Lang zullen we lezen

Kunnen we het in dit nieuwe mediatijdperk nog wel opbrengen om een boek te lezen?

’M’n billetjes’, zegt ze zacht.’Het is de eerste zin uit ’Hoi, leuk dat je mijn profiel bekijkt’ van Martin Brester uit 2009 (uitgeverij Mouria). Maar zou het ook de eerste zin kunnen zijn uit de literatuur van vóór het nieuwe mediatijdperk? Van de tijd dus dat we ons de rust nog gunden om ellenlange zinnen op ons in te laten werken?

Redacteur Sander Blom van uitgeverij Contact moet er eens goed over nadenken. Hij pakt het boek van Brester niet voor niets uit de kast, dat is waar. Maar bewijzen dat de literatuur is veranderd doordat we ons in een zap-interbellum bevinden, dat kan hij toch ook weer niet.

Interessant om bij stil te staan vindt Blom de kwestie wel.

Want ook hij kan er niet omheen; we schrijven geen brieven meer, e-mailtjes beantwoorden we in een paar woorden, sms-jes zijn kort en twitteren kán niet eens in meer dan 140 tekens.

We zijn de lengte kwijt en dat roept de vraag op of dat geen gevolgen heeft voor ons leesgedrag én daardoor voor de literatuur.

Maar Blom vraagt zich ten eerste af of het wel zo is dat ons leesgedrag dramatisch is veranderd sinds de komst van nieuwe media. Als voorbeeld noemt hij zijn 14-jarige dochter. „Die doet vijf dingen tegelijk – msn’en, hyven, sms’en, twitteren en wat al niet – maar las in de vakantie toch moeiteloos een paar boeken van 400 bladzijdes per stuk uit.”

Ook Dick Schram, hoogleraar literatuurwetenschap en bijzonder hoogleraar leesgedrag aan de VU in Amsterdam, kent geen onderzoeken waarin wetenschappelijk wordt aangetoond dat ons brein geen lange lappen tekst meer zou aankunnen. „Ik geloof niet dat ons brein verandert. Ons leesgedrag heeft veel meer te maken met gewenning en aanpassing. Als je op internet surft, stel je je daar op in. Wie een boek leest, past zich dáár weer op aan.”

Maar de literatuur dié we lezen dan? Is die immuun voor de nieuwe tijd?

Schram denkt dat ons leesgedrag ’in de marge’ wel verandert, maar betwijfelt of de literatuur zich iets aantrekt van nieuwe media: „In de jaren ’80 kwamen de zogeheten hypernovels op. Cd-roms die beeld en tekst lieten samensmelten. Maar het bleek een marginaal verschijnsel zonder invloed. Eerder waren ook de film en de televisie geen bedreiging voor de inhoud van het literaire boek.”

Volgens Sander Blom zijn de snelle, korte teksten weliswaar de boekenwereld binnengedrongen, maar uit dit fenomeen zich alleen aan de buitenkant.

„Ik zie dat aan brochures en achterflappen van boeken. De teksten dáárop zijn veel korter geworden.”

Op zijn bureau ligt een stapel boeken van P.F. Thomése waarbij de achterflap van diens oudere werk inderdaad een veel langer verhaal bevat dan de latere boeken van de schrijver.

Op ’De Weldoener’, Thomése’s jongste, staat achterop: ’Man redt meisje van de dood en besluit haar voor zichzelf te houden. Een liefdesroman’.

Punt.

Blom is de persoonlijk redacteur van Thomése, maar redigeert ook jong schrijftalent, zoals Michiel Klein Nulent, A.H.J. Dautzenberg en Gerwin van der Werf. Hij kan dus vergelijken.

„En wat ik daarbij zie is dat de stijl in de loop van de jaren in wezen niks lijkt te zijn veranderd.”

Een boek als ’De tram van half zeven’ van nieuweling Michiel Klein Nulent (eerste zin: ’Osman was een vleermuis’) had volgens hem óók dertig jaar geleden geschreven kunnen worden: „Het had van Remco Campert kunnen zijn.”

Dautzenberg: hetzelfde verhaal. Die maakte onlangs zijn prozadebuut met de verhalenbundel ’Vogels met zwarte poten kun je niet vreten’ (een beginzin: ’De kerstman is weer in het land’). Blom vindt Dautzenberg met zijn keiharde, directe stijl in eerste instantie wel typisch iemand van deze tijd, maar het gaat hem te ver om alleen daaruit op te maken dat de gehele Nederlandse letteren door de invloed van moderne media een complete gedaantewisseling hebben ondergaan.

Voorlopige conclusie: kwestie opgelost. Ons boekenleesgedrag is nog precies hetzelfde en de literatuur is eveneens geen spat veranderd.

Of toch?

Blom: „Ik denk wél dat de lezer van nu de moeizame zinnen uit de negentiende-eeuwse Russische literatuur haast niet meer aankan en dat lezers die opgroeien in deze snelle beeldcultuur niet meer zullen beginnen aan de 7-delige roman ’Het Bureau’ van J.J. Voskuil.”

Blom’s collega van uitgeverij De Bezige Bij, Suzanne Holtzer (redacteur van onder meer Harry Mulisch, Remco Campert, Cees Nooteboom, Marcel Möring, Jan Mulder, Charlotte Mutsaers en relatief nieuwe schrijvers als Sanneke van Hassel) denkt eveneens niet dat de literatuur lijdt onder de nieuwe media. Zij heeft een andere vrees: de opkomst van de commercie. „Het is geen vanzelfsprekendheid meer dat elk literair boek door de boekhandel wordt aangekocht. Mijn angst is dat daardoor voor de literatuur steeds minder plek overblijft.”

Op de vraag of Blom en Holtzer zich niet tóch stiekem laten leiden door de schijnbare norm dat van een boek tegenwoordig een zekere laagdrempeligheid wordt verlangd, simpelweg omdat de moderne lezer wellicht sneller afhaakt, zegt Blom: „Ik adviseer schrijvers wel regelmatig om de lezer zo nu en dan ter wille te zijn.”

Ook Holzer herkent die neiging: „En als ik nu een Vestdijk in handen zou hebben, denk ik: ’Mag ik dat asjeblieft eens redigeren?’”

De suggestie dat hedendaagse literatuur onder invloed van de nieuwe media ’pakkender’ moet zijn, wijzen ze evenwel allebei van de hand.

Blom verwees al eerder naar Remco Campert en Holtzer zegt: „Ik heb net de nieuwe Jan Mulder geredigeerd – toch een bijdetijdse mediaman – en daar staan zinnen in die bij wijze van spreken een halve pagina beslaan.”

Een ander voorbeeld dat het beeld logenstraft dat auteurs zich zouden aanpassen aan het rappe mediatijdperk, is het werk van de Vlaamse schrijver Tom Lanoye. In zijn roman ’Sprakeloos’ staat de zin (en dat is nog niet eens de langste ): ’Vijftien jaar had de badkamer met de caravanafmetingen probleemloos dienstgedaan, de sporadisch gekneusde knie niet te na gesproken van wie zich, zijn toilet makend of zich scherend voor het lavabootje, te bruusk omdraaide en aan den lijve moest ervaren hoe gering de speling was gebleven tussen rand en wand.’

Dus hoezo knievallen doen voor de bits en de bytes?

Aangehaalde zin werd door het literaire blad Tzum zelfs uitgeroepen tot de mooiste zin uit de Nederlandstalige literatuur van het afgelopen jaar.

Wat volgens Dick Schram niet betekent dat de nieuwe media geen invloed hebben op de moderne literatuur. „De mobieltjes en e-mail komen natuurlijk wel steeds meer in boeken voor en ook denk ik dat er tegenwoordig meer schrijvers als Simone van der Vlugt zijn, die willen boeien zonder literair gezeik, zal ik maar zeggen.”

Maar dat de literatuur lezers verliest door de zapcultuur, daar wil geen van de drie deskundigen aan geloven.

Schram: „Mensen die geen literatuur lezen, dat wáren al geen literaire lezers.”

En bij schrijvers is het al net zo; die veranderen niet wezenlijk.

Holtzer: „Dat komt omdat het referentiekader van schrijvers, de bestaande literatuur is. Zij wonen en leven in de literatuur. Dat was vroeger zo, dat is nu zo en dat zal ook zo blijven. Een ambitieuze schrijver trekt zich op aan zijn voorbeelden, die wil minstens even goed zijn als Harry Mulisch.”

„Een goede schrijver”, stelt Sander Blom tenslotte, „doet toch wat hij wil.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden