Lang leve de jacht

Een nieuwe wet wil plezierjagers ontmoedigen. Maar wat is er eigenlijk mis met jagen, is de vraag aan twee leden van het Filosofisch Elftal.

Met de Kerst op komst is de vraag naar wild traditiegetrouw groot, de rest van het jaar is het anders. Er worden in Nederland vele malen meer ganzen geschoten dan geserveerd. Volgens sommigen, zoals Thierry Baudet, enthousiasteling voor de jacht, is dat een gemiste kans. Deze week bereidde hij nog een eend waarvan hij de dood als drijver mede had veroorzaakt.

Een nieuwe wet die nog door de Eerste Kamer moet, beoogt de plezierjacht in Nederland verder aan banden te leggen. Ook voor beesten die nu nog vrij bejaagbaar zijn - konijnen, hazen, wilde eenden, houtduiven en fazanten - moet de jager straks eerst toestemming vragen en formeel kunnen aantonen dat afschieten nodig is. Het 'beheren van wild', zoals jagers hun activiteiten graag noemen, wordt meer en meer een zaak van professionals.

Wat betekent de jacht voor de samenleving? Is de ontmoediging van de jacht een juiste richting, of is het een verlies?

Thierry Baudet, historicus en publicist: "Ik ben nu drie keer op jacht geweest, en ik vind het in alle opzichten prachtig. Een keer op ganzenjacht in Middelharnis, een keer op vossenjacht in Engeland en vorige week in Winsum op fazanten, hazen en eenden. Ik mag niet schieten, ik heb geen brevet. Jagers zijn daar heel principieel in. Dus ik houd me dan bezig met drijven. Dat betekent een hele dag door bossen en velden lopen, maar op een heel andere manier dan normaal - je kijkt veel beter naar de natuur. Aan het eind van de dag maak je tableau, dan worden de geschoten dieren uitgestald en gaat er een fles Jägermeister open. De jacht is vooral een sociaal gebeuren. Jagen is een gecoördineerde groepsactie, er dient overleg te zijn met boeren en landeigenaren, en ook het klaarmaken en nuttigen van de prooi is een bijzondere aangelegenheid. Het is de civil society bij uitstek, zoals ook Roger Scruton beschreven heeft."

Frank Ankersmit, emeritus-hoogleraar intellectuele geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen: "Ik kom uit een feodale omgeving. Op het landgoed van mijn familie, bij Deventer, was de jacht een vast onderdeel van de huishouding.

"Na de jachtpartijen waren er copieuze diners, waaraan ik goede herinneringen heb. Met mijn vader ging ik ook wel eens 'voor de voet' jagen. Dan gingen we met z'n tweeën het terrein op en schoten wat er zoal tevoorschijn kwam. Ik herinner me dat we daarbij een konijn raakten en dat ik dat dermate pijnlijk vond, dat ik mij er niet meer in kon vinden.

"Dat was rond mijn twaalfde, in de tijd dat ik konijnen begon te houden. Ik kon mijn activiteiten niet meer met elkaar verenigen, ik begreep niet meer wat mensen er aan vonden om zulke aardige beesten af te schieten. Mijn vader is later zelf ook tot die bevinding gekomen: het doodschieten van dieren die je verder niets gedaan hebben, komt eigenlijk niet te pas."

Baudet: "Dan moet je vegetariër worden. Het is hypocriet om wél vlees te eten, maar niet te willen aanvaarden dat daarvoor gedood moet worden. Wie vlees eet, moet ook mans genoeg moet zijn om zelf te jagen. Of je moet beweren dat het voor een dier wel gepast is om als een industrieel product in een hygiënische hal te worden vetgemest, om daarna op geautomatiseerde wijze te worden geslacht en in mootjes te worden gehakt en in plastic verpakt."

Ankersmit: "Mans genoeg om te jagen? Geert Groot Bruinderink, ecoloog en jager, typeerde onlangs in een interessant interview in de Volkskrant de jagers als mensen die voor een deel zijn blijven hangen in een jeugdfase, in kinderlijk gedrag. Ondanks alle praktische en idealistische redenen die voor jacht worden gegeven, zijn jagers volgens Groot Bruinderink vooral uit op een beetje opwinding en jongensachtige avonturen. Van enig nut voor de wildstand is in de wetenschap nooit iets gebleken. Mijn vader zette zelf fazanten uit, om ze daarna weer af te knallen. Hij was niet de enige."

Baudet: "Dat kan best, ik zie 'nut' niet als de belangrijkste reden om te jagen. Ik zie ook geen bezwaar tegen jongensachtige avonturen. Ondertussen gunt de jager dieren een vrij leven en een weldadig einde. Een haas die sterft door een aanval van kraaien, moet soms drie dagen lijden voordat hij is doodgepikt. Ik gun elke haas de snelheid van de kogel."

Ankersmit: "Ik kan uit ervaring zeggen dat die vlieger niet opgaat. Er zijn steevast notoir slechte schutters in het gezelschap. Dat leidt tot aangeschoten wild. Als er een koppel eenden overkomt, raakt men daar iets van, maar een ander deel belandt ergens halfdood in een slootje. En verder zou ik zeggen: de wreedheid van de natuur is de natuur. Daar moeten wij ons als mensen niet te veel mee bemoeien. Die beesten hebben het al moeilijk genoeg."

Baudet: "Wanneer hebt u voor het laatst gejaagd? Het aantal eenden dat ergens in een slootje belandt is ongeveer nul, dankzij de krachtige hagel van moderne geweren. Praktisch nooit wordt aangeschoten wild achtergelaten. Kortom: onzin.

"En waarom zouden wij ons niet met de natuur moeten bemoeien? Dat is een misvatting die stamt uit de Verlichting. Toen ontstond het idee dat de mens een rationeel wezen is, dat losstaat van de natuur. En in de Romantiek begon men te geloven dat de natuur idyllisch was en dat we haar met rust moeten laten. Als gevolg hiervan leven we in grote verwarring over wat natuur is, en raakt de mens steeds verder vervreemd van de levenscyclus, de seizoenen, de dood. Daar worden we ongelukkig van.

"Het is belangrijk om manieren te vinden om weer verbonden te zijn met de aarde, de voedselketen, het landschap. Jagen is zo'n manier. Het beest dat de jager wil eten moet hij met eigen handen veroveren. De jager is nederig, hij kan niets dwingen - afhankelijk als hij is van de omgeving.

"Er gebeurt echt iets met je, als je zo'n net gestorven eend in je handen hebt. Je voelt de lichaamswarmte nog en je voelt hem verstijven. Elke keer dat ik dit meemaak, heb ik het gevoel dat het mij humaner maakt, warmer en liever. Je realiseert je wat het leven waard is. Je gaat veel aandachtiger met de maaltijd om. De jacht biedt een welkom tegenwicht in een smetteloze, bloedeloze samenleving."

Ankersmit: "Dit soort gedachten zijn nou juist bij uitstek romantisch: het projecteren van verheven wensen, verlangens en idealen op de omgang met de natuur. Denk aan Carl Maria von Webers opera 'Der Freischütz': een en al romantisering van de jacht. Voor de Verlichters was het jagen een vanzelfsprekend sociaal gebeuren. Men zat op een paard, schoot wat, dronk wat en dat was het dan. Het was eenvoudigweg deel van het leven. Pas in de Romantiek ging men erbij wegdromen.

"Er waren tijden waarin de jacht een breed gedragen cultureel fenomeen was met diepe wortels. In Engeland is dat misschien nog zo, maar in Nederland zijn die tijden allang voorbij. De mensen die zich er nu in begeven, betalen er in de meeste gevallen grof voor. Ze bevinden zich in de categorie 'nieuw geld'. Ze jagen vooral één doel na: de verloren wereld van 'oud geld' imiteren en daarmee hun eigen status verhogen.

"Dat is op zichzelf al bedenkelijk genoeg, maar als daar dieren voor moeten sterven, wordt het kwalijk. Een wet die dit gedrag ontmoedigt, lijkt mij een goede zaak."

filosofisch elftal

Haring

Achterhuis

Roeser

Ankersmit

Van Tongeren

Baudet

Groot

Van Brederode

Huijer

Noordegraaf

Gescinska

Jagers in het Duitse Marburg, een populair gebied, ook bij Nederlandse jagers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden