Laet vallen, als ick vall' - met deze kroone op 't hooft

In de opvoering van Lucifer van Joost van den Vondel hebben de engelen van regisseur Hans Croiset weer vleugels. Maar in welke enscenering ook, is het een drama over de titanenstrijd tussen goed en kwaad, over twijfel aan Gods rechtvaardigheid, over het verschijnsel van de val, zo licht neerlandica Gerda van der Haar toe. Het toneel is de hemel, de gevleugelde spelers aards.

De morgenster valt ter aarde en dieper nog, wordt in de afgrond neergestoten. Joost van den Vondels 'Lucifer' (1654) over de val van de aartsengel en zijn gedaantewisseling tot duivel speelt in voorwereldlijke tijden, maar alle toepasselijke bijkbelteksten zijn van apocalyptische aard. Dat is geen wonder: het gaat hier om de titanenstrijd tussen goed en kwaad. Bij dergelijke grootheden doet het er minder toe of ze aan het begin of juist aan het eind der tijden gedacht worden. Het dodelijke gevecht om het uiteindelijke heil stijgt daar bovenuit.

In het buitenland bestudeert men graag de Lucifer omdat hij zo mooi afsteekt bij Miltons Paradise Lost en bij uiteenlopende andere verschijningen van de vallende engel. Binnen Nederland vindt men het uiteraard moeilijker om een eigen dichter op waarde te schatten, maar de schrijvers Jacob van Lennep, Albert Verwey en Frans Kellendonk hebben elk in eigen tijd de Vondelreceptie flink opgerakeld. Zo is het essay Geschilderd eten (1988) van laatstgenoemde geheel gewijd aan Vondels taaltechnisch vernuft en de werkelijkheid die hij daarmee aanraakbaar dichtbij weet te halen (waarbij Kellendonk verwijst naar nog een literaire Vondelaar: Anton van Duinkerken). Tijd om Vondels klassieker weer eens op te slaan.

Het tooneel is in den hemel. Op de hemelvloer verschijnen engelen met boosaardige namen als Belzebub en Belial. Zij zijn benieuwd of hun kompaan Apollion nog terugkomt van het aardse paradijs, alwaar hij Adams 'heil en staet' is gaan aanschouwen. Wat brengt Apollion, vervolgens? Een vruchtentak met bladeren parelend als zilverdauw en ooft zo glanzend in karmozijn en goud, dat Belzebub, zijn engelenstaat ten spijt, verlekkerd watertandt en zich nauwelijks kan beheersen: men zou ons Paradys om Adams hof verwenschen - 't geluck der Engelen moet wycken voor de menschen!

Zo valt Belzebub meteen al voor de appel, die in het vijfde (en slot-)bedrijf volgens hemelse berichtgeving ook Eva noodlottig wordt. Elke vraag van Belzebub aan spion Apollion druipt van de jaloezie en diens antwoorden zijn olie op het vuur. God trekt Adam voor. De mens is een wonderlijke samenvoeging van klei en geest, bij wie de ziel uit de stoffelijke ogen straalt. Onbegrijpelijk is het voor een engel, temeer daar het menselijk geslacht van tweeërlei kunne is en voortdurend bruiloft viert... ,,Je lijkt wel verliefd', sist Belzebub Apollion toe. ,,Ik moest mijn vleugels voor mijn ogen vouwen', geeft deze toe. Adam is begerenswaard om wie hij is, Eva om hoe zij naar hem kijkt. De engelen zijn mannen die niet begrijpen wat het is, zo'n vrouw. Adam en Eva ondertussen leven volgens het rapport bij de vruchten van de levensboom. Dankzij hun Edense bruiloftsfeest wort 'er met der tyt een weerelt aengeteelt - de mens wort den Engelen, zijn' broederen, gelijck, ja overtreftze in 't eindt; en zal zijn maght en Rijck verbreiden overal. Wie kan zijn vleugels (!) korten?

Belzebub trilt nog van begeerte, als Gabriël opkomt, of neerdaalt. Hij is de eerste 'goede' engel die het toneel betreedt. Zijn boodschap maakt het er voor Belzebub, Belial en Apollion niet beter op. God, beschreven als de Goedheid zelve, is voornemens het mensdom te verheffen tot ver boven de engelen uit, tot in het licht dat niet verschilt van God. De Goedheid wil daarnaast gaan afdalen tot in de menselijke natuur.

Dat hadden de engelen ook wel gewild. Appelen eten en vrijen. Het drietal proto-duivels krijgt echter geen gelegenheid meer tot antwoorden. Het eerste bedrijf van de Lucifer wordt direct daarop zingend afgesloten door de rei van engelen. Vondels engelenlied is later door Martinus Nijhoff op de klinkende regels samengevat:

Wie is het, die zo hoog gezeten,

zo diep in 't grondeloze licht,

van tijd noch eeuwigheid gemeten,

bestaan kan zonder tegenwicht? [...]

Heilig, heilig, nog eens heilig,

driemaal heilig: eer zij God.

Buiten God is 't nergens veilig.

Heilig is het groot gebod.

De toeschouwer blijft na dit eerste bedrijf in lichte verwarring achter. Hij of zij is verleid tot meevoelen met Belzebubs afgunst, maar realiseert zich dat die jaloezie de eigen menselijke staat betreft. Dat laat een mens natuurlijk niet koud. Terwijl de toeschouwer dus ineens trots en geamuseerd rondkijkt, moet zij of hij ontdekken dat niet alleen afgunst maar ook hoogmoed een duiveldeugd is. Waarop er een lofzang losbreekt op Gods goedheid waarmee kunstzinnig gezien alleen maar instemming mogelijk is.

Vondel vond het spannend om verheven personages ten tonele te kunnen voeren. Het maakte deel uit van de pr voor het kunstwerk Lucifer, dat louter engelen 'de stellaedje stoffeeren'. Maar de loodlijn die Vondel in bijna al zijn beelden uitzet loopt van mens tot God, van het ene onzichtbare personage naar het andere. Engelen zijn boden, en de hele Lucifer is bodetekst.

De menselijke toeschouwer raakt niet alleen aangedaan via identificatie met de mensachtige engelen op het toneel, maar ook door de knap volgehouden suggestie dat het menselijk heil op het spel staat.

Komt in bedrijf II Lucifer zelf aanrijden, zijn wagen bespannen met de leeuw Hoogmoed en de draak Nijd. Hij (Hans Croiset laat hem spelen door Barbara Pouwels) is zichtbaar kwaad, beledigd, cynisch: 't is tyt dat Lucifer nu duicke, voor de komst van deze dubble star, die van beneden ryst, en zoeckt den wegh naar boven, om met een' aertschen glans den hemel te verdooven.

Lucifer is in de rouw, want de Goedheid gaat aan hem, haar eerste kind, voorbij ten gunste van haar jongste lieveling: een pietepeuterige mens in een aardse hof.

De woorden die Lucifer vanaf zijn wagen tot Belzebub richt, staan allemaal in de verticaal. Een aerdtworm, uit een' klomp van aerde en klay gekropen braveert uw mogentheit...

Wij zyn ter dienstbaerheit, de menschen tot regeeren geboren. Legh voortaen den scepter uit der hant: een lager is 'er, die de kroon daer boven spant.

En, wanneer Belzebub de zaak nog wat heeft opgestookt: is 't noodlot dat ick vall', van eere en staet berooft: laet vallen, als ick vall' met deze kroone op 't hooft.

Waar in de eerste scènes Belzebub, Belial en Apollion al bijna door hun hemelse toneelvloer zakten van de nijd, daar provoceert vorst Lucifer in het tweede bedrijf in hoogmoedige verontwaardiging reeds zijn eigen val. Het toneel is in de hemel, maar het wankelt. Tot in de steigerende trekbeesten van Lucifers wagen toe heeft Vondel de ruimtelijke metaforiek doorgevoerd. In zijn berecht vooraf legt hij uit, dat de leeuw zich hoger acht dan alle dieren (hij zal straks met zijn menner in de diepte storten, weet de toeschouwer) en dat de draak van verre zijn giftige nijd inspuwt in degene die iemands anders geluk begeert. Nijd of afgunst kan ook in het horizontale ontstaan, zegt dit beeld.

Lucifer heeft het gevoel dat hij in de omgekeerde wereld is terechtgekomen. De waarde van de hemel wordt lager geschat dan die der aarde, de hemel zelf wordt onderdrukt en het aardrijk uit zijn poel boven alle sterren opgetild. God wil dat de engelen de mensen gaan dienen - de gedachte alleen al. Bovendien is de Godheid van plan haar wezen uit te storten in een lichaam. Hoe wil zij dat doen, d' eeuwigheit verknoopen aen 't begin? het hooghste aen 't allerlaeghst? den Schepper aen 't geschapen? Wie kan uit dit besluit den zin te zamen rapen? Het duizelt Lucifer, het duizelt ons. Dat is precies wat Vondel wil.

De omgekeerde wereld is altijd het terrein van de duivel geweest. Maar hier laat de 'duivel' zich van de wijs brengen doordat God goed wil zijn voor de mensen - nog vóór er overigens van hún val sprake is.

Al wat God behaagt, is wel. Er is vaak gewezen op de ongemeen soevereine houding van Vondels God tegenover Lucifers rechtvaardigheidsgevoel. Lucifer wordt na zijn vurige en hoogmoedige opkomst namelijk in iedere scène een fractie humaner. En tragischer. Hij is de leenman die door zijn heer geheel ten onrechte wordt gepasseerd. Vondel geeft Lucifer de taal mee van de oude feodale orde, die tevergeefs vecht tegen een renaissancistische soevereine koning. De toeschouwer kan zich daardoor heel gemakkelijk identificeren met Lucifer.

Maar het is wel de bedoeling dat die toeschouwer óm gaat. Verborgen genade vergt blijkbaar enig vertrouwen. 'De zaligheit bestaet in een gerust genoegen'.

Vondel had een absoluut vertrouwen in liefdevolle soevereiniteit, zowel op aards als op metafysisch terrein. Hij verwachtte er alle heil van, zolang de soevereiniteit door de onderdanen of gelovigen maar niet misbruikt werd voor wreedheid. Dat laatste verweet hij de steile calvinisten. Zijn toneelstuk, geschreven en heel even opgevoerd in de hoofdstad van de Republiek der Nederlanden, droeg hij welbewust en enigszins provocatief op aan de Duitse, roomse 'Keizerlycke Majesteit Ferdinandus den Derden'. Vondel is wat betreft koningsvertrouwen (aards én metafysisch) aanzienlijk optimistischer dan de gemiddelde psalmendichter of oudtestamentische profeet.

In de loop van de vijf bedrijven van de Lucifer wordt de ruimte van het hemeltoneel steeds verder benoemd en uitgebouwd. Vondel weet in zijn beelden steeds weer andere uithoeken en richtingen te vinden. Tot in het beslissende eindgevecht, waarvan sommige taferelen doen denken aan de bijbelse Apocalyps, het 'boven, onder, slinx en rechts' niet van de lucht is.

Als Lucifer eenmaal aan het vallen raakt -en eigenlijk viel hij al vanaf het begin- is er geen houden meer aan. En passant sleurt hij Adam mee.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden