LANDJEPIK VOOR DE ZIEL ETNICITEIT

Football World. Stephen Wagg. Uitg. The Harvester Press, Brighton. 1984. Football and its Fans. Rogan Taylor. Leicester University Press, Leicester. 1992. Voetbalvandalisme: een speurtocht naar verklarende factoren. Hans van der Brug. De Vriesborch, Haarlem. 1986. Sports Spectators. Allen Guttmann. Columbia Univ. Press, New York. 1986. De eerdere afleveringen van deze serie verschenen op de woensdagen 12 januari, 9 en 23 februari, 23 maart, 6 april, 11 mei en 1 juni. Een brede grijns trekt om het gezicht van Paul van Himst: Gullit naar huis? Nu zullen zijn Rode Duivels die arrogante Leeuw eens de oren wassen. En zo verglijden vier weken in het teken van de etniciteit: die van Oranje warm en vertrouwd; die van anderen interessant maar voor ons doel doodeng. Het slot van de serie over groepsdenken en groepsdoen. Over het volk als supporter, soms feestend en soms wonden likkend: zijn er Nederlanders die straks in de finale niet schreeuwen, zingen, stiekem fluisteren: Hup Holland ...

MARTIN VAN DER LAAN

Op dat goddelijke moment rolde de bal in een waterig aprilzonnetje tergend traag langs doelman Grobbelaar. En voor zijn gevoel had Arsenal-gek Nick Hornby vanaf de tribune de keeper van het grote Liverpool zelf op het verkeerde been 'gekeken'. Deze Cup-zege op Wembley, peinsde Hornby, kwam hem evenzeer toe als de spelers: Charlie Nicholas, George Graham en de rest. “Ik heb er even hard voor gewerkt als jullie, met dat verschil dat ik er meer uren, jaren en decennia in heb gestoken.”

Bergkamp & Co. moeten uit Hornby's boek Voetbalkoorts goed begrijpen dat zij fungeren als marionetten in dienst van óns eergevoel. In werkelijkheid spelen wó, liefst vanaf de tribune, desnoods voor de buis. En natuurlijk voelen wij het diepe inzicht van Nico Scheepmaker veel beter aan dan de vedetten zelf:

Het doelpunt van Van Basten was het doelpunt van de eeuw# Je zag de Duitse adelaar verschromp'len tot een spreeuw#

De heldhaftige metafoor van 'De Oranje Leeuw' versus 'De Rode Duivels' verbloemt in wezen de tragiek: over drie dagen speelt in Orlando ons nationale ego een soort geestelijk landjepik tegen de Belgen, met als inzet een stuk ziel van de ander. Tegen de Duitsers gaat het ons doorgaans om een heel brok.

Voor een WK zonder de staat Oranje mag je op ons slechts rekenen als halve supporters, ook al poetsen we ons ego dan nog op met een nederlaag van Duitsland. Bij zo'n uitgekleed WK treedt ernstige nivellering op tussen de waarden van winst en verlies. Anders gezegd: niet voetbal is spannend, maar het fan-zijn.

Liefst hoorde ik de legendarische Leo Pagano vanuit de VS over de radio, maar we doen het met de buis. Eigenaardig, overdacht de antropoloog Edmund Carpenter de gevolgen van de TV: “Elektriciteit heeft ons allen tot engelen gemaakt, allomtegenwoordige geesten, bevrijd uit het lijf.” Knip met de knop: Rijkaard in Hoogkarspel. Knip: Rijkaard in Kuala Lumpur.

Met dank aan TV-pionier Paul Nipkow schieten we straks colllectief in de stress als Frank de Boer zijn slordigheid weer begaat en Luc Nilis hem er uitgerekend nu wèl in schiet voor België. Wat gebeurt er in hemelsnaam? Ons gemoed wordt de keel dicht geknepen; de teleurstelling krijgt een existentiële lading waar we in normale doen ongetwijfeld het hoofd om schudden. Dat 0-1 zo dramatisch kan zijn, en 1-0 zo gelukzalig en beangstigend tegelijk.

Waar komt die extreme identificatie met iets van oranje vandaan? 'Huillachend' vloog een vriend me in de armen toen Joop Zoetemelk op z'n oude dag nog als wereldkampioen over de meet ging. Geen adelaar als Bahamontes, een schuchtere die zijn eerste grap nog moet vertellen en toch had half Nederland het toen mèt Jopie even behoorlijk te kwaad. De sociaal-psycholoog H. Tajfel begreep het: Zoetemelk schreef fors krediet bij op rekening van een instantie waar wij onze sociale identiteit aan ontlenen. Die middag werd het volk 'Holland' wereldkampioen.

Kijken we daarom naar Oranje, in afwachting van de opwaardering van ons 'zelf'? Of zoals socioloog Stephen Wagg in The Football World suggereert: toeschouwers komen niet zozeer voetbal consumeren maar allereerst succes. Hun eigen succes. Er wordt gespeeld om de belangen van de fans. Daardoor ook werd het spel loodzwaar van het prestige van de supporters, meent Wagg. Het peil moest omhoog, die eis schalde voortdurend van de tribune. Geen wonder dat voetbal uit de jaren zestig nu al van prehistorisch niveau lijkt, betoogt de socioloog. Zelfs een droompartij met Stanley Matthews is niet meer om aan te zien.

Dat er handel zit in zelfwaardering van de toeschouwers is inmiddels wel gebleken. Hun hunkering naar een positief zelfgevoel is een miljoenenzaak geworden. Het is lang geleden - 1880 - dat een slimme industrieel uit het Engelse graafschap Shropshire landelijk opzien baarde met de gulle sponsoring van het lokale team, dat hij een gouden horloge de man in het vooruitzicht stelde bij winst van de cup.

Supporters vereenzelvigen zich niet in de eerste plaats met de grootste balkunstenaars zelf, maar met de vertrouwde club. Voor deze WK-gelegenheid dijen Cambuur en Excelsior uit tot Oranje en daarmee rekt de voetbaletniciteit van de fans ook op. Vaderlandse fans zijn allen één in dienst van wat de pyscholoog Sherif al eerder in deze serie typeerde als het 'overstijgende doel'. Vier weken lang zingen concurrerende supporters in de maat, nu ze voor hun sociale identiteit en eergevoel vertrouwen op een overeenkomstige voetbalafkomst. Maar al te vaak een blind vertrouwen, waarschuwt Scheepmaker:

Maar voor 't geval dat u denkt dat Holland op z'n sloffen wint# dan bent u zoniet stapelgek dan toch minstens stekeblind.# Want Rusland heeft haast vijfmaal zoveel voetballers als wij,# dus vijfmaal zoveel Marco's# met hun doelpunten erbij.

Overigens steekt de voetbaletniciteit regelmatig de grens over, bleek me in het Franse Pau op zaterdag 25 juni 1988. Bij de kopstoot van Gullit en de omhaal van Van Basten vroeg ik me in dat café op de hoek van de straat af of het nu onze of hùn jongens waren. De kroegbezoekers lieten met een glimlach onze kant op wel merken dat zij beseften dat wij het werden, maar vervolgens gingen ze weer tekeer alsof Frankrijk hier tegen de Russen het Europees kampioenschap binnenhaalde.

Ach, dacht ik nog, zaterdagmiddag, even weg van die schier eindeloze akker in Zuid-Frankrijk, laden ze hun leeggelopen ego op met de herosche winst van een ander. Als Michel Platini het niet mocht worden, dan moesten de grenzen maar worden verlegd voor hun eergevoel. Napoleon had het zo koud gehad tegen de Russen. En voor hetzelfde geld hadden zij ons verdriet gedeeld bij het missen van de Russische beer. Het dier waarover Nico Scheepmaker van boven schampert:

Je moet bij het verkopen van de huid aan het publiek# het dier wel eerst vermoorden anders dient het van repliek#

Zo denken supporters niet. Hun barometer neigt eeuwig naar de plus. Ze mógen hun kansen niet relativeren, want daarmee wijkt de spanning en daar was het juist om te doen, menen andere sociologen. Voetbal is een collectieve douche om de saaiheid van alledag af te spoelen. Daarin ligt de vreugde, beweren de 'spannings- en risicotheorieën', niet in het opvijzelen van het zelfrespect maar in het beleven van drama waar het de hele nietszeggende week aan onbrak. De strijd om het bestaan is geen heroëch gevecht meer, het leven kabbelt dezer dagen teveel, en daar kan die onberekenbare aanvaller Peter van Vossen tegen de Belgen nog iets aan doen.

Zie het maar als een soort carnaval, zegt socioloog Louis Kutcher. “Een vlucht in fantasie en rivaliteit, een kort uitstapje uit de dagelijkse sleur”, vatte Hans van der Brug het samen in zijn proefschrift Voetbalvandalisme.

Maar Van der Brug zelf betwijfelt of de supporter louter een spanningzoeker is die, moe van de routine, zijn adem wil inhouden bij zo'n wedstrijd als die van overovermorgen: Nilis-Bergkamp. Hier bedriegt de vanzelfsprekendheid, toont hij met een treffend voorbeeld aan. Russisch roulette: zou een door geestdodend werk versuft mens zich ervoor lenen een pistool tegen de slaap te houden om voor een hoop geld met een kans van één op zes zich een kogel door zijn hoofd te jagen? Al wat zich tot RKC of Vitesse rekent laat dit dodenspel aan zich voorbij gaan. Maar niet die soldaten in Vietnam. Zij durfden het aan: doodgeslagen door de spanning, en daardoor op zoek naar spanning. Zie je ze al ganzenborden in die situatie, verduidelijkt Van der Brug nog. Spanning zoekt spanning.

Voetbaletniciteit verliest hier aan grandeur: het spel is spannend voor mensen die geen spanning gewend zijn! Louis Davids zong indertijd ook al dat hij er niet veel aan vond. Eerst de ene kant ophollen en dan weer terug, hij begreep het niet helemaal. Voor de beleving van echte suspense lopen toeschouwers in wezen ook te weinig risico, stelde de psycholoog R. B. Cialdini zelf in het stadion vast. Bij winst praten ze over 'wij', bij verlies over 'zij' en horen ze er even niet bij. Een listige cognitieve truc om de pijn van de nederlaag voor onszelf te verzachten.

Laten we aannemen dat spanning en de behoefte aan zelfbevestiging het gedrag van de fans voor een deel verklaren: waar berust hun luidruchtig fanatisme dan nog meer op?

Supporters zoeken niet zomaar een beetje opwinding, vermoeden sociologen als Norbert Elias en Eric Dunning, ze krijgen in het weekend ook drie uur de tijd om de ketens van het hedendaagse gareel af te werpen. In het stadion mag je even die pleister van de civilisatie van je mond halen die je van maandag tot vrijdag belet om uiting te geven aan je emoties. Dus de spanning is er doordeweeks wel, maar zit achter slot en grendel. Op de tribune neem je ongestraft een emotionele timeout, schrijft Alan Guttmann in Sports Spectators.

Daarbij brengt het opgaan in die opgewonden stoet van supporters volgens psychologen het verstand wel ernstig aan het wankelen. In extreme vorm kan, net als bij mensen in oorlog, een zekere deédividuatie optreden, waarbij supporters met een waas voor ogen de tegenstanders amper meer als mens beschouwen. Tegen die tijd gebiedt hun voetbaletniciteit hun om de vijand zonder pardon een doodschop te verkopen.

Misschien heeft het enthousiasme van de fans een nog meer ordinaire achtergrond en zoeken zij in het voetbalstadion een beschaafde uitlaatklep voor agressie? Misschien iets voor Freud en Lorenz: de supporters komen wekelijks hun instinctieve driften uitleven, niet zo wreed meer als bij het gansknuppelen in vroeger dagen maar in gesublimeerde vorm. Na een stevige aframmeling van de tegenstander kan de supporter zijn eigen agressie weer een weekje de baas. Van der Brug gelooft er niet al te veel van.

Zien van geweld roept juist agressief gedrag op, is al zo vaak gebleken. Illustratief is het volksvoetbal uit vroeger eeuwen, toen hele dorpen rond Pasen over kilometers afstand door velden en straten, over stroompjes en rivieren een opgeblazen varkensblaas achterna renden, zonder dat er een limiet was gesteld aan het aantal deelnemers. Schoppen, slaan, alles was toegestaan toen oorlog en spel elkaar nog dicht raakten. In die dagen betekende toekijken ook zoveel als meespelen, schrijft Rogan Taylor in Football and its Fans. Voor je het wist was je als argeloze wandelaar zelf aan de bal.

In 1863 schreef de Engelse bond voor dat het een elftal moest zijn en daarmee vond ze tegelijkertijd het passieve toeschouwen uit. Voor de klunzen, merkt Alan Guttmann op. Niemand schijnt zich er nog over te verbazen dat per se de begaafde spelers op het veld moeten staan en de knuppels langs de lijn. Vredelievender werd het er trouwens niet op: “Heden ten dage bezwijken meer supporters dan spelers aan voetbal”, meldde de schrijver Charles Edwardes reeds in 1892.

Tja, de ogen van het publiek verslinden net zo hard als de tanden van het beest, merkte een bisschop in de 5e eeuw op over geweld tijdens spelen. Kerkvaders van weleer vonden competitiesport sowieso verderfelijk. Gek genoeg kregen ze gezelschap van hun latere tegenpolen, de neo-marxisten, die de verdwazing van supporters maar verspilde energie vonden. Die uren in het stadion waren immers verloren voor een mogelijke protestmars tegen de heersende klasse.

Welbeschouwd houden voetbalsupporters met z'n allen op die tribune de kapitalistische orde in stand. Om het nog aan te dikken: “De industriële samenleving is hard doende de individuele wereld van dromen en het vrijheidsgevoel in je vrije tijd te koloniseren via het medium sport.” Nicholas Petryszak zei zoiets.

Zo klinkt het vanuit vele wetenschappelijke hoeken: op de tribune verliest de supporter zichzelf aan iets of aan een ander. Is dat nu werkelijk wat er in het stadion of voor de buis gebeurt? Je kunt een keur van denigrerende pyschologen en sociologen opvoeren, die elk weer op een ander facet in het groepsgedrag en de wedijver op tribunes de nadruk leggen.

Om nog een paar wetenschappers aan te halen die zeker niet bij Nederland-België in Orlando zitten: succes en prestige, daar gaat het hier toch alleen maar om, zegt Maslow. Voor hem is Bergkamp-Nilis synoniem met Lubbers-Dehaene. Begrijp het eerder uit de behoefte aan identiteit en uniciteit, gebiedt de pessimistische cultuurpsycholoog Erich Fromm: als het mensen aan creativiteit ontbreekt om die wens te vervullen, zoeken ze het bij een groep die daar wel in slaagt. Volgens Fromm is de wereld helaas overbevolkt met supporters, die voor een beetje vuur in hun leven teren op succes van buiten.

Wat zwartgallig allemaal, laat Rogan Taylor in Football and its Fans doorklinken. Altijd hangt voetbalsupporters al zo'n veroordeling boven het hoofd, ze leven van oudsher in een no-fans-land, schrijft hij. Hoe vaak hebben clubbestuurders de loyaliteit van fans niet verkwanseld? Ze hebben met hun dure loges en VIP-gedoe de apartheid geëtroduceerd, in de club èn in het stadion. Door toenemende commercialisering zijn de supporters meer en meer anoniem geworden.

En nog altijd onbegrepen volgens Taylor, omdat die mengeling van enthousiasme en identificatie met een voetbalelftal te complex is om te doorgronden:

Hier staan geen consumenten die een vrijtijdsprodukt nuttigen. En evenmin gaat het om de gesloten gelederen van een specifieke gemeenschap die een symbolische representant van hun solidariteit op het voetbalveld komen ondersteunen. Het is altijd méér! Wat doet al die fans toch zo lijken op tempelgangers van een lokale religieuze sekte met een haast internationale allure? De drama's van winst en verlies markeren hun leven als de wegwijzers op een pelgrimstocht.

Dat is een liefhebber, nemen we aan. Maar liefhebben ligt toch gewoon in de schoonheid van die sport zelf besloten, probeert socioloog Alan Guttmann nog eens. Gewoon kunst! De salto van de gymnast of de save van Ed de Goey, ze roepen bij hem vergelijkbare emoties op als een cantate van Bach. “Zag je Jesse Owens naar de eeuwigheid sprinten?”

Maar dat is me teveel eer voor het moderne opiaat profvoetbal, werpt de oude wijsgeer Seneca tegen. “Vroeger gooiden ze het uitschot bij ons 's morgens als aas voor de beren en leeuwen en 's middags als gladiatoren voor de toeschouwers. En daar zaten op den duur niet veel mensen bij zinnen meer onder. Ik geef het u op een briefje: als straks tijdens een plotseling optrekkende dichte mist boven het veld in Orlando de duivels en leeuwen als geintje ongemerkt van shirt verwisselen, zal het blinde volk zijn kleur na de hervatting trouw blijven toejuichen. Het wordt daarna 1-0 voor Oranje: in naam van dat oranje wordt de Duivel een paar wedstrijden later wereldkampioen en de waarheid zal nooit aan het licht komen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden