Lacht de koe om haar smeerkaas?

Als er dan toch een verschil tussen mens en dier moet zijn, is dat volgens bioloog en schrijver Midas Dekkers de humor. Want humor is een kwestie van gevoel voor taal.

’Dieren weten zich zonder humor aardig te redden hoor.’ Bioloog en schrijver Midas Dekkers stelt het onbekommerd vast. Dieren hoéven geen humor te hebben. Sterker: net als kinderen kúnnen dieren niet eens humor hebben, aangezien ze over geen enkel wereldbeeld beschikken.

Als er dan toch een verschil tussen mens en dier moet zijn, is dat volgens Dekkers humor. Want humor is puur een kwestie van gevoel voor taal. De bioloog kan nog droef worden als hij aan de wetenschappelijke pogingen van de jaren zestig denkt om apen of dolfijnen mensentaal bij te brengen. En hoe het met die proefapen is afgelopen. Eén proefaap werd zelfs na jarenlange logies in het laboratorium terug naar het oerwoud gebracht.

Dekkers: „De onderzoekers dachten dat apen konden praten zodra die ’Ik hier banaan!’ of ’Snel twee banaan’ of ’Dankjewel’ nabootsten. De apen zouden zelfs iets van syntaxis afweten. Onzin, allicht. Ik hanteer het criterium dat apen of dolfijnen pas kunnen praten zodra ze een mop kunnen vertellen.”

Aangezien ze geen taalgevoel hebben, kunnen dieren ook geen gevoel voor humor hebben. Hoewel, in zijn column ’La vache qui rit’ beschrijft Dekkers een uitzondering op de regel: de papegaai van zijn tante. „Die papegaai kan foutloos ’Poespoespoespoes’ zeggen. Zodra hij dat doet komt de aangesprokene, in de hoop op eten, aangesneld. Wanneer de poes dan, bij de voet van de papegaaiestandaard gekomen, zijn domste gezicht trekt, wipt de vogel luid snaterend van plezier van poot op poot en schudt de vleugels van het lachen. Waarmee in ieder geval bewezen is wat tante zo vaak zegt: van een kat heb je altijd plezier.”

’La vache qui rit’ is het vaandel van de stoet aan spiegelingen waarvan uiteindelijk dieren zelf de dupe zijn of worden. En dan gaat het ver voorbij de vraag of De Lachende Koe lacht omdat die zulke eigenzinnige smeerkaas aan het maken is.

Vanzelfsprekend kent de bioloog de bordkartonnen biggetjes, die voor slagerij-etalages in hun eigen malse hammen prikken. En de opgezette haas op de poeliertoonbank, gehuld met jachttas, jagerspetje en schietgeweer omgord. Of de bordkartonnen forel die, de hengel over z’n kieuwen bungelend, op weg is naar de dichtstbijzijnde forellenvijver.

Maar het mooiste wervingspaneel voor een varken zag hij bij de slagerswinkel ’Le cochon sans rancune’. Een beetje beteuterd: „Maar ja, dat had die sláger dan weer bedacht. Zelfs een slager heeft meer humor dan het varken zelf zegt te hebben. Ach, al die lachende varkentjes zijn niets anders dan pogingen om ons van ons schuldgevoel te bevrijden. Want in wezen is het natuurlijk schaamteloos, al dat dode vlees in de vitrines. Als ik slager was, zou ik proberen te verbergen dat ik stukken dier verkocht. En nooit zeggen dat ik ’zuiglam’ in het voorjaar had.”

Dat doet hem aan de tonijnen denken, die aldus aanprijzen: ’Eet geen dolfijn, maar tonijn!’ „Japanse en Amerikaanse tonijnvissers kregen ook allemaal dolfijnen in hun netten. Dolfijnen zijn zielig, die mag je niet eten, en werden dus, soms verminkt, overboord gezet. Ze werden vast vriendelijk toegesproken door de tonijnvissers en kregen ook nog een boterham met kaas mee, maar ze moesten weer naar huis. Om het geweten te sussen staat er nu op blikjes tonijn dat die gevangen zijn met dolfijnvriendelijke netten. Zoiets heet met een mooi jiddisch woord ’een gotspe’. De gotspe is dat het een schandaal is dat je daar toch verschrikkelijk om moet lachen.”

Kom bij Midas Dekkers niet met fabels aanzetten, die via de dieren over de mensen zouden verhalen, want daarin schuilen slechts ’zouteloze grappen’, weet hij. „Dan voert de verteller in een soort stenografie zijn volgend personage op: een toch wel slimme, maar toch ook huichelachtig figuur, en dus trommelt hij ’de vos’ op. En dan weet iedereen meteen hoe laat het met dat personage is. Bah, het dier als metafoor op pootjes.

Het is ook volslagen inwisselbaar. Mensen zeggen onderling: ’Die? Oh, dat is een jakhals’. Terwijl je als bioloog weet dat jakhalzen helemaal niet zo laf zijn als iedereen denkt, of dat ’dus’ een mens van een jakhals een profiteur is.”

„Fabels staan vol tegengestelde betekenis: je kunt slim én dom zijn als je voor uil of voor uilskuiken wordt uitgescholden. En de uil zelf weet ondertussen van niks. Het doet er eigenlijk geen moer toe. Als jij zegt: ’Die vrouw is een echte poes’, weet ik wat je bedoelt. Een soort steno voor een complex aan eigenschappen.”

„Met die kabinet-op-het-bordesfoto komen er altijd weer wedstrijden in de krant: welke karaktereigenschap van welk dier heeft welke bewindsman (m/v)? Of om het nog moeilijker te maken: welk honderas. Het sluit naadloos aan bij de vooroordelen die wij over dieren hebben.”

„Het varken is in het ene land een vies, verachtelijk mormel, terwijl het in Duitsland als ’everzwijn’ in familiewapens op kracht, moed en welvaart wijst. Ze vernoemen elkaar zelfs naar het zwijn: Evert. Waar je meteen twee kanten mee op kunt: ’Du, Evert, du bist ein Schwein, ja!’

„Humor is de smeerolie van ons bestaan. Vandaar dat mensen zonder humor zoveel moeite met de wereld om zich heen hebben. Als je geen benen hebt, kun je altijd nog een karretje kopen. Maar als je geen gevoel voor humor hebt, dan ben je werkelijk te beklagen.

„Grappen zijn noodzakelijk, niet voor niets gaan die vaak over oorlog, dood en geestelijke nood. Ze dienen om je te wapenen, en paradoxaal genoeg om aan te geven dat het je serieus is. Want iemand die grappen maakt, is serieus.”

In het Boekenweekessay ’Op weg naar het schavot’ verhaalt Kees Fens van de titelfiguur, de bisschop van Rochester, die op 22 juni 1535 op last van Hendrik VIII wordt vermoord. Vlak voor zijn dood vraagt de bisschop zijn bewakers een schoudermanteltje omdat hij bang is kou te vatten. Een letterlijk geval van galgehumor?

Midas Dekkers grinnikt er aanvankelijk niet om, en hoort een serieuze ondertoon. „Ook die laatste twee minuten van zijn leven wilde hij kennelijk niet verkouden worden. Dat is heel logisch.”

Dekkers verheugt zich op de reeks lezingen die hij tijdens de Boekenweek door het land houdt. „Het liefst in een zaaltje achter de kerk in de provincie. Daar komen dan mensen op honderd keukenstoelen zitten om naar een wauwelende meneer te luisteren die nog niet eens dia’s bij zich heeft. Die mensen genieten, zijn zo blij dat ze niet meer hoeven te zappen. En na de pauze komen ze nog terug ook!

„Het is een genot om die gemeenschapszin te zien. Het is natuurlijk ook een complot, een samenzwering, waar toneelspelers ook van kunnen vertellen: ik in het licht, jullie in het donker, en samen gaan we een aangename avond met elkaar hebben. En als er iemand is die niet weet waarom de anderen lachen, gaat die van ellende vanzelf wel mee lachen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden