Langzaam zakken we weg in de blubber/BODEMDALING

De strijd tegen het water wordt vooral aan de kust gestreden: zijn de dijken hoog genoeg? Maar een nijpender probleem zit bij het teveel aan binnendijks water. De Nederlandse bodem klinkt langzaam maar zeker in en het wordt steeds moeilijker het rivier- en regenwater te lozen. De vraag is: hoe lang houden we het nog droog? “Er komt een moment dat we ook bebouwde gebieden aan de natuur moeten teruggeven.”

D e bewoners van Flevoland zien vanuit het keukenraam hun eigen stukje Nederland gestaag naar beneden zakken. Stefan Gerritsen werkt bij een van de vele tuincentra die Almere rijk is en kent de klanten met verzakkende achtertuintjes van gezicht: “Je ziet ze elk jaar weer terugkomen, het zijn steeds dezelfde gezichten die veertig, vijftig zakken tuinaarde komen ophalen.”

Zijn eigen achtertuin verzakt ook, Gerritsen schat de rijping van zijn jonge poldertuintje op vier tot vijf centimeter per jaar. Het huis van Gerritsen is geheid op een diepe, vaste laag zandgrond maar de achtertuin niet. Die tuin is volgens Gerritsen in tien jaar tijd al bijna een halve meter gezakt en daarom laat hij om de twee jaar een kuub aarde storten. “Plus een kuub zand natuurlijk want mijn sierbestrating zakt ook.”

De geologen Ger de Lange en Chris Bremmer kunnen er na vier uur intensieve uitleg over bodemdaling om lachen: “Dat moet die man juist niet doen. Als hij er zand op gooit, zakt zijn tuintje nóg sneller naar beneden. Beter kan hij z'n tuinpad ophogen met piepschuim, daar leggen ze in Gouda hele straten op aan”, zegt De Lange. “Of nog beter: eerst een lap geotextiel, daar het piepschuim op, vervolgens een dun laagje zand en dan de steentjes.”

We zitten rond een tafel die is bedekt met geologische kaarten, in een van de kamers van NITG-TNO, het Nederlands instituut voor toegepaste geowetenschappen TNO, in Delft. Dat instituut ontstond vorig jaar uit een fusie van de Rijksgeologische dienst en het TNO-instituut Grondwater en geo-energie. De Lange en Bremmer adviseren bouwkundigen over de kwaliteit van de ondergrond.

Volgens De Lange hebben we de bodemdaling in Nederland voornamelijk aan ons zelf te danken en speelt de manier waarop we met onze waterhuishouding omgaan daarbij de grootste rol. “Als je dieper in de aarde gaat kijken, zie je dat de zogeheten pleistocene zandlagen waar we onze huizen op heien min of meer op z'n plaats blijven liggen. De echte daling vindt plaats in de toplaag van Nederland want die is samendrukbaar.”

De verlaging van het polderpeil is bij die daling de grootste boosdoener. Een goed voorbeeld is de enorme daling die in West- en Noord-Nederland is ontstaan door de intensivering van de melkveehouderij. Na 1945 kwam de ruilverkaveling op gang en er ontstonden grote aaneengesloten weidegebieden. Zo kwam voor de boeren een eeuwenoude wens in vervulling: ze konden het grondwaterpeil verlagen zodat regenwater na een plensbui niet meer op het land blijft liggen maar er in wegzakt. Dan kan het vee ook in de natte winterperiode buiten blijven en wordt de jaarlijkse melkopbrengst hoger.

Slim bedacht, maar ook weer niet zó slim: weidegrond is meestal veengrond die uit samengeperste plantenresten bestaat. Veen overleeft alleen als het drijfnat is. Als veen uitdroogt, verpulvert het onder invloed van zuurstof en bacteriën. Oxidatie heet dat en het is de grootste veroorzaker van bodemdaling in Nederland.

Gemiddeld zakken de veenweidegebieden in West-Nederland door oxidatie een centimeter per jaar, maar er zijn ook gebieden waar de daling plaatselijk het dubbele bedraagt: twee meter per eeuw. Het gaat dan vaak van kwaad tot erger. Doordat het weiland daalt, komt het grondwater weer dichter bij het maaiveld te staan en moet het grondwaterpeil opnieuw worden verlaagd om winterbegrazing mogelijk te houden. Bremmer: “Op die manier hebben we sinds de Middeleeuwen vier tot vijf meter veengrond verloren.”

Eenzelfde neerwaartse spiraal vertoont zich volgens De Lange en Bremmer bij nieuwbouwwijken in natte veen-kleigebieden. Ook daar wordt het grondwaterpeil verlaagd, onder andere om kelders en kruipruimtes droog te houden. Kleigrond daalt ook als het grondwaterpeil zakt: de kleideeltjes gaan dan dichter tegen elkaar zitten. Dat proces heet zetting. Oxidatie en zetting worden samen ook wel inklinking genoemd.

De Lange: “Als je de inklinking wilt tegengaan, moet je het grondwaterpeil niet verder verlagen. Dat is echter in conflict met wat de bewoners willen: bij handhaving van het oude grondwaterpeil dringt water door de muren van de kruipruimte en wordt het huis vochtig. In een stad als Gouda bestaat de ondergrond voor 90 procent uit veen en klei, daar hebben ze door inklinking enorm hoge kosten voor het onderhoud van de infrastructuur.”

Bremmer: “Niet alleen het wegdek moet steeds weer worden gerepareerd, vooral het onderhoud van de zogeheten kleine infrastructuur, kabels en leidingen, vergt enorme beheersbudgetten. Een leiding is nog niet gelegd of de goot moet alweer open omdat er ergens iets is verzakt. En als we in de toekomst gescheiden rioolsystemen voor hoog- en laagwaardig water gaan gebruiken, wordt dat beheer alleen maar duurder.”

Het grote probleem van bodemdaling in Nederland is echter niet scheurend wegdek of brekende rioolbuizen. Het probleem is de waterbeheersing: hoe houden we onze voeten droog. De Lange: “Daarbij is stijgend zeewater niet eens de grootste bedreiging. Het probleem is het teveel aan 'binnendijks' water. Hoe zorgen we dat ons overtollige regen- en rivierwater uiteindelijk in zee terecht komt?”

Die vraag is aan de orde van de dag in Noordoost-Nederland waar de bodem door de aardgaswinning langzaam daalt. In absolute zin is die bodemdaling gering: voor het jaar 2050 wordt een maximale daling van 38 cm in de kern van het schotelvormige dalingsgebied verwacht. De gevolgen zijn echter ingrijpend omdat het oppervlak van het dalingsgebied groot is en alle waterbeheersingwerken in Noordoost-Nederland meezakken.

De bodemdaling vindt namelijk diep in de aarde plaats, op 2,5 tot 4 kilometer onder het oppervlak. Hier ligt het versteende zand dat 250 miljoen jaar geleden door rivieren naar Nederland werd gebracht. Door allerlei geologische processen is het oude zand langzaam in de aardkorst weggezakt en samengeperst.

Tussen de poriën van dat zandsteen zit aardgas dat afkomstig is uit nog veel diepere steenkoollagen. Hoger stijgen kan het gas niet omdat een harde zoutlaag dat verhindert. Bij gasboringen wordt een gaatje in die afdekkende zoutlaag geboord zodat het gas alsnog kan ontsnappen. De druk in het zandsteen neemt dan af en het poreuze gesteente wordt extra samengedrukt, een mechanisme dat compactie wordt genoemd.

In delen van Noordoost-Nederland stroomt het binnenwater nu nog vanzelf naar zee, maar dat zal na de bodemdaling door aardgaswinning moeilijker worden. Water stroomt de heuvel niet op en dus zijn pompen nodig om het teveel aan water toch kwijt te raken.

Een gedeelte van het geld dat de aardgaswinning oplevert, wordt gereserveerd om de schade van bodemdaling te compenseren. Dat geld wordt toegewezen door de - Groningse - Commissie Bodemdaling die sinds 1984 ruim 250 miljoen gulden heeft uitgekeerd. In de lange opsomming van begunstigden komen voornamelijk instanties voor die zich met waterbeheersing bezig houden. Zo ging er in 1997 42 miljoen gulden naar projecten als de capaciteitsverhoging van het gemaal De Waterwolf in Lammerburen, een plan voor aanpassing van de zeesluizen van Farnsum/Delfzijl en de ontwerpkosten van een nieuw boezemgemaal in Termunterzijl.

Klimatologen verwachten dat de voorspelde opwarming van de atmosfeer naast zeespiegelrijzing vooral meer en heviger neerslag zal brengen. Polderbewoners zullen in de toekomst dus te maken krijgen met meer water dat hoger weggepompt moet worden. De Lange denkt dat er zelfs een moment komt dat we de polders niet meer kunnen betalen: “We kunnen wel in polders blijven bouwen maar het wordt steeds duurder om ze droog te houden.”

Bremmer en de De Lange denken echter niet dat onze generatie het nog meemaakt dat ook bebouwde gebieden aan de natuur worden prijsgegeven. “Dat wordt een politieke beslissing”, aldus Bremmer. “Maar op termijn wordt het steeds moeilijker en duurder om het polderpeil en de rivierdynamiek te controleren.”

Bij de selectie van nieuwe locaties voor bouwprojecten speelt de kwaliteit van de ondergrond echter nauwelijks een rol. Bij de aanwijzing van de zogeheten Vinex-lokaties, gebieden waar op grond van de Vierde nota ruimtelijke ordening extra grootschalige nieuwbouwwijken uit de grond omhoogschieten, is volgens De Lange “merkwaardig genoeg geen rekening gehouden met de geologische structuur van de ondergrond.”

Hij begrijpt het echter wel: “Economische redenen hadden de overhand. Bij het op slappe grond plannen van nieuwe woongebieden als Hoekse Waard en Leidsche Rijn is beschikbaarheid belangrijker dan geschiktheid en speelt maatschappelijke acceptatie van een bouwlocatie ook mee.” Ook bij de keuze van het Betuwelijn- en HSL-traject speelde geologische geschiktheid van de ondergrond volgens De Lange en Bremmer om dezelfde reden vrijwel geen rol.

Het is ondertussen al ver na vijven geworden en de laatste geologen van het NITG-TNO verlaten hun werkkamers. Hans van Duyne, een civiel ingenieur, hoort op de gang ons gesprek en komt trots binnenlopen met een door het NITG vervaardigde cd-rom waarop de geologische structuur van Zuid-Holland vier-dimensionaal kan worden bekeken.

Hij laat het ondergrondse Nederland zien om aan te tonen dat er in het verleden veel meer rekening werd gehouden met de geologische bodemstructuur: “Kijk maar, de weg van Den Haag naar Leiden, bovenop een oude strandwal: vast zand. De weg ligt er nog steeds en heeft bijna geen onderhoud nodig. De binnenstad van Leiden, grotendeels op oeverwallen van de Oude Rijn, ook weer op droge grond en ook weer bijna geen onderhoud.”

Dat de spoortunnel onder het Groene Hart vanuit inklinkend veen-kleiterrein dwars over een paar niet-dalende oude rivierbeddingen loopt, wil hij vanuit een economisch standpunt nog wel aanvaarden maar dat een verkeersweg over veen-kleigrond loopt, gaat er bij hem niet in. “De N59 op Schouwen-Duiveland bijvoorbeeld had met een kleine verschuiving van het traject geheel over een oude rivierbedding kunnen lopen. Dan zou het wegdek minder vaak hoeven worden gerepareerd.”

De kwaliteit van bouwgrond zal in de toekomst steeds belangrijker worden. De Lange: “De trend is naar ondergronds bouwen. Parkeergarages leggen we al niet meer bovengronds aan, en waarom zou je lelijke opslagloodsen wel bovenop het maaiveld neerzetten als je ze er ook onder kan bouwen?”

Het NITG-TNO heeft onlangs in opdracht van het ministerie van binnenlandse zaken een atlas gemaakt waarin onderscheid wordt gemaakt tussen 'slechte' en 'goede' bouwgrond. Slechte bouwgrond is veen en klei die inklinken, goede bouwgrond is zand dat'niet inklinkt. Op basis van het percentage goede/slechte bouwgrond wordt bepaald of een gemeente recht heeft op extra geld voor het onderhoud van verzakkende sportvelden, plantsoenen, en infrastructuur. De Lange: “Zonder die slechte-grondregeling zouden gemeenten als Leiden en Gouda zwaar in de problemen komen met hun begroting, de nieuwbouw vindt daar voornamelijk op slechte grond plaats.”

Nederland is niet eens koploper op de wereldranglijst van bodemdalers. Gebieden als Bangkok, Jakarta, Mexico-City, Venetië en New Orleans dalen veel sneller. De Lange: “In principe kun je stellen dat alle steden in deltagebieden eenzelfde dalingsproblematiek kennen, veroorzaakt door onttrekking van grondwater en daardoor samendrukking van jonge, slappe klei- en veengrond. In Nederland valt de situatie eigenlijk nog mee omdat we hier een eeuwenoude traditie van strenge waterschappen en strakke regelgeving kennen.”

En hoe ziet Nederland er over tienduizend jaar uit, zijn we dan diep in de aardbodem verdwenen? De Lange: “Die vraag werd na de watersnood van 1953 ook gesteld. Het is de aloude vraag of de relatieve zeespiegelstijging die we waarnemen - ongeveer tien centimeter per eeuw - door bodemdaling wordt veroorzaakt, of dat het zeeniveau echt stijgt. Uit onderzoek bleek dat de vaste referentiepunten die we als basis van alle hoogtemetingen gebruiken, helemaal niet vast liggen. Ze bewegen ten opzichte van elkaar en ruwweg kun je zeggen dat een groot deel van onze vaste ondergrond, de pleistocene zandlagen waar de heipalen op staan, zelfs stijgt.”

De gemeten beweging is echter in dezelfde orde van grootte waarin hoogteverandering kan worden gemeten: nog geen millimeter per jaar. Bremmer: “Globaal kun je zeggen dat het achterland stijgt en het kustgebied daalt, de nullijn ligt waarschijnlijk dicht bij de kust.”

Om de hoogteverandering van de vaste ondergrond te verklaren werd een langdurige optelsom gemaakt van alle geologische processen die diep onder onze voeten plaats vinden. De oudste sedimentlagen zijn nog steeds samendrukbaar en diepere aardlagen zakken bij ons naar beneden: tijdens de ijstijden had de ijslaag Noord-Europa omlaaggedrukt en daardoor was Nederland omhooggekomen; nu zakken we weer terug.

Die daling wordt gecompenseerd doordat er in Nederland langs breukvlakken nog steeds beweging plaatsvindt. Hans van Duyne: “We hebben wel bergen in Nederland, maar die zitten onder al dat zand verborgen; we hebben zelfs een vulkaan.” Chris Bremmer: “Die vulkaan zit diep onder de Waddenzee, ter hoogte van Vlieland. Maar wees niet bang, die zal nooit meer tot uitbarsting komen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden