Opinie

Landré is perfecte clown in Pinters 'Niemandsland'

In zijn boek over het leven en werk van Harold Pinter beschrijft Michael Billington de typische ervaring van een toneelschrijver. Pinter vertelt hoe hij vanuit een taxi een kamer zag waarin twee mannen stonden. De een schonk iets te drinken in voor de ander. Hij voelde zich in de situatie geworpen waarin hij moest uitvinden wat ze tegen elkaar zeiden. Zo ontstond 'No Man's Land', dat tot zijn raadselachtigste stukken wordt gerekend.

Al kunnen we het verhaal dat verteld wordt, niet met gewoon verstand verklaren, het trekt als een sterke magneet aan onze angst voor de ijzige stilte van de dood, het niemandsland dat ons wacht. Intussen blijft het verhaal doodsimpel: een rijke en beroemde dichter, Hirst (Carol Linssen) neemt de shabby Spooner, een mislukte literator (Lou Landré) mee naar zijn huis om nog wat te drinken. Hirst heeft twee knechten, Foster (Hajo Bruins) en Briggs (Peter Bolhuis). Hun meester is duidelijk stervende, verdrinkend in een meer van alcohol, die 'kruipend op buik en bek', zoals Spooner het beeldend uitdrukt, midden in de nacht de weg naar zijn bed probeert te vinden. Spooner is ook de mythische figuur van Charon, de veerman die de gestorvenen bij hun aankomst in de onderwereld de doodsrivier overzet. 'Laat mij uw bootsman zijn' zegt hij tegen Hirst. 'Wanneer wij het over een rivier hebben, dan hebben wij het over een diepe en dompige constructie', een mooie vertaling voor Pinters dank and deep: het woord roept associaties wakker van dikke mist en benauwenis.

In de regie van Antoine Uitdehaag, en in een helwit decor van Tom Schenk dat met zijn verhevigd perspectief de associatie oproept van de lichttunnel waardoor een stervende volgens hardnekkig geloof uit het leven glijdt, speelt dit mannenkwartet met bewonderenswaardige scherpte de tekst: als met messen door de boter wordt de dialoog opgediend. Bruins en Bolhuis, in het eerste bedrijf wat informeel gekleed, in het tweede strak in het pak, zijn de een lichte huiver oproepende lakeien van de dood, die aan het slot de strijd met Spooner lijken te winnen.

De treurige, in wodka verzuipende vleesklomp van Linssen speelt ook met venijn de oergeestige grap van Pinter, als Hirst in het tweede bedrijf zijn gast begroet als een oude studievriend uit Oxford en een hilarische society-babbel met hem opzet over vrouwen en avonturen, die alleen al door de bizarre opeenstapeling van namen een aanstekelijke grap wordt. Maar de kroon van de voorstelling komt, terecht, Landré toe, die dit jaar 65 wordt en afscheid neemt van het toneel. Morsig, sluw, nu eens aanhankelijk en dan weer een vals kontkruipertje, vernederd door de knechten én met een sterk gevoel van eigenwaarde, domineert hij de handeling. Pispottenspoeler, schijthuisbediende, strontkoekenbakker - voor van alles maken de knechten hem uit. En hij is de clown, de engel des doods, die de zieltogende Hirst langs het meer leidt naar het niemandsland dat nooit beweegt en nooit verandert.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden