Laat kunst niet te vrij

Minister Plasterk vindt dat kunstacademies onvoldoende aansluiten op de arbeidsmarkt. Moeten kunstenaars commerciëler gaan denken?

Sinds kunstenaars eind jaren negentig werden omgedoopt tot ’culturele ondernemers’ moet kunst vooral ook winstgevend zijn. Gerenommeerde orkesten en gezelschappen raakten hun subsidies kwijt omdat ze zichzelf moeten kunnen bedruipen, en minister Plasterk (onderwijs, cultuur en wetenschap, PvdA) zegt dat sommige kunstopleidingen te weinig op de arbeidsmarkt aansluiten.

Maar is het eigenlijk wel verstandig om kunst commerciëler te laten worden? Désanne van Brederode: „Nee. Kunst vergt per definitie absolute vrijheid. Een kunstenaar moet kunnen maken wat hij wil maken.”

Ger Groot: „Natuurlijk moet een kunstenaar zijn gang kunnen gaan. Maar dat betekent nog niet dat de rest van de wereld verplicht kan worden om de activiteiten van de kunstenaar te ondersteunen, enkel vanwege het feit dat ze onder de noemer ’kunst’ vallen. Een kunstenaar zal zich zélf staande moeten zien te houden, en commerciële bronnen zijn daarbij onontbeerlijk.”

Van Brederode: „Als een schrijver of beeldend kunstenaar zich laat inhuren door een bedrijf of partij, loopt hij het risico dat mensen hem gaan zien als een spreekbuis. Dat is uiterst problematisch, want een kunstenaar moet altijd alles kunnen blijven onderzoeken. Dat veronderstelt dat hij nergens banden heeft en dat hij zich niet compromitteert aan eisen van geldschietende buitenstaanders. Hij moet zijn vrijheid bewaken.”

Groot: „Het begrip kunst heeft nog altijd een haast sacrale betekenis, waardoor het lijkt alsof alles wat ermee te maken heeft zich onttrekt aan gangbare normen en regels. De kunst plaatst zich met haar claim op absolute vrijheid boven economische en morele wetten.

Dat komt doordat kunst in de loop van de negentiende eeuw een soort vervangende religie is geworden. Kunst is het heilige gaan belichamen. Maar die kunstvisie zou niet heilig moeten zijn. Ze behoort tot een bepaalde periode in de westerse cultuurgeschiedenis, waarvan je je zou kunnen afvragen of die niet langzamerhand ten einde is, ook al denken wij nog in veel opzichten romantisch.”

Van Brederode: „Het is schandalig dat ministers menen dat ze subsidies kunnen vervangen door een cursus ’Hoe zet ik mijn kunst in de markt’.”

Groot: „Het is vreemd dat subsidies in de kunstwereld als een onvervreemdbaar recht worden beschouwd. Aan de ene kant steunt het idee op de romantische, negentiende-eeuwse gedachte van de vrije kunstenaar die zich buiten de samenleving plaatst. Aan de andere kant komt het voort uit het twintigste-eeuwse ideaal van de verzorgingsstaat en de haast kleinburgerlijke aanspraak op inkomensgaranties.

In de jaren zeventig liep dit volledig uit de hand, met name door de BKR (Beeldende Kunstenaars Regeling, MvD). Tegen inlevering van een paar kunstwerken per jaar kregen kunstenaars een toelage van de staat. Een bevriende kunstenaar heeft me destijds verteld hoe hij dat aanpakte. Eens per jaar belde hij zijn leverancier van perspex en zei: ’Snij twee platen van elk twee bij drie meter en stuur ze naar het ministerie, met de instructie dat ze op vijftig centimeter van elkaar horizontaal dienen te worden opgehangen’. Daarmee had hij weer voor een jaar aan zijn BKR-verplichting voldaan.

Natuurlijk is het goed als de staat bijspringt wanneer bepaalde kunst dreigt te verdwijnen waar we veel waarde aan hechten – hoewel het uiterst ingewikkeld is om dat vast te stellen. Maar het zou absurd zijn wanneer de staat de kunstsector volledig buiten de economie zou proberen te houden, opdat de kunstenaars onbelemmerd hun goddelijke gang kunnen gaan. Er zijn heel veel kunstenaars die werk produceren dat geen overheidssteun verdient, werk waar niemand op zit te wachten.”

Van Brederode: „Dat lijkt al op het dedain waarmee veel beleidsmakers over kunst praten. Op de schilderijen van Vincent van Gogh zat ook niemand te wachten. Hij heeft enkel en alleen gewerkt voor zichzelf, en dan niet in narcistische zin, maar omdat hem een bepaald beeld voor ogen stond.”

Groot: „Over romantisering gesproken.”

Van Brederode: „Dat zal wel, maar het is de enige houding die deugt. Een kunstenaar dient zich niet aan te passen. En dat risico is wel degelijk aanwezig. Het doelgroepdenken en de dwingende roep om herkenbaarheid zijn de hedendaagse verschijningsvormen van censuur. Geen morele, maar commerciële censuur. De overheid en andere geldschieters willen kunstenaars boetseren tot ze perfect passen in een wenselijk beeld. Tot de kunst licht verteerbaar en herkenbaar is, liefst voor bepaalde doelgroepen. Theater voor allochtonen, tentoonstellingen voor vmbo’ers.

Terwijl kunst nou juist niet direct herkenbaar hoeft te zijn. Ik zou het een drama vinden als er alleen nog maar kunst gemaakt zou worden waarin iedereen zich kan herkennen. Kunst is een manier om dingen te leren kennen die je juist nog niet kende.

Ik zeg niet dat herkenbaarheid verboden zou moeten worden, maar het zou niet voorop dienen te staan. Het begrip wordt dusdanig overschat dat ik soms vrees dat een hedendaagse kunstenaar, wanneer hij zich afsluit van de wereld en aan het werk gaat, nog steeds – al dan niet bewust – gedreven wordt door de gedachte: het moet herkenbaar zijn.”

Groot: „Alsof een kunstenaar zich niet door allerlei zaken laat leiden waarvan hij zich maar half bewust is. Als het niet de markt is, zijn het wel zijn hormonen of zijn ongelukkige jeugd. Bovendien: als een kunstenaar zich een beetje laat leiden door wat er buiten zijn atelier aan de hand is, lijkt me dat helemaal niet zo slecht.

Ik begrijp werkelijk niet wat er zo erg aan is om een kunstenaar als een ondernemer te zien. Rembrandt was ook een ondernemer, net als zijn tijdgenoten; zij richtten zich op een markt met specifieke eisen. Dat heeft grootse kunst opgeleverd. Momenteel is de Nederlandse architectuur internationaal erg succesvol. Volkomen commercieel.

Wat mij aan deze hele discussie stoort, is het idee dat kunstenaars heel bijzondere mensen zouden zijn. Ze nemen veel vrijheid en veel risico. Dat is hun volste recht, maar op het moment dat ze falen, moeten ze niet zeuren.”

Van Brederode: „Het verwende gedrag van sommige kunstenaars is verwerpelijk, dat vind ik ook. De vervulling zit in het maken, niet in de beloning die er tegenover staat.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden