Laten we de canon maar niet te ernstig nemen

Rekenen is op alle scholen hetzelfde. Dat geldt niet voor geschiedenis. Daarbij spelen twee zaken een rol: verschil in visie en selectie van de feiten.

Aankomende pabo-studenten zijn niet goed in rekenen, zo meldden de kranten. Ze hebben het moeilijk met sommen als 51/3 : 23/4. Die achterstand zullen ze moeten inhalen, daar hebben alle scholen belang bij. Dat geldt voor alle scholen zonder uitzondering, want overal worden dezelfde sommen gemaakt. En zo heeft ieder kind er ook belang bij, dat het goed onderwijs krijgt in de geschiedenis. Maar maakt het in dat geval al evenmin verschil, aan welke school dat vak wordt onderwezen?

De feiten zijn dezelfde, en elke leerling moet weten wanneer en waarom Willem van Oranje is vermoord, of wat de Fransen bewoog in 1795 ons land binnen te vallen. Zo gezien kun je ook voor alle scholen op dezelfde manier aangeven aan welke minimumeisen het onderwijs in de vaderlandse geschiedenis moet voldoen. Zo’n program noemen we een canon, en dat is wat de commissie-Van Oostrom nu heeft ontworpen. De canon omvat, zoals de Onderwijsraad het eens omschreef, ’die waardevolle onderdelen van onze cultuur en geschiedenis, die we via het onderwijs aan nieuwe generaties willen overbrengen’.

Dat kan natuurlijk, maar het ligt toch anders dan met het vermenigvuldigen en delen van breukgetallen. Toen de Amsterdamse schoolmeester Herman Lankamp honderd jaar geleden een leerplan voor de vaderlandse geschiedenis samenstelde, beklemtoonde hij, dat geschiedenis meer dan enig ander vak een principiële benadering vroeg. Dan gaat het altijd om twee dingen. Het eerste is de manier waarop je het verhaal vertelt. Je kunt zeggen dat Luther en Calvijn de kerk tot reformatie gebracht hebben. Je kunt ook zeggen dat ze de kerk hebben gescheurd en geschaad. Zo’n verschil in visie komt telkens terug: de synode van Dordrecht, de Bataafse revolutie, de schoolstrijd – haast bij alles dat het puur materiële te boven gaat.

Een tweede punt hangt direct met dat verschil in visie samen. Dat betreft de selectie van de feiten. In een leerboek voor het middelbaar onderwijs heb ik eens een beschouwing aangetroffen over de reformatie van de zestiende eeuw. Het boek verklaarde die uit drie oorzaken. Daar was ten eerste de herleefde belangstelling voor de klassieke oudheid. Wetenschap ging studie maken van geschriften uit de Griekse en Romeinse tijd, dus ook van het nieuwe testament. Daar was ten tweede de opkomst van de nationale staten. Koningen wilden meester zijn in hun eigen land, daarom ook meester in eigen kerk. Ten derde waren er de sociale en economische veranderingen van de zestiende eeuw. Die bewerkten de opkomst van een mondige burgerij, die zich ook in de kerk op eigen oordeel wilde verlaten. Het sluit allemaal prachtig in elkaar, maar het enige dat niet verklaard wordt is de reformatie zelf. Noch mondige burgers, noch zelfbewuste koningen, noch nieuwsgierige geleerden hebben de kerkhervormers gebracht tot het sola fide, sola scriptura en sola gratia van de reformatie (alleen door het geloof, de Schrift en genade). Je hebt wel een hoop feiten over de reformatie vermeld, maar de meest centrale weggelaten.

Dat hoeft niet te pleiten tegen een canon. Als daarin ruimte wordt gegeven voor de behandeling van de reformatie is dat genoeg. Het is zelfs nog genoeg, als de commissie in haar eigen rapport een benadering zou kiezen die aan het sola fide geen aandacht geeft. Ik neem tenminste aan dat het de canon als zodanig is die ons wordt aangeboden, en niet de nadere uitleg waarmee de commissie haar keuzen motiveert. Onderwijs moet vrij zijn alle onderdelen zelf toe te lichten zoals het die zelf ziet.

Toch heeft het zijn problemen, zo’n canon met verplichte nummers. Je mag niets laten vallen, het zijn immers allemaal ’waardevolle onderdelen van onze cultuur en geschiedenis, die we via het onderwijs aan nieuwe generaties willen overbrengen’. Is dat echt gemeend, dan mag je niet schrappen of ruilen. Je mag niet zeggen: geef mij Vondel en Cats in ruil voor Annie M. G. Schmidt. Als de canon meer is dan een spijskaart, dan kan er niets af. Er kan wel wat bij, maar dan moet je je leerlingen zwaarder belasten.

Het kan zijn, en dat is wat ik eigenlijk hoop, dat de canon – ondanks de dwingerige definitie – toch zal worden aangeboden als een richtlijn en niet als een voorschrift. En wat ik zeker vrees, is dat de hele discussie erover iets schimmigs en onwerkelijks zal houden. Wie een toren wil bouwen moet eerst de kosten becijferen, en wie een canon opstelt moet zich rekenschap geven van het aantal uren dat de school daarvoor heeft. Binnen die armzalige ruimte zal het toch allemaal moeten gebeuren. Laten we dus de canon niet te ernstig nemen, zelfs als de rapporteurs het verdiend zouden hebben.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden