Langs de vloedlijn

Ik vond het eerst wel vreemd, al die linkerkleppen van strandgapers op de wijde vlakte van de Texelse Hors. Geen rechterklep was er te vinden. Na een tijdje kreeg ik het door. In de linkerklep zit een lepelvormig dwars uitsteeksel, de chondrofoor, die onder de top van de rechterklep grijpt.

door Henk van Halm

Door die chondrofoor blijven de linkerkleppen in het zand verankerd liggen, terwijl de rechterkleppen, die dit uitsteeksel missen, wegspoelen.

Die strandgapers zijn de grootste schelpen op ons strand, wel een decimeter lang. Ze zien er simpel uit: ovaal, rond aan de voorkant, naar achteren iets toelopend, wit, vaak met roestig oranje vlekken. Van binnen niet mooi parelmoerkleurig, maar dof wit, kalkachtig. Als ze al een tijdje liggen, zit van binnen groenige aanslag van algen.

Strandgapers spoelen aan langs de hele Noordzeekust, maar het meest bij slikgebieden, zoals de wadden. Een enkele keer vind je levende strandgapers aangespoeld, die verbazen door de enorme, sterk gerimpelde adembuis en de dikke voet, die ze amechtig uitstrekken op zoek naar water.

Overal anders
Speurend in aanspoelsel ontdek je dat het strand overal anders is. Zo ligt het in de oksel van het zuidelijke havenhoofd van IJmuiden, in de wandeling de Zuidpier genoemd, vol zwarte brokjes hout, afkomstig uit oude veenlagen, die door de stroming onder het zand vandaan zijn gekomen. Daar is na de aanleg van de jachthaven door de natuurlijke aanvoer van zand een brede getijdevlakte ontstaan. Elders, vooral ten noorden van IJmuiden, slaat het strand juist af, deels doordat het havenhoofd de noordwaarts lopende vloedstroom ombuigt.

De overheid wil de tegenwoordige kustlijn tot minstens 2050 behouden. Daarvoor wordt elk jaar zandsuppletie toegepast bij bedreigde stranden, die steeds smaller worden, omdat de zand aanvoer door de zee geen gelijke tred houdt met afspoeling en verwaaiing.

Zand uit diepe delen van de Noordzee wordt opgezogen en vlak voor de kust gedeponeerd, waar het door landwaarts gerichte stromingen naar het strand wordt gevoerd.

Tegenstanders hebben lang gedacht dat zandsuppletie dweilen was met de kraan open. Maar de oktoberstorm heeft geleerd dat die suppletie niet voor niets is geweest: de kust heeft nauwelijks van afslag te lijden gehad.

Ander aanzien
Door die suppleties krijgt het strand een ander aanzien. Het zand ziet grauw en de schelpensamenstelling is drastisch veranderd. Er liggen hoofdzakelijk strandschelpen (spisula's) en kokkels, met het zand opgezogen uit de diepe delen van de Noordzee. Ze leefden daar toen de tijdens de laatste ijstijd droog liggende Noordzee door de afsmelting van het landijs weer volliep. De meeste schelpen zijn blauw of bruin. Sommige zelfs blauwzwart, zoals de subfossiele oesters. Ze hebben zo'n tienduizend jaar in de zeebodem gelegen.

De geringe verscheidenheid aan soorten na zandsuppletie is opmerkelijk. Zodra je tussen de halfgeknotte strandschelpen verse kleppen vindt van zaagjes, platschelpen of nonnetjes, weet je dat die behoren tot het natuurlijke aanspoelsel.

De wulken sterft uit
De op badsponzen lijkende wulkennesten, vroeger zo gewoon, vind je nauwelijks meer. De grote zeeslakken bevestigen hun blonde eikapsels op harde ondergrond. Soms worden die daarvan afgescheurd door de activiteiten van boomkorvissers en spoelen dan aan. De laatste jaren vind je ze aanzienlijk minder dan vroeger, want de wulk is in ons deel van de Noordzee bijna uitgestorven. Dat wordt geweten aan beschadigingen van de schelp door de boomkor en het gebruik van tributyltin (TBT) in verf, waarmee aangroei van zeeorganismen op de scheepshuid wordt tegengegaan (antifouling). Door TBT ontwikkelen vrouwelijke wulken schijnpenissen en gaat hun reproductievermogen sterk achteruit.

Ook bij purperslakken en fuikhoorns is dit vastgesteld. Gerhard C. Cadée, onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee, verwacht dat het verdwijnen van de wulk uit de Nederlandse kustwateren ook invloed zal hebben op het voorkomen van de heremietkreeft, die al groeiende een groot slakkenhuis nodig heeft.

Boek voor duikers
Struinen langs de vloedlijn wordt nog leuker als je aangespoelde wieren, sponzen, kwallen, krabben, schelpen en zeesterren een naam kunt geven. Daar zijn boeken voor, het ene beter dan het andere. Er is net een veldgids uitgekomen bij de KNNV, vol helaas vaak onduidelijke kleurenfoto's, een paar lijntekeningen en bij elke beschreven soort verspreidingskaartjes en zoneringsschema's. De laatste hebben betrekking op de diepte waarop het organisme leeft. Sommige soorten vinden het best tweemaal per etmaal droog te vallen, andere willen ook bij eb nat of onder water blijven.

De veldgids is totaal ongeschikt voor strandwandelaars. Dat valt in de eerste plaats op bij de wieren. En van de vele soorten schelpen die je op het strand kunt vinden, is alleen een nogal willekeurige keuze opgenomen. Aangespoeld ziet een plant of dier er heel anders uit dan in zijn element, dus onder water. Het boek is eerder bedoeld voor sportduikers dan voor strandwandelaars. Tenzij die willen weten hoe een zeeorganisme er onder water uitziet.

Het lijkt me een goed idee zo'n veldgids te maken van aanspoelsel, gefotografeerd op het strand! In de veldgids staan bijna 250 algemene soorten zeeorganismen, met informatie over hun leefwijze. En dat laatste is het interessantste aspect van deze gids. Vind ik.

Rob Leewis: Veldgids Flora en fauna van de zee. Uitg. KNNV, Utrecht.
ISBN 905011153X, gebonden
320 blz., 27,95 euro.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden