Landjepik irriteert Europa

Buitenlandse investeerders kopen grote arealen landbouwgrond, met subsidie

Met bescheiden akkertjes neemt de investeerder uit Libanon geen genoegen. In Roemenië bewerkt de Maria Group, een internationaal opererend concern, 65.000 hectare landbouwgrond. Dat is grofweg de helft van de provincie Utrecht. Zelfs naar Amerikaanse maatstaven, waar grote landerijen geen uitzondering zijn, is dat enorm. Behalve de grond en een slachthuis bezit de firma een eigen haven in het zuidwesten van het jonge EU-land. Hiervandaan exporteert de Maria Group vlees en granen naar de Arabische landen en Oost-Afrika.

Critici noemen dit soort gigantische grondinvesteringen landgrabbing of zelfs landroof, omdat die de lokale bevolking zouden benadelen.

Lang werd aangenomen dat het op grote schaal opkopen van landbouwgrond door buitenlandse geldschieters Europa bespaard zou blijven. Maar uit recent onderzoek in opdracht van het Europees Parlement blijkt dat het ook hier voorkomt. Vooral in de nieuwe, armere EU-lidstaten komen vele hectares in handen van buitenlandse investeerders.

In Afrika, Azië, Zuid-Amerika en landen van de voormalige Sovjet-Unie is al langer sprake van landgrabbing, maar in de Europese Unie is het een nieuw fenomeen. Reden voor het Europees Parlement om het op de agenda te zetten.

Hoewel de buitenlandse opkopers bij de betrokken regeringen welkom zijn, vinden de onderzoekers van het Transnational Institute de gevolgen voor de regio vrij negatief. Het Europese model van een klein boerenbedrijf in familiebezit moet plaatsmaken voor agrarische multinationals die de relatief goedkope grond opkopen. Met een oplopende werkloosheid onder de lokale bevolking tot gevolg. Bovendien is de impact op natuurlijke bronnen groot. Het milieu, de grond en de watervoorziening worden door grote concerns uitgeput.

Volgens de auteurs is de grondverkoop sinds het begin van de financiële crisis in 2008 sterk gegroeid. Het meest extreme voorbeeld is Roemenië, waar buitenlandse investeerders 40 procent van alle landbouwgrond in eigendom hebben. 10 procent is in handen van investeerders van buiten de EU en 30 procent is opgekocht door Europeanen, onder wie ook Nederlanders.

In Bulgarije en Polen is de situatie niet veel beter, en in iets mindere mate komt landgrabbing voor in de Baltische staten, Tsjechië en Slowakije. In heel Europa zijn de kleine boeren, met minder dan 10 hectare grond, sinds 2008 in totaal 17 procent van hun grond kwijtgeraakt. Dat staat gelijk aan een gebied ter grootte van Zwitserland.

Opvallend is de interesse van investeerders van buiten de agrarische sector, zoals investeringsfondsen, private equity en banken. Op de lijst van landopkopers prijken de namen van belangrijke spelers uit de financiële wereld. De Zwitserse bank Credit Suisse, de Duitse verzekeraar Allianz en QTV Fund LP, met een hoofdkantoor op de Kaaimaneilanden, bezaten in 2009 samen al bijna 30.000 hectare landbouwgrond in Roemenië.

Voor kapitaalkrachtige geldschieters loont het om in akkerland te investeren. Velden die bebouwd worden met maïs of soja, bestemd voor de veevoerindustrie, zijn dankzij moderne landbouwtechnieken populair bij beleggers die streven naar winstmaximalisatie. Geen enkel ander speculatieobject kende de afgelopen jaren een grotere waardestijging. Daar komt nog eens de EU-subsidie van 250 tot 300 euro per hectare per jaar bij.

Volgens Martin Häusling, Europarlementariër voor De Groenen, moet het landbouwbeleid veranderen: "Het mag niet zo zijn dat de subsidies, bedoeld voor lokale boeren, in handen komen van enkele internationale grootgrondbezitters."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden