Laatsten in de afvalrace

Het bezoekerscentrum in Hooghalen in de omgeving van Assen heeft een nieuwe parkeerplaats, in het Mastbos bij Breda zijn jonge boompjes gesnoeid en bij kinderdagverblijf de Meikever in Middelburg is de zandbak met schoon zand gevuld. Dit alles met dank aan Stichting Reclassering Nederland. Deze dienst heeft veroordeelden ter beschikking gesteld die van de rechter de keus kregen tussen de gevangenis en het gratis verrichten van goede werken. Zonder de hulp van de reclassering zou een aantal van de projecten wegens geldgebrek niet zijn uitgevoerd.

Frits Conijn

In toenemende mate is het beleid van justitie en de reclassering erop gericht mensen die de wet overtreden buiten de gevangenis te houden. Want het is duidelijk dat de bajes de hogeschool is van de criminaliteit en de gestraften alleen maar slechter maakt. De criminelen moeten hun straf in de maatschappij ondergaan en met gewone mensen blijven omgaan. Het geloof in de heilzame werking van de alternatieven voor celstraf is groot. Daarom is het elektronisch toezicht (het zogenoemde 'thuiszitten') tegenwoordig een belangrijke optie. En het aantal opgelegde taakstraffen is gestegen van 6 626 in 1990 tot 16 173 in 1997. Als het aan de reclassering ligt, die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de taakstraf, mag dat aantal op korte termijn stijgen naar 25 000.

Sinds 1 januari zijn met de invoering van de penitentiaire programma's de mogelijkheden voor het opleggen van taakstraffen verder toegenomen. Mensen die zijn veroordeeld tot een straf van langer dan een jaar, mogen het laatste deel van hun straf in de samenleving uitdienen. Dat vergemakkelijkt de terugkeer en zou minder recidives tot gevolg hebben. Verder sparen taakstraffen celruimte uit en is het uitvoeren van een taakstraf minder prijzig dan 'tuchten' in de gevangenis, en levert dus een besparing op. Een gevangene kost de staat 300 gulden per dag. Ten slotte kunnen de veroordeelden met een taakstraf iets 'goedmaken'. Zij hebben immers schade aangericht, en die kan met een praktisch taakstraf bijna letterlijk worden hersteld. Jos Gabriëls, staffunctionaris bij de Stichting Reclassering Nederland: “Het is belangrijk dat de straf zichtbaar is. Ik ben blij als ik een groep van onze 'klanten' langs de snelweg vuil zie ruimen. Op die manier kan ik mensen laten zien dat onze straffen geen lolletje zijn. In de loop van de jaren zijn wij meer gaan luisteren naar wat de maatschappij en de burgers van ons willen en wij identificeren ons niet meer uitsluitend met de criminelen. De samenleving zorgt voor onze centen en de belastingbetalers mogen daar best iets van terugzien.”

Het probleem is echter dat niet elke gedetineerde geschikt is een taakstraf te ondergaan. Voor mensen die zich moeilijk kunnen aanpassen, blijft de gevangenis het enige alternatief. René van Swaaningen, docent criminologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam: “Daarin schuilt het gevaar. Alleen de makkelijke gevallen komen voor een taakstraf in aanmerking. Zij zijn namelijk relatief eenvoudig in de samenleving inpasbaar. Voor hen is wel werk te vinden. Maar voor allochtonen bijvoorbeeld is het moeilijk op maat gesneden programma's te schrijven. Zij hebben vaak moeilijkheden met de taal.” Volgens de docent criminologie ontstaat er zo een scheiding tussen twee groepen veroordeelden. Van Swaaningen: “De zware en van de maatschappij vervreemde gevallen concentreren zich in de gevangenis, de aangepaste en gemotiveerde veroordeelden krijgen een taakstraf. Op die manier ontstaat steeds meer een tweedeling tussen mensen die als kansrijk, en zij die als kansloos worden beoordeeld. De gevangenispopulatie verhardt daardoor, gedetineerden zijn desperater dan vroeger.”

Omdat het regime in de gevangenis daarnaast ook 'soberder' is geworden, zijn de feitelijke verschillen tussen de gedetineerder en de alternatief gestraften nog groter. In 'Werkzame Detentie', een notitie van het ministerie van justitie uit 1994 staat dat als volgt omschreven: “Verreweg de meeste gedetineerden zullen aan het standaardregime worden onderworpen. Een relatief beperkte groep komt in aanmerking voor een bijzondere opvang die meer specifiek is gericht op bevordering van de integratie in de samenleving na de detentie.” Dat betekent dat alleen drugsverslaafden, jongeren, allochtonen en mensen met een psychische stoornis nog recht hebben op bijzondere zorg in de gevangenis. Om de consequenties van dit beleid duidelijk te maken, een voorbeeld uit de praktijk: van de vierhonderd cellen van penitentiaire inrichting Noordsingel (een van de drie gevangenissen in Rotterdam) zijn er tweehonderd gereserveerd voor het standaardregime en honderd voor de 'speciale gevallen'. In de overige honderd cellen geldt het 'standaard-plus-regime' dat verdiend worden met het tonen van inzet. Alleen als de gedetineerden gemotiveerd zijn, mogen zij een opleiding tot hovenier volgen, aan een programma over sociale vaardigheden deelnemen of leren budgetteren. En als zij geen belangstelling hebben voor het aanbod in de gevangenissen, rest slechts de tucht en het uitzitten van de tijd. Gevangenen gaan dan vroeger op cel en hebben minder recht op gemeenschappelijke activiteiten als sporten. Zodat uiteindelijk minder personeel nodig is om hetzelfde aantal gevangenen te kunnen bewaken.

Ook in de nieuwe filosofie van de reclassering staat de motivatie centraal. Annet Bruinsma, unitmanager van Reclassering Nederland voor de gevangenissen in Rotterdam: “Wij hebben niet langer een één-op-één-aanbod. Alleen als mensen zelf willen, maken wij een programma. Voorzover de zogenaamde zorgmijders niet tot onze doelgroepen behoren, zijn zij verantwoordelijk voor hun eigen beslissing. Dit betekent inderdaad dat de gemakkelijke gevallen de meeste hulp krijgen. Wij hebben geen tijd voor de anderen. Dat ervaren wij zelf ook als een gemis. Ik denk dat nog slechts de helft van de gevangenen intensief door ons wordt begeleid, de rest moet het doen met een folder.” De reclassering besteedt de meeste capaciteit aan het vinden van geschikte werkplekken voor de taakstraffen en het schrijven van rapporten over cliënten die door de rechter moeten verschijnen. De nieuwe taken betekenen dat voor het verlenen van hulp niet veel tijd overblijft. Het is geen wonder dat die opstelling leidt tot klachten van gedetineerden. Volgens ex-delinquent Johnny Zonderstress had hij toen hij vrijkwam niet eens een kwartje om te bellen. “De reclassering doet niks. Ik stond met mijn plastic tasje op straat, zonder huis en zonder werk. Waar moest ik heen? Het is een schande dat ze mensen zo aan hun lot overlaten. Ik was in hun ogen een hopeloos geval omdat ik ongeveer de helft van mijn leven heb vastgezeten. Dat ik inmiddels geen drank en drugs meer gebruik en een keurig leven leid, heb ik uitsluitend aan mezelf en aan mijn vrouw te danken.”

Ook volgens Erik van der Maal van de Bond van wetsovertreders komt de hulp niet terecht bij de mensen die dat het hardste nodig hebben. “Als je mag terugkomen bij je werkgever, of als je je relatie ondanks detentie in stand hebt kunnen houden, ben je kansrijk. Maar dat is een uitzonderlijke situatie. Het komt vaker voor dat gedetineerden in de bajes een huis moeten regelen. En dat is zonder ondersteuning niet eenvoudig. Ik schat dat tachtig procent van de gedetineerden níet hoeft te rekenen op steun van de reclassering op het moment dat zij vrijkomen. Die organisatie laat zich nog het best vergelijken met een ziekenhuis dat alleen ingegroeide teennagels wil behandelen en kankergevallen te moeilijk vindt. Met deze werkwijze is een terugkeer van ex-gedetineerden in de samenleving nauwelijks mogelijk. Het uit het vet halen van het breekijzer is vaak de meest voor de hand liggende oplossing.”

Volgens Van der Maal is motivatie tegenwoordig het toverwoord bij justitie en de reclassering. “Maar hoe meet je die? De reclassering is onvoldoende in staat door het pantser van de zogenaamde zware gevallen heen te prikken en selecteert mensen die meegaand en volgzaam zijn. En dat zijn niet altijd de mensen die de meeste kansen hebben. Zij maken vaak grote plannen die er goed uitzien, maar nooit te verwezenlijken zijn. Iemand die bijvoorbeeld veel gebruik maakt van het recht om te klagen is lastig. Je ziet nu al dat dit vaak de mensen zijn die worden overgeplaatst en de minste hulp krijgen. Terwijl die misschien voor het eerst van hun leven leren gebruik te maken van de officiële kanalen bij het uiten van hun onvrede.” De gedetineerden staan niet alleen in hun kritiek. Gradis Wiersma heeft van 1951 tot 1985 als maatschappelijk werker bij de reclassering in Leeuwarden gewerkt en ziet de ontwikkelingen met lede ogen aan. “Het is een tragedie. Tegenwoordig heeft de reclassering zich veel te veel dienstbaar gemaakt aan justitie. Niet voor niets spreekt men van een 'spionerend toezicht'. Het gaat alleen nog om de controle, alles wat gedetineerden zeggen, kan tegen hen gebruikt worden. Dus is het vertrouwen van de gedetineerden in de reclassering totaal verdwenen. En dat terwijl vroeger het bieden van hulp in alle gevallen op de eerste plaats kwam.” En ook criminoloog René van Swaaningen is niet enthousiast over de ontwikkelingen. “De reclassering heeft geen affiniteit meer met de hulpverlening. Het personeel is prestatiegericht en produceert een eindeloze rij cijfers, ook al zijn die op vrijwel niets gebaseerd. Het meten van resultaten is niet slecht, zolang dat maar niet betekent dat de moeilijke gevallen worden afgeschreven. Van dat beleid krijgen we vroeger of later onherroepelijk de rekening gepresenteerd.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden