Alexander de Grote - lag daar geheel buiten. Zo kon ik laten zien dat ik iets geheel op eigen kracht kon uitvoeren."

Van Os: "Dat onderwerp was een kolfje naar Victors hand. Omdat die voorstellingen door de hele middeleeuwse kunst heen op van alles en nog wat voorkomen. Hij kon overal rondkrollen. Bovendien waren ze niet zo makkelijk te vinden dus het was ook nog lekker moeilijk. Het interessante was dat je bij al die voorstellingen steeds de context moest achterhalen om te zien wat ermee bedoeld was, of het positief of negatief was. Aan de ene kant kon je zeggen: Alexanders luchtvaart was een teken van hoogmoed, die man wil alleen maar hoger en hoger. Aan de andere kant kon je zeggen: dat was een fantastisch avontuur, tsjonge, tsjonge, die Alexander toch! Dus de betekenis verschilde per context. Alexander die voorkomt in een mozaiekvloer: pas als je die hele vloer kende en ook nog wist in welke richting je erover moest lopen, kon je de betekenis begrijpen. Dat maakte Victor duidelijk."

Schmidt: "Ik zou weleens uitgebreid van hem willen horen hoe het was toen hij begon, destijds in Siena. Hij was een van de eersten."

Van Os: "Ik was echt de enige, op een meneer na: Enzo Carli, de directeur van het museum in Siena. Dat is heel lang zo gebleven: ik de ene, jij de ander. Ze noemden me daar de 'onbetaalde ambtenaar van het museum'. Nu is die stad een van de grootste topics in de kunstgeschiedenis. De euforie was er voortdurend, we vonden prachtige dingen. Maar het was ook eenzaam soms, als je in de winter een maand in een hotelkamer zonder ramen zat, er twee slechte films in de week draaiden en alleen maar winkelmeisjes waren om eens in de week in de disco mee te dansen."

Schmidt: "Op de universiteit, toen hij nog studeerde, was alles ook zo kleinschalig. Ze zaten op een verdieping, iedereen kende iedereen. Nu is het zo massaal."

Van Os: "Iedereen gaf ons wel het gevoel dat wij volstrekt onmaatschappelijk bezig waren. Mijn vader hield me voor dat ik hoogstens geschiedenisleraar kon worden, dat er geen cent mee te verdienen was want, zo zei hij, 'directeur van het Rijksmuseum word je toch nooit'. Bovendien, ook kunsthistorici vonden: wat moet je daar in hemelsnaam, in Siena?"

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden