Column

Leerling L. werd dun, zijn wallen dik; het leven drukte hem in de hoek

Beeld Maartje Geels

De student was langslank, had pretogen en gemillimeterd haar. We noemen hem L. Hij was mijn mentorstudent en tijdens het mentoraat hielden de eerstejaarsstudenten een spreekbeurt om elkaar beter te leren kennen. De meesten vertelden over hun hobby of een bijzondere vakantie. L. niet.

Hij blies zijn engagement de klas in. Hij vertelde over de gifgasaanvallen van Saddam Hoessein op het Noord-Iraakse Halabja (Koerdistan) en hoe Nederland via de gifgashandelaar Frans van Anraat bij die misdaad was betrokken.

Na zijn presentatie was alleen de zoem van de beamer te horen.

In het begin bleef L. na een werkgroep na om een vraag te stellen, die meestal niets met de lesstof van doen had. Soms kon ik niet eens meepraten, zoals toen hij vroeg wat ik van Victor Hugo’s roman ‘Les Misérables’ vond. “Mag een arm persoon, zoals Valjean, een brood stelen?”

Ik had het boek niet gelezen.

Gemompel

Toen dimde plots het licht in zijn ogen. In de klas deed L. zijn jas niet meer uit. Met zijn kin trok hij voortdurend de jashals omhoog, zodat een deel van zijn hoofd in het gat kon verdwijnen. Hij stapte direct na de lessen op, bleef niet meer voor een praatje.

Natuurlijk vroeg ik wat er was en of ik kon helpen. Gemompel viel mij ten deel. Totdat het leven L. in de hoek drukte. De officier van justitie zou drie weken eisen, vertelde hij. Een stom vergrijp van jaren geleden was nu pas door het Openbaar Ministerie in behandeling genomen. L. vroeg of ik mee wilde naar de rechtszitting.

Vlak voor de bode ons naar de rechtszaal begeleidde, kwam de advocate van L. de hal van het rechtsgebouw binnengestormd. “Ga ervan uit dat je gaat zitten”, zei ze terwijl ze de toga over haar hoofd trok.

De rechter was aardig en streng. Ze vroeg aan mij hoe L. het op school deed. “Je mag blijven zitten, hoor,” zei de rechter, waarmee ze mij behoedde voor een flater – ik wilde zoals in de film opstaan.

Claustrofobische fantasieën

Nadat ik haar vertelde over de positieve schoolgang van L. sprak de rechter woorden die ik nooit meer vergeet: “Niemand is beter geworden van de gevangenis.”

In de weken erna werd L. dunner, zijn oogwallen dikker. Hij moet in die dagen tot de uitspraak door een hel zijn gegaan. Ik nam het werk mee naar huis, zoals je dat zegt, en had claustrofobische fantasieën over het moment dat de celdeur dichtviel.

Na drie weken bleef L., sinds lange tijd, na een werkgroep na om te praten. Het vonnis had hem bereikt, hij hoefde niet naar de gevangenis.

L. haalde zijn diploma, vond een baan en trouwde zijn geliefde.

Asis Aynan (1980) studeerde filosofie en doceert op de Hogeschool van Amsterdam. Hij is de bedenker van de BerberBibliotheek en schreef onder meer ‘Ik, Driss en Gebed zonder eind’ (2010). Dit is zijn laatste column. Zijn eerdere columns leest u hier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden