Lastige puber in een kille tijd

(Trouw)

Nergens lijken schrijvers moderne jongeren zo goed te begrijpen als in Italië. Naast sterauteurs als Niccolò Ammaniti en Paolo Giordano leveren nu ook twee nieuwe jonge schrijfsters rake boeken af over verdoolde tieners.

In de jaren negentig overspoelden jonge hoofdpersonen, kinderen en adolescenten de Italiaanse literatuur. Het ene jonge leven leek nog problematischer en tragischer dan het andere. Alles was verzonken in liefdeloosheid, uitzichtloosheid, en vaak ook criminaliteit. En het regende aanklachten – weliswaar impliciet en indirect – tegen falende volwassenen, ouders, scholen, kortom de hele maatschappij. We zagen kinderen die zonder hulp van hun omgeving fundamentele keuzes tussen goed en kwaad moeten leren maken, en daar ook vaak in slaagden.

Denk bijvoorbeeld aan Diego De Silva’s ’Moordkinderen’. Zij waren op de straten van Napels een makkelijke prooi voor de klauwen van de camorra. Of denk aan de existentiële dilemma’s van de jonge Michele in Niccolò Ammaniti’s ’Ik ben niet bang’. Hij ontdekt het geheime criminele leven van zijn eigen vader en vindt in zichzelf de moed om voor het goede te kiezen. En dan kennen we van deze schrijver nog de onvergetelijke jonge hoofdpersonen Cristiano (’Zo God het wil’) en Pietro (’Ik haal je op, ik neem je mee’), die beiden keihard met volwassenen en hun wereld in botsing komen.

Ammaniti’s werk schommelt voortdurend tussen memorabele Bildungsverhalen en hun tegenovergestelde: verhalen waarin juist de onmogelijkheid van verandering en de spectaculaire, lachwekkende zinloosheid van het leven centraal staat. Hoewel het absurdisme bij hem meestal overheerst, lijkt de ’oude’ meester nu even teruggekeerd naar stijl en thematiek van zijn eerste internationale literaire (en film-) bestseller ’Ik ben niet bang’.

Een roman kun je ’Jij en ik’ amper noemen: de 127 dunbedrukte bladzijden vormen hooguit een lang verhaal, dat voor de meeste lezers veel te kort zal aanvoelen. Toch heeft het in zijn beknoptheid wel alle ingrediënten van een echte Ammaniti, die nog lang blijft nazeuren in je hoofd.

Na het decadent-apocalyptische feest dat Ammaniti in zijn laatste roman (’Laat het feest beginnen’) liet losbarsten in een gehypete antieke Romeinse villa, keert hij in ’Jij en ik’ terug naar een sfeer van intimiteit. Net als in ’Ik ben niet bang’ gaat het over een puber die zich op een existentieel kruispunt van zijn jonge leven bevindt.

De veertienjarige Lorenzo is altijd een moeilijk kind geweest: een gevoelige jongen zonder vrienden die op de basisschool snel agressief werd tegen andere kinderen. Die woedeaanvallen heeft hij inmiddels onder controle, vooral omdat hij in het imiteren een manier heeft gevonden om de agressie van anderen te pareren. Net als die tropische vlieg die veilig is omdat hij het uiterlijk van een wesp heeft. „Verkleed als wesp wordt hij gevreesd door vogels, hagedissen en zelfs door mensen. Hij kan rustig een wespennest binnengaan, een van de gevaarlijkste en best beveiligde plaatsen ter wereld, en niemand die hem herkent.”

Toch lukt het Lorenzo ondanks toneelspel en mimicry niet om echt aansluiting te vinden bij leeftijdgenoten, en hij heeft door dat zijn ouders zich terecht zorgen maken over zijn toekomst.

Om hen gerust te stellen en misschien ook om een verandering te forceren, verzint hij dat hij door een klasgenootje is uitgenodigd om mee te gaan op skivakantie. In werkelijkheid houdt hij zich de hele week schuil in de kelder van zijn ouderlijk huis, met een koelkast, een oude tv met spelcomputer, een paar boeken en een tube zelfbruiner. Via zijn mobieltje houdt hij de illusie in stand dat hij in de sneeuw van Cortina is.

Maar Lorenzo’s bizarre avontuur begint eigenlijk pas met de inval van zijn oudere halfzus, die naarstig op zoek is naar geld voor heroïne. Ook met haar kan Lorenzo aanvankelijk niet overweg, maar de twee zullen wonderlijk dicht tot elkaar komen na een serie botsingen, ontboezemingen, en vooral een heftige afkicknacht waarin Lorenzo zelfs de kelder ontvlucht om bij zijn terminaal zieke oma slaappillen te stelen en haar en passant een schitterend verhaal te vertellen.

De epiloog van ’Jij en ik’ is als een ijzige hand die je onverwacht bij de keel grijpt.

Inmiddels heeft zich een nieuwe generatie Italiaanse auteurs aangediend, aangevoerd door de twintiger Paolo Giordano die internationaal furore maakte met ’De eenzaamheid van de priemgetallen’. Veel van deze nieuwkomers vertellen net als Giordano tragische verhalen over kinderen en tieners. Tegelijk verschuift het perspectief in hun werk soms ook naar twintigers en dertigers die terugkijken op traumatische gebeurtenissen uit hun jeugd.

Zo deed de debuutroman ’Staal’ van de 26-jarige Silvia Avallone dit jaar in Italië stof opwaaien en werd zelfs meteen genomineerd voor de Premio Strega.

Opvallend is de plaats van handeling, de industriestad Piombino met zijn staalfabrieken en veerboten naar Elba, een weinig poëtische uithoek van ’La bella Italia’. Tegen dit grauwe provinciale decor leven in een woonkazerne de boezemvriendinnen Anna en Francesca, allebei in breekbare, verstikkende gezinnen.

Het zijn de jaren 2000 en 2001: de tieners zijn aan elkaar gewaagd qua schoonheid en sensuele uitstraling, maar juist hun ontluikende liefde en seksualiteit drijven hen onverwacht uit elkaar, in een levensfase waarin ze elkaar meer dan ooit nodig zullen hebben. Piombino’s imponerende staalfabrieken met hun enorme machines en verzengende hitte hangen als zwaarden van Damocles boven deze en andere jonge levens : sommige worden er figuurlijk door vermorzeld, andere letterlijk. Avallone debuteert origineel en meeslepend, maar door de snelheid en stilistische lichtheid komt haar verhaal soms ook wat oppervlakkig over.

Meer psychologische diepgang biedt Caterina Bonvicini’s ’Het evenwicht van haaien’, dat vooral ook in Frankrijk succes oogstte. In deze verrassende, indrukwekkende roman worstelt Sofia met suïcidale depressies, op zichzelf al een gedurfd onderwerp binnen de Italiaanse letteren. Bovendien trekt de jonge vrouw onwillekeurig liefdes aan die haar leven nog verder compliceren. Haar vader reist intussen de hele wereld af, zijn zonderlinge passie voor alle mogelijke haaiensoorten achterna. Hij stuurt zijn dochter voortdurend e-mails en videoboodschappen vol fascinerende feiten en beelden van zijnhobby.

Deze boodschappen vermengen zich uiterst subtiel en suggestief met de andere verhaallagen: het relaas over Sofia’s leven en liefdes en de indringende zoektocht naar de waarheid over het belangrijkste gemis in haar leven, haar moeder. Zij pleegde zelfmoord toen Sofia nog heel klein was. Weggekropen onder de tafel dacht Sofia nog dat het een spelletje was, tot ze zag hoe haar moeder van de balkonrand naar de hemel sprong.

Een kistje brieven dat ze van haar vader kreeg op haar achttiende verjaardag en nu eindelijk durft te openen, stelt Sofia’s wankele geest verder op de proef. De brieven bevatten schokkende onthullingen over de zwarte periodes uit haar moeders leven, de eerste jaren van haar (ongewilde) moederschap en de pijnlijke verhouding met haar dochtertje.

Hartverwarmend – zoals ze in Nederland worden aangeprezen – kun je deze en andere romans amper noemen. De terugkerende obsessie met tragische levens van kinderen, pubers en adolescenten leest meer als een uitbanning van trauma’s, als een vlucht uit een maatschappij van gesettelde volwassenen en ouderen die bitter weinig aandacht hebben voor behoeften en problemen van de jongere generaties.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden