Lang leve de blasfemie!

In het internationale recht bestaat er geen recht om niet beledigd te worden. Maar in Nederland wel, daar is smalende godslastering nog steeds strafbaar. En dus schendt Nederland een belofte én een internationaal verdrag, stelt de Amerikaanse filosoof Austin Dacey.

Nederland schendt een belofte. Op 11 december 1978 garandeerde het koninkrijk dat iedereen die zich op zijn grondgebied bevindt vrijheid geniet van gedachte, geweten en godsdienst, dat ieder vrij is om zijn mening te geven en dat allen gelijke bescherming door de wet genieten. Maar Nederland lost die belofte niet in omdat het 'smalende' godslastering en religieuze 'belediging' strafbaar blijft stellen.

Dat is de conclusie die je moet trekken na lezing van een stevige uitspraak vanuit de Verenigde Naties over de naleving van het 'International Covenant on Civil and Political Rights' (ICCPR), een internationaal convenant voor politieke en burgerrechten. Deze kwestie is in de media nauwelijks opgepikt, terwijl ze toch alle aandacht verdient.

Het ICCPR is een juridisch bindende mensenrechtenovereenkomst die in 1976 van kracht werd. Het convenant, door Nederland in 1978 geratificeerd, geeft achttien 'onafhankelijke experts', de Mensenrechtenraad, de bevoegdheid om te beslissen over klachten van zowel individuen als staten. En met 'algemene commentaren' belicht de Raad van tijd tot tijd hoe het ervoor staat met de doorwerking van verdrag. Maar ook via informatie van staten en maatschappelijk betrokkenen wordt duidelijk wat de toepassing van de uitgangspunten betekent in wijzigende omstandigheden. De uitspraken van de Raad zorgen niet voor nieuwe wetgeving, maar ze vertolken de idealen waar de ondertekenaars van het verdrag zich voor in zouden moeten zetten.

Op 21 juli 2011 nam de Raad General Comment No. 34 aan, over de vrijheid van meningsuiting. Het vorige commentaar stamde nog uit 1983, dus voordat godslastering zich in het hart van internationale affaires nestelde; vóór Rushdie ('Duivelsverzen'), voor de moord op Van Gogh en de rellen rond Westergaards Mohammed-cartoons. Nadien werd het binnen de VN gebruik om 'belastering van religies' met resoluties te bestrijden.

Daarom zagen veel waarnemers afgelopen zomer gretig uit naar de mening van de Raad.

In twee jaar tijd werden 75 voorstellen ingediend met zeker 350 suggesties voor het concept-commentaar. In Genève confereerden vertegenwoordigers over de definitieve tekst, uit Algerije, Argentinië, Columbia, Egypte, Frankrijk, Japan, Mauritius, Marokko, Roemenië, Zuid-Afrika, Suriname, Zweden, Zwitserland, Tunesië, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en Nederland (hoogleraar internationaal recht Cees Flinterman). Ze waren onder voorzitterschap van de Ierse mensenrechtenhoogleraar en voormalig rk priester Michael O'Flaherty de meeste tijd kwijt aan de paragraaf over godslastering. Amerikaanse en Zweedse leden drongen aan op ferme taal. Het principe dat op het spel stond was dat overheden heiligschennende uitingen maar tot op zekere hoogte kunnen inperken, dat wil zeggen: daar waar ze aanzetten tot discriminatie, vijandigheid en geweld. Dat wordt verboden in artikel 20 van het ICCPR. Als godslastering wordt gedefinieerd als een schending van andermans idee van wat heilig is, dan kan het nooit strafbaar zijn.

De ICCPR werd het uiteindelijk eens over het volgende: "Het verbod op uitingen van gebrek aan respect voor een godsdienst of een ander geloofsysteem, inclusief wetten betreffende godslastering, is onverenigbaar met het Convenant."

Het strafbaar stellen van 'smalende godslastering die religieuze gevoelens krenkt', zoals het in Nederland heet, gaat veel verder dan sancties verbinden aan provocatie en is dus in strijd met het convenant. In het internationale recht bestaat er geen recht om niet beledigd te worden. De vrijheid van meningsuiting is geen cadeau aan burgers dat ze weer kan worden afgepakt als ze op minachtende wijze wordt gebruikt. Voor burgers is het een fundamenteel recht en voor overheden een fundamentele plicht.

Godslastering draait niet alleen om taal. Het is ook een gewetenszaak. En boven alles een kwestie van vrijheid. Al te vaak worden deze discussies verengd tot botsingen tussen het recht op vrije meningsuiting en dat op het belijden van een religie. Maar het gaat in wezen om conflicterende opvattingen over wat heilig is. De vraag is niet alleen waar taal aan religie voorrang moet geven, maar waar geweten voorrang moet verlenen aan geweten - zo is het altijd geweest.

In 1526 deelde een dakdekker uit Warmond een stuk brood met zijn werknemer toen ze ruzie kregen. Het onderwerp was nieuws uit Duitsland: enkele kerkhervormers hadden op een heilige hostie staan stampen uit protest tegen de katholieke macht. De baas vond het schandalig. Maar volgens de Britse historicus David Nash, die het optekende in zijn boek 'Blasphemy in the Christian World', was zijn ondergeschikte niet onder de indruk. Hij zei: "Het is toch niet meer dan een stukje brood? Het brood dat we hier aan tafel eten is hetzelfde."

De dakdekker citeerde daarbij de waarschuwing van de apostel Paulus tegen afgoderij in het bijbelboek Handelingen, hoofdstuk 17: "De God die de wereld heeft gemaakt en alles wat er leeft, hij die over hemel en aarde heerst, woont niet in door mensenhanden gemaakte tempels."

Paulus bezoekt Athene om daar het geloof te verspreiden. Enkele Griekse filosofen vragen hem naar hem zijn nieuwe leer. Paulus zet die uiteen op de Areopagus, de 'Heuvel van Ares', een forum in de buurt van de Acropolis, waar zaken van algemeen belang werden besproken. Paulus vertelt de 'mannen van Athene' dat de god die hij verkondigt verantwoordelijk is voor alles wat zij, in hun onwetendheid, op het altaar leggen 'voor een onbekende god'. De ene God van Paulus heeft 'uit één mens de hele mensheid gemaakt, die hij over de hele aarde heeft verspreid... Want in hem leven wij, bewegen wij en zijn wij. Of, zoals ook enkele van uw eigen dichters hebben gezegd: 'Uit hem komen ook wij voort'."

Als de apostel begint te praten over een man die uit het graf opstond, beginnen de filosofen hem uit te jouwen. Je stelt je zo voor dat hij de Aeropagus verlaat onder een regen van hoongelach. Toch, zo wordt gezegd, volgt een aantal bekeerlingen hem.

Het sceptische commentaar van de dakdekker over de heiligheid van de hostie was een uiting van 'taal' maar het was ook een manifestatie van het geweten, een teken van zijn eigen houding tegenover het heilige.

De werknemer en zijn theologisch wat conservatievere (of katholiekere) baas staan in een perfecte morele symmetrie tegenover elkaar. Voor de een was het een schande om dit heilige brood als gewoon brood te zien, een affront tegen de Persoon die er in huist. Voor de ander was juist het heiligverklaren van gewoon brood afgoderij en beschamend voor de Heilige die niet in handgemaakte tempels woont. Geen van deze beweringen kon als 'religie' gekwalificeerd worden en daarmee de ander reduceren tot 'taal' tegenover religie. Ik noem dit de symmetrie-thesis.

De Nederlandse wet uit 1518 stelde: "Ter genezing van godslasteraars verbieden we godslastering van de heilige namen van God, de maagd en de heiligen. Het is tevens verboden om ze te ontkennen, verachten of kleineren." Merk op dat het doelwit van verachting niet de gelovige, maar het object van geloof is. Godslastering werd opgevat als blijk van oneerbiedige bejegening van de godheid of andere heilige entiteiten.

De huidige Nederlandse wet doet dat heel anders: godslastering is een respectloze omgang met medeburgers geworden, schennis van hun 'religieuze gevoelens'.

Deze verschuiving van de heilige entiteiten als mikpunt van godslastering naar gekwetste stervelingen voltrok zich vanaf 1617. Toen bedacht de English Common Law dat alle (dus ook andersgelovige) hoven er belang bij hadden om godslastering te bestraffen, omdat het tot verstoring van de openbare orde kon leiden.

De verschuiving luidde een nieuwe opvatting in de liberale politieke filosofie in, waarbij de regering werd beschouwd als een middel om de natuurlijke rechten van individuele burgers te beschermen. Tijdens een debat in 1756 over een aanklacht wegens godslastering tegen James Naylor, de leider van de Engelse Quaker-beweging, werd de overtreding door een van de advocaten betiteld als 'beschimpen van de naam van God of van onze naaste'. Blasfemie veranderde van een zonde in een misdaad, van een spirituele misstap in een persoonlijke.

Premoderne, spirituele godslastering deed overduidelijk onrecht aan de gelijkwaardigheid van burgers. Deze blasfemie ging uit van één beschermwaardige opvatting van wat heilig was - de christelijke God, de maagd en de heiligen. Het sloot afwijkende, maar moreel gesproken symmetrische alternatieven uit van bescherming.

De ontwikkeling van de moderne, quasi-seculiere categorie van de lastering van gelovigen nam die fundamentele ongelijkheid niet weg. Integendeel. Nu richtte de wet zich op de bescherming van de 'gevoelens' van enkel en alleen hen die zich identificeerden met de traditionele, door een meerderheid erkende religieuze gemeenschappen. Hij verwaarloosde tegelijkertijd de moreel symmetrische gevoelens van ketters en seculieren.

Het gevoel van wat heilig is mag voor de een nooit zwaarder wegen dan voor de ander. Deze ongelijkheid is een erfenis van de godslasteringwetten die tot op de dag van vandaag gelden, zoals journalist Kustaw Bessems onlangs betoogde ('De vrijheid om weerzin te wekken', De Pers 4 oktober 2011).

De Mensenrechtenraad schudt ons met zijn General Comment wakker: inperking van beledigende uitingen mag geen afbreuk doen aan de garanties die Verdrag biedt voor gelijkheid van iedereen voor de wet (artikel 26) en voor de vrijheid van gedachte, geweten en religie (artikel 18). De Raad waarschuwt daarnaast voor een al te benepen opvatting van zogeheten publieke moraal om bepaalde taaluitingen te kunnen beperken: "Het concept van de moraal is afgeleid van vele sociale, filosofische en religieuze tradities; daarom mogen beperkingen die er toe dienen om de moraal te beschermen niet slechts uit één traditie afkomstig zijn."

Ook hier druist de Nederlandse wet inzake godslastering in tegen het internationale recht. Het concentreert zich op religieuze gevoeligheden die beschermd moeten worden. Zoals algemeen bekend, werd de Lex Donner (de wet van Jan Donner, grootvader van de vicevoorzitter van de Raad van State Piet Hein) in 1932 ingevoerd als reactie op communistische hetze in de pers en, in sommige gevallen, in de kerkbanken, tegen de heersende christelijke waarden.

Waarom zouden traditionele gelovigen wel met de wet in de hand hun opvattingen over wat heilig is mogen beschermen, maar ketters en seculieren niet? Waarom zou de wet de opvattingen van een conservatieve moslim over de eer van de profeet op een juridisch goudschaaltje wegen, en niet die van de Iraans-Nederlandse kunstenares Sooreh Hera over de waardigheid van homoseksuele mannen?

Ik kan geen ander antwoord verzinnen dan dat zij minder aandacht en respect verdient dan andere burgers, en dat ze daarom geen recht heeft op gelijkwaardige behandeling voor de wet. Maar de staat heeft toch plechtig beloofd dat iedereen op dezelfde manier beschermd wordt?

Als er iets weerzinwekkend is aan belediging en provocatie, dan is het wel de aanval op de status van een groep burgers, het ontkennen van of neerkijken op hun beroep op gelijke behandeling en respect. Wetten tegen groepsbelediging of laster zijn gemaakt, zo zou je kunnen redeneren, om kwetsbare minderheden te beschermen. Maar zoals de Mensenrechtenraad wijselijk waarschuwt, krijgen zulke wetten (vooral die gaan over 'strafbare belastering'), te maken met de vraag naar de waarheid: "Ze moeten niet worden toegepast op die vormen van expressie die niet geverifieerd kunnen worden."

Als de staat wil ingrijpen uit naam van christenen, moslims, of joden, dan moet zij beslissen uit naam van wie zij precies ingrijpt en uitmaken welk persoon door mag gaan voor 'echt' of 'authentiek' lid van zulke groeperingen. Is het werk van Sooreh Hera een belediging voor moslims? Dat hangt ervan af of je denkt dat moslims per definitie bezwaar maken tegen figuratieve afbeeldingen van de profeet of dat ze homoseksualiteit als een afwijking beschouwen. Robert Post, die de Amerikaanse grondwet bestudeert, zegt het zo: de identiteiten van zulke gemeenschappen zijn geen harde feiten maar sociale categorieën die onderhevig zijn aan morele toetsing en heroverweging.

Het is niet te doen om alle zelfbenoemde leden van de groep te ondervragen om te bepalen wat ze (niet) geloven. En als je dat al zou kunnen: welke opvatting van identiteit is dan de beste? Die vragen zijn niet objectief te beantwoorden, want het zijn morele vragen. In een democratische samenleving beslist de staat daar niet over. Individuen mogen zich er samen, in een ongedwongen gedachtewisseling, over buigen.

Vanaf het begin van de Verlichting ging er van Nederland een belofte uit: het kán, een land waar je zonder belemmeringen mag debatteren over heilige en wereldse zaken, een moderne Areopagus met een spiritueel belang dat de Lage Landen verre zou ontstijgen. Nederland was in de zeventiende eeuw zo welvarend, georganiseerd en tolerant dat het religieuze dissidenten, schrijvers en uitgevers uit alle windstreken aantrok. René Descartes schreef vanuit Amsterdam in 1631 naar Balzac: "Ik maak elke dag een wandeling in het Babel van een grote doorgangsweg, waar evenveel vrijheden en rust heersen als je langs een tuinpad zou vinden."

Maar tegelijkertijd was er een heel andere tendens, de neiging om 'afgoderij en valse godsdienst te weren en uit te roeien'. Die kwam terecht in wetten tegen blasfemie. Deze waren in handen van intolerante, gereformeerde bewindslieden een uitstekend wapen in hun campagnes tegen de Joodse gemeenschap. Het bezorgde de radicale verlichter Adriaen Koerbagh een vroege dood in het Willige Rasphuis in 1669 vanwege zijn ongepubliceerde boek 'Een Ligt schynende in duystere Plaatsen'.

Nederland heeft zijn handtekening gezet onder het internationale mensenrechtenconvenant, en staat pal voor de vrijheid van expressie, van geweten en gelijkheid voor de wet, niet alleen op zijn eigen grondgebied maar ook voor hen die elders vechten tegen tirannieke godslasteringwetten, zoals de religieuze minderheden van Pakistan. Nederland zou een voorbeeld zijn van een land waar woorden in vrijheid wonen. Maar door vast te houden aan zijn wetten tegen godslastering en religieuze belediging verraadt Nederland dit erfgoed en deze belofte.

Door alle wetten tegen godslastering af te schaffen ben je er nog niet. Het volledig uitschakelen van wat ooit een discriminatoir religieus concept was betekent dat je erkent dat de aanspraken van gelovige en niet-gelovige moreel symmetrisch zijn. Ieder van ons, religieus en seculier, heeft evenveel recht en gezag om te spreken over wat heilig is. Het staat ons vrij om erover te twisten, een straf hoeven we niet te vrezen. Misschien worden we van de Areopagus weggehoond, maar we worden niet gekruisigd. Het zou een overwinning zijn van het debat over het heilige, voor alle partijen. Dus: dood aan de godslasteringwetten - lang leve de blasfemie.

Austin Dacey is filosoof en schrijver en woont in New York. Hij is verbonden aan Freemuse, een organisatie die zich inzet voor de mensenrechten van musici. Vandaag verschijnt zijn boek 'The Future of Blasphemy: Speaking of the Sacred in an Age of Human Rights' (ISBN 978 1441183927)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden