Essay

Laten we buren worden

Beeld Thinkstock

De toekomst is niet aan landen, maar aan steden, zei de onlangs overleden politicoloog Benjamin Barber. De burgemeester kan in de leer bij de oude buurtschap.

Het bod op het boek was geaccepteerd. “Kom je het halen?” De toon was familiair, al had ik geen idee wie de verkoper was. Dezelfde avond nog reed ik naar de andere kant van het eiland en voelde weer even het restant van de wreveligheid die ik, geboren op de Oostkust, had meegekregen jegens de noordkop van Texel, en hoe idioot ik het ooit had gevonden dat op de middelbare school kinderen uit beide contreien bij elkaar waren gezet.

De verkoper bleek een oud-schoolgenote, getrouwd met een vreemde naam, maar behept met dezelfde herinnering: ze sprak me aan op de clichés die mijn dorp aankleefden, van religieuze intolerantie. En dat zij daar geen last van had.

Ik verbaasde me over de levensduur van sentimenten. Hoe oud die waren? Ik ben ermee opgegroeid, met de verhalen van elkaar bestrijdende groepen en de nabranders ervan heb ik meegekregen.

Afgelopen week herlas ik het boek, een studie over buurtschappen op Texel. Aanleiding was het bericht over de dood van Benjamin Barber. De Amerikaanse politicoloog reisde de wereld over met zijn boodschap over burgemeesters (‘Als burgemeesters zouden regeren’): van hen moesten we het hebben. Ik herinnerde me een interview in Letter&Geest, waardoor ik de waarde zag van Swiebertje’s burgemeester nieuwe stijl: die kan wereldproblemen aan.

Barber kondigde het einde van landen aan, de toekomst was aan de steden, “de enige plaatsen op de wereld waar democratie nog steeds werkt. In de stad draait het om het oplossen van dagelijkse problemen: gezondheid, onderwijs, banen, immigratie - het échte leven.”

Het echte leven. Hoe dat eruit ziet, valt te lezen in een angstaanjagend groot aantal onderzoeken naar het samenleven in het Koninkrijk der Nederlanden. Beter gezegd: naar het haperen daarvan. We mogen dan een gezegende natie zijn met de gelukkigste kinderen ter wereld en een verzorgingsstaat waar utopisten vroeger alleen maar van konden dromen, goed gaat het niet. Als ik de malheur die de vorsers hebben ontdekt mag samenvatten in één woord, dan is dat: kloof. Ik pak er één rapport uit, vrij willekeurig, van het Sociaal en Cultureel Planbureau: ‘Verschil in Nederland’ uit 2014. Het SCP trakteerde de natie op maar liefst zes varianten van de kloof. We zijn, kort samengevat, op alle mogelijke manieren van elkaar verwijderd geraakt.

Kloof

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid bezwoer ons begin dit jaar dat het allemaal wel meeviel (Trouw, 12 januari 2017). Het gapende gat tussen hoog- en laagopgeleid, autochtoon en allochtoon, stad en platteland, rijk en arm is zo diep niet, minder diep in ieder geval dan in andere landen, waar het vertrouwen tussen mensen onderling en in de overheid een stuk lager ligt. En hier heeft de ontzuiling veel tegenstellingen flink afgevlakt.

Maar die kloof, of kloven, zoals het SCP signaleerde, raak je met geruststellende woorden of zelfs het modewoord ‘verbinding’ niet kwijt, nu het vertrouwen in de politiek er niet beter op wordt en de natiestaat, plechtanker van de verzorgingsstaat, haar beste tijd gehad lijkt te hebben.

Die laatste gedachte ontleen ik aan de politiek-filosoof en oud-VVD-ideoloog Frank Ankersmit. Hij denkt dat de stadstaat de toekomst heeft. Na een periode van chaos, waarschijnlijk.

Bij een drastische verandering als het wegkwijnen van staten ontstaat weerstand. Het verlies van nationale zeggenschap roept als vanzelf nationalisme op, een elite die stelt dat we alleen bovennationaal problemen te lijf kunnen, schreeuwt om het behoud van autonomie. Dat is de frictie die dit Europese verkiezingsjaar zo spannend maakt. En laten we America First niet vergeten.

Er is een ontspannener reactie mogelijk, een reactionaire zelfs: terug naar een voor altijd voorbije tijd. Die vind ik in mijn herlezen boek, over buurtschappen. Wat Barber over de toekomst zei, is een verre echo van het verleden. Vergeet de staat. Terug naar de buurt. Wat valt er daarvan te leren?

De buurt

Buurtschappen waren gestoeld op het Friese Landrecht. Onder voorzitterschap van een Buurtheer droegen de Buren - een officiële functie - zorg voor het bedijken van ‘aanwassen’, op de Zuiderzee gewonnen poldertjes. Een keer per jaar vergaderden ze, in het voorjaar, een bijeenkomst die ‘Buureton’ heette. Ze begonnen om uur of negen en vergaderden tot melkerstijd, al liep het nogal eens uit, want ze aten niet alleen krentenbollen en koffie, maar dronken steevast ook rijkelijk ‘bitter’ en ‘klare’.

Zo deden ze dat al sinds de Middeleeuwen: samen zagen ze toe op drinkputten, wegen en brandkolken, soms ook op het onderwijs. Dat was hun bestaansreden. Omdat elke landeigenaar verantwoordelijk was voor het onderhoud aan het stukje dijk dat bij z’n land hoorde, was enige sociale druk geen overbodige luxe. Verwaarlozing van de dijk vormde een existentiële bedreiging voor al het land erachter.

De taken komen me zeer modern voor. Ze namen collectief verantwoordelijkheid voor nutsvoorzieningen en veiligheid. Maar toen de overheid (zoals de waterschappen) die taken beter bleek aan te kunnen, droegen de Buurtschappen hun verantwoordelijkheden aan haar over. Met het resterende geld in de pot maakten de buren bustochtjes: van buurt- naar reisgezelschap. De onttakeling van de middeleeuwse bestuursvorm was compleet, de buurtschappen hebben deze eeuw niet gehaald. Alleen stafkaarten getuigen nog van hun verdampte bestaan.

Of landen hun tijd hebben gehad, zoals Barber beweerde, is maar de vraag; zeker is dat hun functie verbleekt. Bij ideologische botsingen kunnen ze weinig uitrichten. In Nederland hebben ‘patriotten’ Zwarte Piet, in Duitsland willen christen-democraten in de grondwet opnemen dat varkensvlees nuttigen bij de Leitkultur hoort, alles om aan identiteit te doen (en zwarten, dan wel asielzoekers en joden te jennen).

Hier bieden buurt en burgemeester soelaas. In buurtschappen was ideologie niet irrelevant, de burgers waren er zelf van doordesemd. Maar iets in hen, noem het de wijsheid van de Buurtheer, maakte dat ze religieuze scherpslijperijen slim omzeilden. Omdat er andere, overstijgende belangen speelden. Barber: “Een burgemeester laat vuilnis ophalen, die heeft geen tijd voor ideologische haarkloverijen.”

Dat klinkt oppervlakkiger dan het is, het vereist stuurmanskunst, overredingskracht en lenigheid. Die valt te leren van de Buurtheer. Twee voorbeelden. De schrijver van de buurtschappenmonografie ontdekte in een notariële akte dat een nieuw lid ‘met ware woorden, in plaatse van eede’ werd toegelaten als Buur. Dat was dus een doopsgezinde - die mocht niet zweren. Wat veel opmerkelijker is, is dat de buurtschap voor een doopsgezinde openstond. 

We schrijven 1738, de gereformeerde Republiek weerde dopersen uit overheidsfuncties. De staat sloot uit, de buurtschap had dat ook kunnen doen. Maar ze was pragmatischer en verwelkomde de buurman, zo anders als hij was. Zo werd, in al haar krentenbollenkneuterigheid, deze buurtschap diverser dan de staat.

Nog een voorbeeld, anderhalve eeuw later. In 1891 rees er in een buurtschap een probleem rond een ander niet-gereformeerd kandidaat-lid, een rooms-katholiek. De rk kerk mocht zich sinds 1848 weer vrij roeren, maar op het eiland (en elders in Nederland) was daar massief verzet tegen gerezen.

De verhoudingen tussen de verschillende confessies werden er in heel Nederland nog ruim een eeuw grondig door vergald. Volgens een jeugdroman die de sfeer op het eiland uit die tijd ademt, “kenne ze mekaars bloed wel zuupe”. Antropologen die mijn stam hebben bestudeerd, citeren dat graag. Wat ze daarbij onvermeld laten, is dat de polarisatie weliswaar enorm was en ze elkaars bloed wel konden drinken, maar het niet deden.

Dat is een beslissend, en voor polariserend Nederland leerzaam verschil. Waarom liepen de conflicten soms hoog op, maar nooit finaal uit de hand? Dat kwam door de gedeelde en ge-voelde verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld in de buurtschappen. Wat deden ze anno 1891 met een roomse kandidaat-buur? Katholieken mochten tijdens de vastenperiode niet drinken, terwijl de Buureton in de lente viel - in de vastentijd. Een alcoholvrije vergadering was kennelijk geen optie, maar het weren van de katholieke buren al evenmin. Dus wordt de volgende Buureton vastgesteld op een zaterdag vóór de volgende vasten. Waarna men krentenbrood eet en “het samenzijn tot aan het einde toe een aangenamen geest blijft onderhouden en allen van elkaar vriendschappelijk afscheid nemen en huiswaarts keren”.

Op zondag hoorden gereformeerden, dopersen en katholieken van de kansel ongetwijfeld wat onprettigs over de andere gezindten. Maar die kwesties lieten ze wijselijk rusten. Dat levert drie lessen op. Ze waren het eens over zaken die het particuliere belang overstijgen. Ze zagen in dat die doelen alleen sámen te bereiken waren. En ze stapten elegant, maar niet achteloos over religieuze verschillen heen.

Ik denk dat het alleen op die schaal kan: van mensen die elkaar een beetje kennen en elkaar het licht in de ogen gunnen, en weten dat ze het samen moeten rooien. Die nieuwe buurt als bestuursvorm zal niet alle kloven dichten, dat is een illusie, maar de krampachtigheid en besluiteloosheid van landen en hun verbanden kunnen de steden - stadstaten eigenlijk - beter aan, vond Barber: “Juist de stad kan de twee politieke problemen van deze tijd oplossen: steden zijn klein genoeg voor participatie en solidariteit, maar samen groot genoeg om globale kwesties aan te kunnen. Staten zijn juist te groot voor participatie en te klein voor wereldmacht.”

Barber zag haarscherp dat de burgemeester een spilfiguur is geworden - de namen Van der Laan en Aboutaleb spreken in dit opzicht voor zich. Bij wie zij in de leer kunnen gaan, is de Buurtheer. Die wist, met middeleeuwse wijsheid, dat je voor grote zaken (dijkonderhoud, watervoorziening, wegen) elkaar nodig hebt. Dat je elkaar daarvan moet doordringen.

De moderne problemen gaan eigenlijk over hetzelfde: veiligheid, collectieve voorzieningen, gezondheid. De opsomming volgens Barber: ”klimaatverandering, immigratie, globale markten, technologie, terrorisme, ziekten”.

Barber hechtte sterk aan de zorg die burgers voor elkaar opbrengen, en daarom is hij wars van staat en nationalisme: die bieden wel solidariteit, maar met uitsluiting van anderen. De solidariteit in en tussen steden met hun gevarieerde bevolking, meende Barber, overbrugt juist de kloof tussen burgers, en schakelt hen in. Vrijblijvendheid is geen optie.

Dat alles was in de achttiende eeuw niet anders. Meedoen was geboden. En niet de staat, maar de buurtschap aanvaardde ook anderen als officieel lid, een bijzonder voorrecht voor wie verder slechts gedoogd werd.

De burgemeesters van nu kunnen over botsende identiteiten nog wel wat opsteken van de Buurtheer. Die zag de religieuze verschillen, negeerde ze niet met de seculiere mantra ‘geloof hoort achter de voordeur’, maar paste er een voor alle partijen aanvaardbare mouw aan. Iedereen schikt wat in, als ze het maar eens zijn over de hogere doelen die ze samen moeten zien te bereiken.

‘Buurtschappen op het oude Texel’ (1992) is geschreven door Jan van der Pijl.

De Amerikaanse politicoloog Benjamin R. Barber (1939-2017) werd bekend door ‘Jihad vs. McWorld. How Globalism and Tribalism Are Reshaping The World’, een visionair boek uit 1995 (en dus ruim voor 2001, de aanslagen van 9/11 op de Twin Towers). McWorld stond voor globalisering van economie en politiek, en voor het door Barber bekritiseerde neoliberalisme. Het islamitische begrip Jihad was het etiket voor traditionele waarden, nationalisme en religieuze orthodoxie.

‘If Mayors Ruled the World: Dysfunctional Nations, Rising Cities’ (2013, flets vertaald als ‘Als burgemeesters zouden regeren’), werd Barbers laatste ‘hit’. In dat boek bepleitte hij een ‘Global Parliament of Mayors’. Dit internationale burgemeestersparlement is op 10 en 11 september 2016 in Den Haag opgericht.

Benjamin Barber overleed op 24 april 2017.
Lodewijk Dros (Texel, 1964) is theoloog en chef van Letter&Geest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden