Review

Lachen in de banlieue

Rellen, armoede, huiselijk geweld: het beeld van de banlieue (en haar Nederlandse varianten) stemt niet vrolijk. En de literatuur die dit harde straatleven oplevert evenmin: kale getuigenissen of armoedig realisme. Maar het kan ook anders: juist in die beruchte Franse banlieue wonen schrijfsters die literair meer te bieden hebben. Hun geheim? Humor!

Hangjongeren komen tot akelige dingen. Zo gaan er in heel Frankrijk bij rellen en opstootjes elk jaar zeker 50.000 auto’s in vlammen op, meldde de krant Le Figaro onlangs. Meer dan 135 auto’s per dag dus. Het zwartste jaar was 2005, toen er in de Franse banlieues een ware volksopstand uitbrak onder de minderbedeelde allochtone jeugd. Ook de rest van het verhaal is bekend: in alle grote steden in het land zijn wijken waar de politie zich amper meer laat zien, waar drugshandel en -drugsverslaving, armoede, huiselijk en bendegeweld heersen op een schaal die bij ons in Nederland (nog?) onbekend is.

Het was onvermijdelijk dat dit straatrumoer ook in de Franse boekhandels zou doorklinken. Aanvankelijk verschenen er vooral persoonlijke getuigenissen van het uitzichtloze leven in achterstandswijken, zoals van vrouwen die het slachtoffer waren geworden van tournantes, gewelddadige groepsverkrachtingen in de kelders van flatgebouwen. Inmiddels is het beeld echter gevarieerder, literairder, en misschien zelfs iets minder terneerdrukkend geworden.

Dat is mede te danken aan de boeken van de schrijfster Faïza Guène, die ook actief is als cineaste. In 2004 publiceerde zij, negentien jaar oud, haar eerste roman over het leven in de banlieue, getiteld ’Kiffe Kiffe demain’. Daarvan werden meer dan 220.000 exemplaren verkocht, terwijl er inmiddels reeds 22 vertalingen van zijn of worden vervaardigd.

Deze zomer verscheen de opvolger, ’Du rêve pour les oufs’, dat opnieuw in de voorsteden speelt en waarvan binnen drie weken tijd in Frankrijk ook al ettelijke tienduizenden exemplaren over de toonbank gingen. Het is het verhaal van een onversaagde 24-jarige vrouw wier vader door een ongeluk van een groot deel van zijn verstandelijke vermogens is beroofd en wier broer aanhoudend op het verkeerde pad dreigt te raken. Door haar optimisme, gezonde verstand en taaie vasthoudendheid slaagt zij erin haar gezin toch een redelijk leven en zelfs een toekomst te bieden.

Waaraan dankt Faïza Guène dit overrompelende succes? Vooral aan haar grote gevoel voor bevrijdende humor, dat met name tot uitdrukking komt in zelfspot en haar flamboyante, goedgehumeurde taalgebruik. Daarin is veel plaats ingeruimd voor het verlan, het voorstedelijk jongerenbargoens vol bizarre woordverhaspelingen, en voor schilderachtige, aan het Arabisch ontleende woorden en uitdrukkingen – een grote, maar lekkere kluif voor haar 22 vertalers. Humor is nog altijd een probaat middel om je niet klein te laten krijgen.

Hoezeer het een gelukkige greep kan zijn om een boek over het harde straatleven te kruiden met een flinke dosis dwarse humor, blijkt a contrario uit de recente Nederlandse roman ’Een verhaal uit de stad Damsko’. Daarin is die humor nagenoeg afwezig.

De schrijver, de Nederlandse Marokkaan Hassan Bahara, vertelt over de teloorgang van een jonge allochtoon die op voorspelbare wijze van spijbelaar tot kleine misdadiger uitgroeit. De schrijver streeft daarbij naar realisme, maar men kan zich afvragen welk realisme hij feitelijk wil beoefenen. Is het echt wel het realisme van de straat, of is het eigenlijk meer dat van de soapseries die onze tv vervuilen? Daarvan moet de auteur er heel wat gezien hebben, te oordelen naar het grote aantal wezenloze dialogen zoals de volgende:

„ ’Wat is er toch met je aan de hand, Kader?’ vraagt ze. ’Waarom doe je zo?’

’Waarom doe ik hoe?’

’Gewoon. Ik bedoel, zoals je doet. Je wilt niet praten en het lijkt je allemaal geen moer te kunnen schelen. Wat is er met je aan de hand?’

’Moet er dan iets met me aan de hand zijn?’ vraagt hij geïrriteerd.

’Niet per se’, zegt ze sarcastisch.”

Zo gaat het 240 uit dure bomen vervaardigde bladzijden door. De werkelijkheid, of die nu van de straat of via de tv tot ons komt, is, anders dan de auteur schijnt te denken, niet noodzakelijkerwijs interessant. „Waar gebeurd is geen excuus”, zei Gerard Reve al. Dat de lezer aan al het verbale en fysieke geweld in deze roman eerder schouderophalend zal voorbijgaan dan dat hij ervan zal huiveren, is vooral te wijten aan de gebruikte verteltechniek. De auteur wil de lezer verontrusten met een moot rauwe werkelijkheid, maar hij schrijft in feite een uitermate braaf en onavontuurlijk schrijfcursusproza. In het boek wordt gespoten, gesnoven, gevochten en gescholden dat het een aard heeft, maar in literair opzicht gebeurt er niets spannends, er is geen zin die beklijft, en daardoor blijft dit relaas zo plat als een dubbeltje.

„Jongens waren we maar aardige jongens”, luidt de bekende regel van Nescio die Bahara als motto aan het begin van zijn tekst heeft geplaatst. Dat was niet zo’n goed idee. Die zes woorden bevatten, in hun geraffineerde spel met de afstand tussen heden en verleden, in hun subtiele verschuiving van het perspectief, door hun licht mysterieuze ironie en door hun combinatie van zelfkritiek en vertedering, meer literatuur dan de resterende 240 bladzijden van het boek samen.

Vrijwel alle schrijvers die het bestaan van marginale jongeren als onderwerp nemen, kennen de door hen beschreven wereld van binnen uit. Dat geldt ook voor de Franse schrijfster Lydie Salvayre, die sedert haar debuut in 1990 een tiental boeken gepubliceerd heeft. Zij werkt als psychiater in de buitenwijken van Parijs, waar zij zich vooral ontfermt over meisjes en jonge vrouwen. Gelukkig vinden we bij haar de humor weer terug – en ook de literatuur.

Al eerder wijdde zij een bijzondere en geestige roman aan het leven van de kansarmen in de voorsteden: in ’Nobele zielen’ beschreef zij enkele jaren geleden op vermakelijke wijze hoe een groep welgestelde toeristen een nogal desastreus verlopende busreis maakt langs Europese achterstandsgebieden. Onlangs is de vertaling van haar nieuwe roman ’Passage à l’ennemie’ in het Nederlands verschenen onder de titel ’Het zwijgen van Savedra’. Hoewel niet zo origineel als ’Nobele zielen’, is ook dit werk buitengewoon onderhoudend. Wij lezen hoe de jonge, daadkrachtige en viriele inspecteur Arjona opdracht krijgt in een bende randgroepjongeren te infiltreren. Het boek bestaat uit een reeks in droge, ambtelijke taal geschreven rapporten van deze inspecteur die, aanvankelijk uit plichtsbewustzijn maar later gewoon omdat hij het lekker vindt, in het kader van zijn infiltratiewerk het ene stickie na het andere opsteekt, op hiphop-dansles gaat en geleidelijk in de ban raakt van de zwijgzame, mysterieuze Dulcinée Savedra, die lid is van de groep en met vrijwel iedereen naar bed gaat behalve, helaas, met hem. Met het stelletje jongeren om haar heen gaat hij zich, vooral dankzij zijn hopeloze verliefdheid, steeds sterker identificeren, en in zijn laatste rapport laat hij zijn superieuren weten dat ze op hem niet meer hoeven te rekenen, dat hij een toekomst wil opbouwen met zijn Dulcinée en zich aan de schone letteren wil wijden ter verheffing van het volk.

Op even virtuoze als komische manier weet Salvayre dit conflict tussen twee wereldbeelden gestalte te geven tot in de taal waarin haar roman is geschreven. De droge verslagen van inspecteur Arjona ontsporen steeds meer, hij veroorlooft zich steeds grotere vrijheden tegenover zijn superieuren, steeds vaker verstoren lyrische uitweidingen de droge optekening van de feiten.

Realistisch is dit boek zeker niet: voor inspecteur Arjona zijn de spionageromannetjes van Gérard de Villiers – waarin grote hoeveelheden bloed, sperma en whisky de vochtigheidsgraad op peil houden – het toppunt van literair kunnen, maar in de verslagen die hij zelf schrijft, geeft hij blijk van een forse dosis algemene ontwikkeling die volstrekt in strijd is met die voorkeur. Zo verwijst hij naar het toneelstuk ’Lorenzaccio’ van de 19de-eeuwse romanticus Alfred De Musset, maakt hij melding van de ’ontroerend bescheiden libidineuze activiteit’ van de groepsleden (Dulcinée natuurlijk uitgezonderd) en betitelt hij zijn eigen plotse dadenloosheid op dit gebied als ’apraxie’.

Het rare is dat het boekje van Salvayre, ondanks deze en andere ongeloofwaardigheden, tien keer meer leesgenot biedt dan de brave realistische roman van Hassan Bahara. Gnuivend van plezier is de lezer getuige van de onverbiddelijke teloorgang van de eerst zo plichtsgetrouwe en viriele inspecteur, die juist dankzij die teloorgang zijn ware zelf vindt.

Verrassend is deze paradox natuurlijk niet. ’Het zwijgen van Savedra’ is dan ook eerder een parabel dan een volwaardige roman, en het is eigen aan parabels dat de afloop ervan vaak voorspelbaar is. Niet minder voorspelbaar dan die van het boek van Hassan Bahara. Maar het plezier en de tomeloze vaart waarmee de schrijfster haar thema uitwerkt zijn onweerstaanbaar, haar vindingrijke taal verveelt geen seconde. En hoewel haar boek veel heeft van een luchtig niemendalletje, is het juist die lichtheid die de lezer inneemt en die uiteindelijk, bijna als een bijproduct, tot nadenken stemt.

Dat de lezer aan dit boek zoveel plezier beleeft is ten slotte zeker ook te danken aan de mooie vertaling van Eveline van Hemert, die–- geen geringe prestatie in dit geval – steeds precies de juiste toon weet te treffen en wier inventieve Nederlands sprankelt, fonkelt en spettert.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden