Review

Lach-historicus Johan Verberckmoes moet het zelf van onbedoelde humor hebben

Een meisje betreurt het dat haar minnaar een penis heeft die maar half zo lang is als die van haar ezel. Een knecht brengt zijn baas, een bisschop, tijdens de maaltijd een pispot 'waer door datter een groot gelach over taefel was'. Waar lachten de zestiende- en zeventiende-eeuwers om? Wie lachten er eigenlijk en in welke context gebeurde dat?

In 'Schertsen, schimpen en schateren' probeert Johan Verberckmoes een cultuur- en sociaalhistorisch beeld van de pret van onze verre voorvaders te schetsen. De centrale gedachte daarbij is dat het lachen weliswaar een zelfstandig, biologisch gegeven is maar dat het ook steeds is ingebed in de heersende maatschappij en cultuur.

Over de volkscultuur van feesten en pleziermaken is de afgelopen decennia heel wat afgeschreven, in Nederland door met name literatuurhistoricus Herman Pleij. Pleijs ideeën over bijvoorbeeld beschrijvingen van het carnaval met zijn hossende boeren en zotten als zelfbevestiging van de opkomende burgerij, die door het burleske weer te geven zichzelf als het ware wilde leren dat ze op de goede en beschaafde weg was, gaan terug op theorieën van de Russische literatuurwetenschapper Mikhail Bakhtin.

Die beschouwde de 'komische volkscultuur' van de Middeleeuwen als een tegenhanger van de ernstige, officiële cultuur van kerk, staat en feodale heren. Door op groteske wijze vormen van macht en hiërarchie te bespotten met veel seks en stoelgang, creëerde de gewone mens als het ware een soort vrijheid die de angstige grens tussen leven en dood uitwiste. In de zeventiende eeuw werd de repressie van bovenaf echter ongenadiger en verloor, volgens Bakhtin, het komieke zijn bevrijdende kracht. Het lachen degenereerde tot slechts een signaal van lichtzinnig vermaak.

In de Renaissance, met haar ontdekking van de individuele mens en de redelijke orde van het universum, zou het spontane, grote, bevrijdende geschater van de Middeleeuwen dus allengs gereguleerd en beheerst zijn geraakt. De moderne tijd lacht niet meer als vroeger.

Verberckmoes gelooft evenwel niet, in tegenstelling tot Pleij, Bakhtin en anderen, dat er zo'n breuk in de cultuurgeschiedenis van de lach en de humor aanwijsbaar is. Het beeld van een vrolijke, bourgondische cultuur in de zestiende en een sombere, ernstige levensopvatting in de zeventiende eeuw is aan herziening toe. De schrijver wil laten zien dat ook in de tijd van de Contrareformatie in de Zuidelijke Nederlanden ondanks de restricties van bovenaf, het lachen rustig voortging. Met andere woorden: de lach laat zich niet ringeloren door de macht.

Een wezenlijk probleem bij de bestudering van de geschiedenis van zoiets als gevoel voor humor en lachen is dat je geen materiaal uit de eerste hand hebt. Je bent aangewezen op verhalen en verbeeldingen van het verschijnsel en het is niet denkbeeldig dat juist die gekleurd zijn door de maatschappij van die tijd.

Eigenlijk zou je alle ongeregistreerde moppen en lachsalvo's van zestiende- en zeventiende-eeuwers willen onderzoeken, maar die zijn mét hun beoefenaars verdwenen. Het resultaat is hetzelfde als wanneer je het twintigste-eeuwse gevoel voor humor in Nederland alleen schetst aan de hand van een moppenboek van Max Tailleur en filmfragmentjes van André van Duijn, en de gemiddelde, onopgeschreven Belgenmop negeert.

Dit probleem heeft Verberckmoes er niet van weerhouden een enorme verzameling van zulke representaties van en verhandelingen over de lach te geven en te analyseren. Zijn studie valt uiteen in twee delen. In het eerste geeft hij een historische antropologie van het Zuid-Nederlandse lachen, in het tweede schetst hij de ontwikkeling van het lachen in de zestiende en de zeventiende eeuw, in de tijd van Reformatie en Contrareformatie.

Zo passeren hier in een caleidoscopisch beeld verslagen van detailstudies over het lachen van de hand van geleerden als Joubert en Vives, naast paragrafen over de rol van kluchtenboeken, de narrencultuur aan de verschillende hoven, moralistisch-pedagogische verhandelingen over het beschaafde lachen versus onbeschaafd schuddebuiken, de medicinale werking van de lach et cetera.

Werkelijk geen aspect van wat we er nog over te weten kunnen komen, heeft Verberckmoes onbelicht gelaten en daar zit dan ook precies de kwaal van zijn studie: je ziet door de bomen het bos niet meer. Zijn centrale stelling dat het lachen een autonome kracht is gebleven, wordt overwoekerd door honderden voorbeelden en tegenvoorbeelden.

Enerzijds geeft de schrijver toe dat door de strenge hiërarchische orde van de zeventiende eeuw, met in de Zuidelijke Nederlanden de repressieve Contrareformatie, het moeilijk is de volksstem te horen; anderzijds lijkt hij toch vooral te willen concluderen dat het spontane lachen van het volk gewoon doorging.

“Dat alles suggereert dat de lange tijd gehanteerde organische metaforen van bloei, verval en eventuele heropbloei waardeloos geworden zijn om er de culturele geschiedenis van de Zuid-Nederlandse zeventiende eeuw mee te verklaren, laat staan te begrijpen. Er was gewoon heel veel kluchtigs te beleven in de eeuw van contrareformatie en barok.” Het klinkt stellig maar hoe die ongebroken humor er precies uitzag en welke functies ze had, daar kom je toch niet goed achter.

Zijn studie is een bewerking van een proefschrift en de sporen daarvan zijn nauwelijks uitgewist. Neem een passage als de volgende:

“Niet toevallig ligt in het voorgaande de klemtoon op de lichamelijke autonomie van de lach. De meeste hypothesen over de zogenaamde sociale functies van de lach gaan uit van een restrictief opgevatte eenduidigheid, die juist de lichamelijke ambiguïteit van de lach miskent. Zo kennen sommigen het lachen subversieve kracht toe in de sociale en politieke realiteit. De meesten menen echter dat een komische aanslag op de status-quo steeds illusoir is en dat ridiculisering de heersende waarden, normen en hiërarchieën zonder meer bevestigt.”

Natuurlijk, een wetenschappelijk werk, ook over de lach, hoeft zelf niet licht te zijn. Ik heb dan ook maar één keer gelachen. Om de volgende passage: “De lach is universeel en algemeen menselijk. Bijgevolg lijkt hij voortdurend en onmeedogenloos snel aan de geschiedenis te ontsnappen.” 'Onmeedogenloos', jazeker: onbedoelde humor is nog altijd de beste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden