Laat ons niet in de steek Gun ons een Voltaire

Op dinsdag 13 november 2001, twee maanden na 9/11, organiseerde Letter & Geest, in samenwerking met uitgeverij Van Gennep, een debat over de volgende vraag: ’Heeft de islam een Voltaire nodig of moet de kritiek zich juist richten op de westerse cultuur’. Zeven denkers debatteerden over deze vraag voor een bomvolle zaal in De Balie. Met uitzondering van de Nederlands-Iraanse rechtsgeleerde en dichter Afshin Ellian vond eigenlijk iedereen dat vooral het Westen gekritiseerd moest worden. Toen stond er in de zaal een zwarte jonge vrouw op. Het werd doodstil. In welgekozen bewoordingen hield zij een gloedvol betoog waarin zij met klem beargumenteerde dat het wel degelijk de islam was die een Voltaire nodig had. Deze tot dan toe volstrekt onbekende vrouw was Ayaan Hirsi Ali. Op verzoek van L & G werkte ze haar betoog om tot een artikel dat op zaterdag 24 november 2001 in Trouw verscheen.

Wie sinds 11 september de debatten in kranten, op tv en in debatcentra volgt, kan moeilijk anders concluderen dan dat de kritiek op de islam zowel in Nederland als in de rest van de westerse wereld sterk is toegenomen. Steeds weer rijst de vraag of de islam in zijn huidige vorm verenigbaar is met de democratie en de rechtsstaat zoals we die in Nederland kennen. Of is er een Verlichting en modernisering van de islam nodig?

Een dergelijke discussie is vorige week gehouden in De Balie, georganiseerd door uitgeverij Van Gennep en Trouw, onder de titel ’Voltaire en de islam’. De vraag was of de islam een Voltaire nodig heeft. Waar blijft de bijtende kritiek op de islam? Of moet de kritische geest van Voltaire zich juist richten op de westerse cultuur?

Om een antwoord te kunnen geven op de vraag of de wereld van de hedendaagse islam en de westerse wereld samengaan, is het misschien handig om beide werelden eens naast elkaar te leggen.

Islamitisch fundamentalisme en politieke islam ontstaan niet uit het niets. Zij hebben een bedding nodig waarin ze wortel kunnen schieten en gedijen, en waarin ze zich kunnen omvormen tot de zeer gevaarlijke varianten waarmee we sinds 11 september zijn geconfronteerd. Die bedding wordt gevormd door de islam zoals die in het leven van alledag wordt doorgegeven aan de moslims in de islamitische wereld. Daarom moeten we allereerst kijken naar deze bronnen van de islam. Hoe groot de verschillen tussen moslims ook mogen zijn, het is de leer van de islam en de wijze waarop deze in de praktijk wordt beleefd die een voedingsbodem kunnen zijn voor uitwassen als fundamentalisme en, uiteindelijk, ook voor terrorisme.

In Letter & Geest van 10 november 2001 wijst de schrijver Leon de Winter ons op een aantal kwalijke zaken uit de praktijk van een deel van de moslimwereld. Ook al deel ik niet De Winters opvatting dat er een Derde Wereldoorlog gaande is, hij heeft wel degelijk gelijk waar hij de islamitische wereld beschrijft.

De Winter geeft de ideologie waardoor de daders van 11 september en hun aanhang gedreven werden uitstekend weer. Die ideologie beroept zich op de bronnen van de islam. Het is een religieuze ideologie waarvan de kaders worden gevormd door ’kracht en zwakte, overheersing en vernedering, eeuwigheid en tijdelijkheid, zuiverheid en vertroebeling’, en waarvan het geheel wordt verdedigd met uitsluitend Goddelijke rechtvaardigheid.

Uit eigen ervaring kan ik bevestigen dat de islamitische wereld sterk hiërarchisch is ingedeeld. Allah is almachtig en de mens is zijn slaaf en heeft zich aan zijn wetten te houden. Zij die geloven wat er in de Koran staat, die in Allah geloven en die Mohammed als zijn profeet erkennen, staan boven christenen en joden en die staan, als ’volkeren van het boek’, weer boven afvalligen en ongelovigen. De man staat boven de vrouw, en kinderen moeten hun ouders gehoorzamen. Mensen die zich niet aan de regels houden, moeten vernederd of vermoord worden in naam van God.

Het leven hier is tijdelijk en dient er slechts toe dat de gelovige zijn vrees voor God kan bewijzen door zich strikt aan zijn plichten tegenover God te houden en zo een plaats in de hemel te verdienen. Ongelovigen zijn alleen op aarde om voor de gelovigen als voorbeeld te dienen hoe het niet moet. Halal (dat wat is toegestaan) en haram (dat wat is verboden) zijn de centrale begrippen in de alledaagse praktijk van de moslim. Zij gelden voor elke moslim waar ook ter wereld. Deze begrippen hebben betrekking op alle gebieden van het leven. Voor ieder aspect is vastgelegd hoe, wat en waarover je wel en niet moet denken, voelen en handelen. Deze leefregels gelden zowel voor het privé-leven van de moslims als voor hun betrekkingen met het publieke leven. De sjaria – de islamitische wet – staat boven alle door mensen bedachte wetten en regels. En het is de plicht van elke moslim de sjaria zo zuiver mogelijk na te leven. De fundamentalisten spelen hierop in door er steeds op te wijzen dat het leven van gematigde moslims in strijd is met de islamitische leer.

Dit alles leren wij moslims zo jong mogelijk van onze ouders, op de koranscholen en in de moskeeën. Moslims in Europa en de VS krijgen ook nog eens speciaal onderricht via de geschriften van bijvoorbeeld Joesoef Al-Karadawi die door de arabist Marcel Kurpershoek (NRC Handelsblad, 3 november) wordt beschouwd als een gematigde moslimtheoloog en een geschikte gesprekspartner voor westerse instanties. In werkelijkheid is Al-Karadawi allerminst gematigd. In zijn boek ’The Lawful and the Prohibited in Islam’ – dat uitsluitend is bedoeld voor westerse moslims – schrijft hij dat het de plicht is van de islamitische gemeenschap om militaire vaardigheden te leren om zich te kunnen verdedigen tegen de vijanden van God en de islam in ere te houden. Moslims die dat niet doen, maken zich volgens Al-Karadawi schuldig aan een zware zonde. Even verderop in het boek laat hij weten dat alle door mensen gemaakte wetten gebrekkig zijn en incompleet, aangezien de wetgevers zich hebben beperkt tot uitsluitend materiële zaken en de eisen van religie en moraliteit hebben verwaarloosd. Westerlingen kunnen zich nauwelijks voorstellen hoezeer hij hiermee het democratische wetgevingsproces in de ogen van zijn westerse moslimlezers ondermijnt.

Terecht beschrijft De Winter de praktijk van de islam als een toneel waar ’hele ritsen heiligen, geesten, engelen en duiveltjes belangrijke bijrollen spelen. De conservatieve moslim sluit daardoor niet uit dat zijn vijanden over bovennatuurlijke krachten beschikken waarmee ze complotten smeden, en tegen dergelijke krachten is de modale moslim natuurlijk niet opgewassen’. In dit verband citeert De Winter de Israëlische hoogleraar Emmanuel Sivan die onderzoek deed naar fundamentalisme: ’Een wereld bevolkt door geesten, de zielen van doden, djinn (onzichtbare wezens) van het schadelijke en vriendelijke soort; een wereld belaagd door de magie van de verleidende satan en zijn demonen, waar de gelovige kan worden bevrijd door heilige mannen en engelen en als het nodig is door wonderen; een wereld waar de communicatie met de doden (vooral van de eigen familie) een alledaagse gebeurtenis is en waar de aanwezigheid van het bovennatuurlijke als echt, bijna tastbaar, wordt beschouwd.’

Deze karakteriseringen zijn voor mij als moslim zeer herkenbaar. Overal ter wereld worden moslims opgevoed met dit soort bovennatuurlijke zaken. Zo wordt in de alledaagse moslimwerkelijkheid in alles rekening gehouden met een hiernamaals. Daarin past ook de opvatting dat martelaarschap wordt beloond met het paradijs. Het zou de moeite waard zijn om te onderzoeken in hoeverre dit gebrek aan nuchter verstand in de praktijk van de islam het mogelijk maakt dat zoveel moslims zich aangetrokken voelen tot de ideologie van Bin Laden.

De irrationele haat tegen joden en de afkeer van ongelovigen wordt onderwezen op vele koranscholen en dagelijks herhaald in de moskeeën. En meer dan dat: in boeken en artikelen, op cassettebandjes en in de media worden joden consequent voorgesteld als de aanstichters van het kwaad. Hoe ver deze doctrine kan doorwerken, heb ik zelf ondervonden: Toen ik voor het eerst een jood zag, was ik verbaasd dat het een gewoon mens van vlees en bloed bleek te zijn.

De Winter schrijft dat de woede die nu door vele moslims wordt gevoeld – en die heeft geleid tot sterke anti-Amerikaanse sentimenten en tot complottheorieën – niet alleen terug te voeren is op hun sociaal-economische achterstand ten opzichte van westerse christenen en joden. ’De woede komt óók voort uit een irrationele conservatieve religieuze beleving waarin Satan een levende gestalte is.’ Ik wil nog verder gaan dan De Winter en onderstrepen dat die religieuze beleving niet alleen voorkomt onder radicale moslims en fundamentalisten, maar ook gemeengoed is onder gewone moslims. Het verschil is dat de fanatici het niet laten bij haat alleen, maar ook bereid zijn over te gaan tot terreur.

Wij moslims leren ons leven op aarde te zien als een investering in het hiernamaals door te gehoorzamen aan de wil en de wetten van God. De waarden van de gemeenschap – eer en onderwerping – tellen veel meer dan de autonomie van het individu. Religie is niet een instrument van zingeving voor het individu, maar het individu moet zich aanpassen aan de religie en zich offeren aan God. Dit is in overeenstemming met de letterlijke betekenis van het woord islam: overgave aan de wil van God.

Velen die in de islamitische praktijk leven en opgroeien zijn bevattelijk voor fundamentalisme en radicalisme, maar ook sterk geneigd tot een passieve levenshouding en fatalisme. Wie de islamitische leer in de praktijk tot uitdrukking wil brengen en tegelijkertijd wil integreren in een westerse samenleving zal het moeilijk krijgen. Een moslimmigrant wordt in het Westen geconfronteerd met een omgekeerde wereld.

Anders dan in de islamitische wereld, legt men in het Westen juist veel nadruk op de zelfstandigheid en verantwoordelijkheid van het individu, en op de noodzaak te investeren in het aardse leven. Onderwijs en arbeid zijn maatgevend voor succes, en niet de vroomheid van het individu. In westerse samenlevingen heerst niet één ideologie, maar bestaan meerdere ideologieën naast elkaar. De Grondwet wordt belangrijker gevonden dan Gods heilige boek en God doet er alleen toe in de privé-sfeer. De verhoudingen en de omgang tussen mensen zijn geregeld door wetten en regels die door mensen zijn bedacht en die niet voor eeuwig vastliggen, maar vervangen of aangevuld kunnen worden door nieuwe regels. Voor de wet zijn alle mensen gelijk, ook degenen die anders leven dan de meerderheid. Vrouwen mogen overal aan meedoen (ook al gebeurt dat in werkelijkheid niet altijd) en homoseksualiteit is geen zonde die de doodstraf verdient en ook geen bedreiging voor het voortbestaan van de mensheid, maar een vorm van liefde die net zo normaal is als die tussen heteroseksuelen. Liefde is bovendien niet beperkt tot het huwelijk alleen, maar kan in onderlinge overeenstemming tussen mensen beleefd worden. Er zijn allerlei middelen om zwangerschap te voorkomen en te reguleren, en om zich te beschermen tegen seksueel overdraagbare ziektes.

Joden zijn geen monsters die vijandig zijn tegenover moslims, oorlog met hen willen voeren, hun hoop willen vernietigen en angst willen zaaien, maar gewone mensen die zelf een afschuwelijke geschiedenis – de holocaust – hebben meegemaakt in Europa. Voor- en tegenspoed komen niet van God, maar zijn de uitkomst van menselijk handelen. De samenleving is maakbaar, je kunt de omgeving naar je hand zetten. En het hiernamaals doet er weinig toe. Wie erin wil geloven, moet dat zelf weten, maar er worden geen voorbereidingen voor getroffen. Veel van wat in de islam niet mag, wordt in westerse samenlevingen gewaardeerd, en veel zaken waartoe een moslim verplicht is, worden hier verworpen als achterlijk.

Wie de reacties van moslims op de aanslagen van 11 september inventariseert en wie ziet hoe moslims reageren op kritiek op de islam, merkt dat er maar heel weinig moslims zijn die de islam kritisch beschouwen. Uitzonderingen zijn Afshin Ellian in Nederland en Salman Rushdie in Engeland. In plaats van zelfkritiek, krijgen we een lange reeks ontkenningen te horen, of een opsomming van factoren van buitenaf en complotten die de ’ware oorzaak’ zijn van alles wat er mis is in de moslimwereld.

Deze geringe mate van zelfreflectie wordt nog versterkt door de houding van veel westerse denkers en politici. Met de grootst mogelijke omzichtigheid hebben zij het over het fanatisme als een aspect van de islam, dat geweld met zich meebrengt. Of zij leunen gemakzuchtig achterover en zeggen: ’Ach, bij ons was het ooit ook zo; wees maar niet bang, het komt vanzelf goed met de islam’.

Het zal duidelijk zijn dat de hedendaagse islam niet verenigbaar is met de eisen van de westerse rechtsstaat. De islam heeft wel degelijk een Verlichting nodig. Maar het is onwaarschijnlijk dat die Verlichting binnen de islamitische wereld zelf zal ontstaan. Schrijvers, wetenschappers en journalisten die kritiek leveren, worden gedwongen naar het Westen te vluchten. Hun werk is in hun eigen land verboden.

Wat moet er dan wel gebeuren? Op internationaal niveau moeten regeringsleiders als Blair en Bush niet meer zeggen dat de islam gegijzeld is door een terroristische minderheid. De islam is gegijzeld door zichzelf. Het zou nuttiger zijn als zij Saoedi-Arabië ermee confronteren dat het repressieve regime, de demografische druk en het eenzijdig religieuze onderwijssysteem extremisten voortbrengen.

In Europa en in Nederland kan de autochtone meerderheid de islamitische minderheid helpen door de ernst van de huidige staat van de islam – door Afshin Ellian als verduistering getypeerd – niet te bagatelliseren, maar aan de kaak te stellen. Ook zijn moslims hier geholpen met de vragen en de kritiek die sinds 11 september aan de islam worden voorgehouden. Dat aan de integratie van minderheden hogere eisen worden gesteld, is een goede ontwikkeling, hoewel niet iedereen dat zal beseffen. Door hier podia te geven aan dissidente stemmen kan tegenwicht worden geboden aan de eenzijdige en geestverlammende religieuze retoriek die miljoenen moslims dagelijks te horen krijgen. Laat de Voltaires van deze tijd in een veilige omgeving werken aan een Verlichting van de islam. Die kans is ons in ons vaderland vaak niet gegund. De islam is niet door een proces van Verlichting gegaan en islamitische samenlevingen worstelen nog met dezelfde problemen als het christendom voor het verlichtingsproces. Kennismaking met de rede zou de geest van de individuele moslim bevrijden van het juk van het hiernamaals, de voortdurende schuldgevoelens en de verleiding van het fundamentalisme. Ook zouden we verantwoordelijkheid leren dragen voor onze achterstanden en onze problemen. Laat ons daarom niet in de steek. Gun ons een Voltaire.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden