Lausanne

Zaterdag, daags na de match tegen Frankrijk, maakte ik de pelgrimage. Reisde naar Lausanne, de elegante stad aan het Meer van Genève, een stad voor mensen met sterke benen. Steil tegen de heuvel opgebouwd heeft men haar, een stad dus van niveau: het olympisch stadion ligt zo’n driehonderd meter hoger dan het havenfront, en dat binnen één buszone op de strippenkaart. Ik zag in de stad mensen op mountainbikes, maar die gingen –heel raadselachtig– alleen bergaf.

Die namiddag was er in dat olympisch stadion een openbare training van Oranje en dichter zou ik niet bij onze nationale goden kunnen komen. Maar eerst kroop ik vanaf het station op blote knieën naar beneden, naar het meer, naar dat paleis dat ze Beau Rivage noemen, waar onze goden op hoge verdiepingen en in classicistisch ingerichte vertrekken bekomen van hun inspanningen, met aan hun voeten dat wonderschone meer en aan de overkant de blauwe Alpen van de Savoy –het is stil aan de overkant, neuriën ze als ze naar bed gaan.

Zouden ze ’s avonds dineren in die hemelse barokke koepelzaal, de Salle Sandoz? We weten het niet, want de discretie van het hotel is zo hermetisch als het Zwitsers bankgeheim. Ik haalde niet eens de receptie.

Wel de bar, met een terras naar het meer, maar de doorgang naar het hotelbinnenste was door drie beveiligers versperd. De bar, verder kwamen ook de Oranjefans niet. De bar, in de hotelbrochure omschreven als sophisticated en elegant, maar toen ik er arriveerde stond er midden in de gang een man in korte broek, met teenslippers en een oranje shirt met daarop de tekst: ’Zo. En nu een Bavaria.’ Iets verderop, languit weggezakt in de fauteuils, lagen zijn kortgeschoren kornuiten van wie er één heel hard en met Twents accent ’Drie bier en een rosé!’ richting de bar riep. Buiten, op het terras, stonden weer anderen zo luid mogelijk tegen de monumentale gevel op te roepen, omdat ze meenden op een van de balkons Gianni van Bronckhorst te bespeuren. ’Gio! Gio! Gio!’ galmde het onder de diepgroene parasols en over de loungestoelen heen, waar verstoorde hotelgasten, de linnen jasjes losjes over de schouders, de dure zonnebril in het haar, stijlvol hun aperitief tot zich poogden te nemen. Ikzelf waagde nog een prosecco te bestellen, maar kreeg beleefd te verstaan dat men alleen champagne schonk. Mijn begeerte werd nog even gewekt door de fraaie porseleinen hotelasbakken die, net buiten het zicht, naast de bar stonden opgestapeld –ze hadden gemeend zelfs die in veiligheid te moeten brengen.

En de training? Die verliep zoals trainingen verlopen, met achtduizend man uitzinnig publiek, dat zelfs het sukkelende uitlopen toezong, als een schare toegewijde pelgrims, gelukzalig met hun goden vereend. Ik betrapte mezelf erop heel hard ’Boula, Boula, Boula!’ mee te scanderen, voor Khalid, terwijl Ruud van Nistelrooij, de goddelijke, met zijn rechterarm het ritme dicteerde.

Toen we weggingen kusten we allemaal nog even ons klapstoeltje.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden