Laat maar komen die satay

(\N)

In de omgeving van de McDonald’s in Jakarta wemelt het van de straattentjes die je van arts en reisgids moet mijden als de pest. Gewoon negeren, dat advies.

Ik geef het toe, ik heb iets met McDonald’s. Geen haat-liefde, want de liefde ontbreekt, het is eerder een door haat gegenereerde interesse. Zo beweert McDonald’s bijvoorbeeld dat zijn eten in ieder land hetzelfde is, en ik weet dat ze liegen. De McKroket, een misbakken kroket in hamburgervorm, is een aanpassing van Neêrlands trots, overigens oneetbaar. Hoever zou McDonald’s zijn smaken dan aanpassen in exotische streken als Indonesië? Nu ik toch in Jakarta ben, kan ik dat mooi uitproberen.

De Mac zit in het centrum van de miljoenenstad, tegen een flatgebouw aangedrukt. De Kentucky Fried Chicken zit ernaast, aan de overkant schuilt een Starbucks en er is zelfs een vestiging van de Belgische Miko-koffie. Nee, de zegeningen van Febo hebben de Indonesische hoofdstad nog niet bereikt.

Om de tijd te verdrijven tot de lunchtijd loop ik nog even wat rond. Al snel ben ik, nog in de schaduw der kantoorkolossen, een eeuw terug in de tijd.

Via een straatje met het opschrift ’Kampung Bali’, bereik ik een netwerk van steegjes en paden, waar in minuscule huizen gigantisch veel mensen wonen. Kleuren spatten van de muren, het plaveisel is netjes aangeveegd en overal staan planten. Tussen de planten schuilen piepkleine eethuisjes. En in die eethuisjes zijn talloze mensen net begonnen met koken.

Dit zijn de eetplekken die ik van dokter en reisgids moet mijden als de pest, op straffe van diarree en dysenterie, maar het ruikt zo heerlijk. Links bakt een man vellen in olie, die ik ken als rempejek, een soort kroepoek van cassave. Voor beschamend weinig, omgerekend vijftien cent, schept de man vier stukken in een klein schaaltje.

Het blijkt tahoe-vel te zijn, gemarineerd in sojasaus en gefrituurd met halve boontjes. Heerlijk, en eigenlijk ben ik helemaal geen tahoe-fan.

Even verderop, in een rijdend keukentje, smeert een mij onbekende man mij onbekende visjes in met een scherp uitziend papje en bakt ze ter plekke op een houtskoolvuurtje. Ikan is vis, dat weet ik, maar hoe dit gerecht heet? Ikan bakar, zegt de kok, die driftig zijn vuurtje aanwakkert met een bamboewaaier.

Klinkt als gebakken vis, en dat is het natuurlijk ook. Het kruidenpapje schroeit mijn tong, de rode pitjes blijken peper, en verder knallen de knoflook, de komijn en de gember eruit. Heftig beestje, mijn tong rookt nog een poosje na, maar wel lekker.

Twee hoeken ver ben ik nu. Daar snijdt een vrouw, een meisje, de leeftijd is moeilijk te schatten, stukken donker vlees in nog kleinere stukjes en rijgt ze aan pennen. Daarvan hoef ik de naam niet te vragen, dat wordt saté of satay in moderne Indonesische spelling.

Kambing, zegt ze op mijn gebarentaal, en voegt er in het Engels lamb aan toe. Lamb? Ik weet niet beter of kambing betekent geit. Nu hebben ze wolharige geiten in dit land, dat kan de verwarring verklaren.

De vrouw snijdt heel kleine stukjes, veel kleiner dan ik thuis doe, bestrijkt het gevormde spiesje dik met een sausje en legt ze op het vuur. Laat maar komen, die satay. En ja, daar gaan we weer: heerlijk. Of het lam of geit is kan ik zo niet zeggen, maar het kruidensausje heeft een intensiteit die ik in Nederland nog niet ben tegengekomen, ook niet in mijn eigen keuken.

Nu ben ik halverwege de straat en al mijn verlangen naar McDonald’s is verdwenen. Pas dagen later neem ik een taxi, rechtstreeks naar de vestiging, en eet een Big Mac voor het lokale vermogen van 1,60 euro. En jawel, er is verschil. Hier doen ze er augurk met dille op, en geen gewone als in Nederland.

(\N)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden