Lauritzen ziet in Noors wielrennen nieuwe uitdaging

Het 46 namen tellende organisatiecomite van de WK wielrennen laat weinig aan het toeval over om het evenement tot een succes te maken. Een van de actiepunten was het verlengen van de profcarriere van de bekendste coureur die Noorwegen momenteel kent. Dag-Otto Lauritzen rijdt dit seizoen in het shirt van TVM, zonder dat de sponsor daarvoor diep in de buidel moet tasten. Het iets meer dan modale salaris wordt onttrokken aan het WK-budget.

Ineens stond hij daar, op een regenachtige januaridag, tijdens de ploegvoorstelling van Cees Priem in Vaals. En heel opvallend lagen er tussen het informatiemateriaal van de ploeg brochures over de WK wielrennen, toen nog een ver-van-ieders-bed-show. De afzender: Dag Otto Lauritzen. “In het seizoen heb ik hetzelfde gedaan. Vaak ging ik na de wedstrijd even naar de perszaal om wat persmapjes neer te leggen en gesprekjes met journalisten aan te knopen”, vertelt hij. In minstens drie gevallen maakte Lauritzen ook op een andere manier promotie. Eind maart bezorgde hij in de Driedaagse van De Panne Priem zijn eerste (!) ploegsucces. In de Vuelta en de Ronde van Groot-Brittannie won de Noor ook al een etappe. Dat laatste was overigens niet gebeurd, wanneer hij er niet in was geslaagd de Engelse douane te misleiden. Bij aankomst in het Verenigd Koninkrijk merkte Lauritzen dat hij zijn paspoort had vergeten. Hij wist de douanebeambte ervan te overtuigen dat hij politie-agent was en mocht doorlopen.

Het was een 'grijs' leugentje. Voor hij om therapeutische redenen op de fiets klom, maakte Lauritzen deel uit van de speciale anti-terroristenbrigade van de Noorse politie. Als jongen zat de coureur het avontuur, de drang om in de moeilijkst denkbare omstandigheden te overleven, al in het bloed. Mede daardoor kan hij anno 1993 nog steeds de barre belevenissen in zijn herinnering oproepen. “Na mijn schooltijd ben ik als vrijwilliger bij het leger gegaan. Ik was toen 18. Na vijf weken training mocht ik bij de paracommando's. We waren met duizend man, maar tijdens een speciale testweek slaagden slechts 35 voor het examen.

We moeten die week in de hel hebben gezeten. We trokken de bergen in, sliepen in de ijzige kou in Noord-Noorwegen en moesten diepzeeduiken. Ik heb mezelf leren kennen in die periode.''

De dood in de ogen

Lauritzen slaagde met glans en beschouwde de aanstelling bij de antiterroristenbrigade als een kroon op zijn werk. Een ongeval met een parachute dwong hem er toe de uitdaging op een ander vlak te zoeken.

“Ieder jaar ging ik gedurende twee weken op herhaling bij de paracommando's. In 1980 kreeg ik daar een ernstig ongeluk. Ik sprong bij het parachutespringen uit het vliegtuig, maar bleef met mijn uitrusting haken. Ik lag op mijn rug en tolde in het rond. Toen ik eindelijk de parachute kon openen, gaf dat zo'n klap dat ik bewusteloos raakte. Toen ik bij kennis kwam, hing ik verstrikt in de touwen. Ik keek op dat moment de dood in de ogen. Met een klap kwam ik neer op de grond. In mijn knie was alles kapot. Alleen de huid hield de boel nog aan elkaar.

De dokter zei dat ik mij honderd procent invalide kon laten verklaren.

Het been zou altijd stijf blijven. Dat viel mee, maar ik kan mijn knie nog steeds niet helemaal buigen. In cijfers uitgedrukt ben ik voor vijftien procent invalide.''

Blijvende invaliditeit, Lauritzen moest er niet aan denken. “Ik ging keihard aan mijn herstel werken. Eerst drie maanden als liggend patient, daarna nog twee maanden therapie met de been in het gips. Op de dag dat het gips er af mocht, sloot ik een weddenschap met mijn vriend. Voor een krat bier moest ik op krukken van mijn huis in Grymstad naar Kristiansand, zestig kilometer verderop, lopen. Dat was geen probleem.

Bij de commando's had ik immers geleerd te overleven. Die ervaring kwam me nu goed van pas. Het was de eerste keer dat ik in de krant stond'', voegt hij er fijntjes aan toe.

Als bestrijder van gewapende criminelen kon Lauritzen niet terug bij de politie, in een kantoorfunctie wel. Dat zag en ziet hij niet zitten.

“Ik ben een echte familieman, maar in een van negen tot vijf-baan word ik ongelukkig. Mocht ik na mijn sportieve loopbaan terugkeren bij de politie, dan in een functie die met speciale projekten heeft te maken.” Een jaar na het bijna fatale ongeluk werd Lauritzen wielrenner. “In mijn jeugd heb ik nooit aan competitiesport gedaan”, vertelt Lauritzen.

“Ik zocht wel naar uitdagingen, maar bepaald niet als sportman. Ik kocht in '81 dan ook een racefiets zonder te beseffen waar ik mijn geld aan uitgaf. Als krantenjongen had ik op een gewone fiets gereden, dat was alles.”

De start als wielrenner was niettemin stormachtig. Hij viel er niet af, maar won al snel wedstrijdjes in de buurt. “In 1982 zat ik reeds in de Noorse ploeg. Ik wilde meteen naar de Olympische Spelen van Los Angeles.

Het cyclisme was in no time mijn wereld geworden. De wil, de discipline, de opofferingen, ik kende het allemaal nog van vroeger. Ik heb de zestien wedstrijden in mijn leven als beroepsrenner niet door mijn talent gewonnen. Ik ben geen klimmer en ook geen sprinter, ik moet het van mijn karakter hebben. Wedstrijden win ik door aan te vallen en niet op te geven.''

Gekke gewaarwording

Op de Spelen van 1984 won Lauritzen achter Alexi Grewal en Steve Bauer verrassend het brons. Kampioen Grewal beleefde slechts een kortstondige profcarriere (ondermeer bij Raas), Bauer was vorig jaar bij Hennie Kuiper nog de ploeggenoot van de Noor. In Amerikaanse dienst (eerst 7-Eleven, later Motorola) ontmoette Lauritzen ook ploegarts Eric Heiden.

“Een gekke gewaarwording was dat voor mij als Noor. Ik wist natuurlijk veel meer van schaatsen dan van wielrennen. Maar in het wielrennen kende niemand Heiden als schaatser. Het heeft mij geholpen om bekend te worden in Noorwegen.”

In Oslo, driehonderd kilometer van zijn geboorteplaats, wordt de voornamelijk in het Belgische Gullegem wonende Lauritzen af en toe herkend op straat. Misschien was hem de stardom van Knut Knudsen, de Olympische achtervolgingskampioen van Munchen (1972), ten deel gevallen als hij in 1990 een uitgelezen kans op de wereldtitel had kunnen verzilveren. “Dat WK in Japan is nog altijd mijn grootste frustratie.

Ik had daar wereldkampioen kunnen en vooral moeten worden. Ik was alleen voorop met Dirk de Wolf. Achter ons dook Rudy Dhaenens op. De Wolf keek om, zwaaide met zijn hand en trok mij mee in een val. Dirk kon doorfietsen, ik niet. Dhaenens (die de regenboogtrui veroverde - red.) en De Wolf bleven tenslotte voorop. Ik ben er lang heel down van geweest. Die titel was voor mij geweest. Ik kon die dag niet kapot. De video van het fatale moment heb ik nog steeds niet teruggezien. Ik kan dat niet aan.''

Wellicht had Lauritzen dan nu niet voor een veredeld hongerloontje bij Priem gezeten. De Zeeuw had alleen plaats voor hem als een sponsor zijn salaris wilde betalen. Het Noorse organisatiecomite van de WK zag in Lauritzen een prima uithangbord, waar het ruim vijftig mille voor overhad. Met wedstrijdpremies kan de coureur zijn inkomen nog wat opvijzelen. Opgeruimd ondergaat Lauritzen dat lot. “Ze betalen me bij TVM lang niet naar mijn waarde. Maar ach, ik maak me er niet druk om. De ploeg behandelt me goed. Ik ben blij met Priem en denk dat ik nuttig ben voor het team.”

Wurlitzer

Na zijn afscheid - voorlopig voorzien in een speciaal ter zijner ere georganiseerd criterium in Grymstad, kort na het WK - hoopt Lauritzen twee 'levenswensen' te vervullen: in Scheveningen een klassieke Wurlitzer (zo'n authentieke jukebox) kopen, en in Noorwegen het wielrennen van de grond tillen. Het eerste zal met de hulp van kenner Jelle Nijdam wel lukken, het tweede is een stuk lastiger te realiseren.

De Noorse inbreng op het WK in eigen land is gering. Het is al heel wat dat er initiatieven ontkiemen om de demontabele houten piste van Hamar in Oslo op te slaan en mettertijd als permanente baan weer op te bouwen.

Aanvankelijk was de open haard de finale bestemming.

Nu de renners nog. Bij de profs strijden behalve Lauritzen Kvalsvoll (mits hersteld van zijn zware val in de Classique des Alpes), de talenten Namtved en Stenersen, alsmede de van stal gehaalde ex-beroepsrenner Atle Pedersen om een zo goed mogelijke klassering. “De Noren weten niet wat er tijdens het WK op ze afkomt,” denkt de veteraan. “Zoals jullie in Nederland nauwelijks iets van cross country-skien of de Noordse combinatie afweten, zo weten de Noren weinig van wielrennen. Raar is dat eigenlijk. Ik heb mij er trouwens ook altijd over verbaasd dat jullie in Nederland zo gek zijn van schaatsen en dat die sport in Belgie absoluut niet leeft.”

“Een sport floreert bij de gratie van grote namen. Kvalsvoll is een hele goede renner. Jammer dat hij door die val in de Alpen lange tijd was uitgeschakeld. Hij droeg geen helm. Dat was het domste dat hij kon doen. Ik draag er altijd een, ook in de cols, als het bloedheet is.

Liever een warm hoofd dan een kapot hoofd. Dit jaar smakte ik in GentWevelgem met mijn hoofd tegen de straat. Als ik toen geen helm had opgehad, had ik hier nu niet met jou zitten praten.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden