Laat honderd kranten bloeien

Voorrang aan de pluriformiteit of aan de markt? Het zijn twee visies, die de ontwikkelingen in de Nederlandse dagbladpers de afgelopen dertig jaar hebben begeleid. Wat er de overhand had, hing af van de situatie in de maatschappij. Zo valt aan de hand van persconcentratie en concernvorming de jongste geschiedenis van het land aardig af te lezen.

In september '71 vatte VVD-leider Hans Wiegel in een interview in De Telegraaf de positie van de pers kernachtig samen: “Een krant is net als iedere onderneming een instantie die een produkt maakt. Als het een goed produkt is, zal het worden verkocht, indien dat niet het geval is dan..”

Een prachtige, bloeiende tuin was het nog, eind 1939. De Nederlandse dagbladwereld verzorgde een uiterst divers aanbod. Er verschenen 125 verschillende titels op de markt, waarvan 71 dagbladen nog geheel zelfstandig waren. Op het roomse erf was het druk: 44 kranten noemden zich rooms-katholiek. Daar stonden 14 protestants-christelijke kranten tegenover en 5 die zich liberaal noemden.

Van concernvorming was nauwelijks sprake. De Arbeiderspers had tien titels (Volksbladen in elke provincie boven de grote rivieren), je had de Vereenigde Katholieke Pers (met een totale oplage van amper 80.000) en je had het Neerlandia-concern, een weidse naam maar het ging om drie kranten. Echt groot was alleen De Telegraaf, vooral dankzij zijn kopblad Nieuws van den Dag. Samen hadden ze een oplage van 452.100. Dat was toen een marktaandeel van 22,4 procent. Want die 125 kranten hadden bij elkaar een oplage van 2.021.356 exemplaren.

Zesenvijftig jaar later is het marktaandeel van De Telegraaf (oplage samen met Courant Nieuws van de Dag: 808.000) nauwelijks gestegen: 24,5 procent. Maar verder is het landschap in de tussentijd drastisch veranderd. De gezamenlijke oplage van de dagbladen is ruim verdubbeld naar 4,7 miljoen. Tegelijk is het aanbod stapsgewijs verschraald.

In 1960 telde Nederland nog 51 dagbladondernemingen die gezamenlijk 58 zelfstandige kranten uitgaven. Tien jaar later waren daarvan nog 32 uitgevers over met 46 zelfstandige titels.

Anno 1995 zijn er nog 39 verschillende titels over. Maar het aantal uitgevers is wel verder gedaald. Na de verkoop van de Nederlandse Dagblad Unie zijn er nog maar tien zelfstandige dagbladondernemingen over. Daaronder zijn er vijf die de naam concern verdienen (Holdingmij De Telegraaf, VNU Dagbladengroep, Wegener, Perscombinatie en de Noordelijke Dagblad Combinatie) en vijf nog geheel zelfstandige dagbladen: Provinciale Zeeuwse Courant, Reformatorisch Dagblad, De Gooi- en Eemlander, Nederlands Dagblad en Friesch Dagblad. Dat ziet er toch een stuk kaler uit.

“Het voortdurend schermen met het begrip 'pluriformiteit' - een woord uit verzuilde tijd - maakt het er niet beter op,” becommentarieerde NRC/Handelsblad deze week de opstelling van PCM (Percombinatie Meulenhoff) in de strijd om de inboedel van de Nederlandse Dagblad Unie (NDU), waaronder NRC/Handelblad en Algemeen Dagblad. Een tamelijk particuliere mening over de samenhang tussen pluriformiteit en verzuiling, zeker als je daarbij in gedachte neemt dat het 'liberale erfgoed' ook nog richtsnoer is van die krant.

Het is een bijzonder particuliere mening. Zelfs de werkgevers, verenigd in de Nederlandse Dagblad Pers laat het liberale cultuurgoed bepaald niet koud. Maar diezelfde NDP heeft het nog steeds al te graag over de noodzakelijke pluriformiteit in de dagbladpers, die bescherming verdient en: 'concernvorming is een goed middel om de pluriformiteit te waarborgen'. De werkgevers, met andere woorden, denken allerminst dat 'ontzuild Nederland' toe is aan een minder kleurrijke pers.

De wetenschapper: “Een pluriforme pers is essentieel voor het adequaat functioneren van onze democratische samenleving. Het behoud en de bevordering van een pluriforme pers vraagt pluriforme middelen. Een stringent fusieverbod met 25 procent marktaandeel als grens is daarin van groot belang.” Dat schreef prof. drs. J. W. Schoonderbeek in 1993, bij gelegenheid van het 25 jarig bestaan van Perscombinatie in de bundel 'Met behoud van identiteit', niet wetende dat twee jaar later die heilige grens al is gepasseerd en PCM met de NDU-aankopen de door de NDP afgesproken grens van 33,3 procent al aardig nadert. Niet wetende dat het hem nog eens aangewreven zou worden te zeer de nadruk te leggen op pluriformiteit, verscheidendheid.

Een pluriforme pers is er een, waarin de belangrijke stromingen binnen de samenleving hun commentaar leveren op wat er in de samenleving gebeurt. Met de inkrimping van het aantal titels en ondernemingen is er stevig wat weggevreten van de pluriformiteit in de pers, wat niet wil zeggen dat deze niet meer bestaat. Maar het minimum nadert en: in Nederland wonen inmiddels 800.000 mensen wier wortels in andere landen liggen, en die binnen de pluriforme pers geen rol spelen. Een maatschappij zonder diversiteit in gedrukte overtuigingen is een oninteressante, stoffige boel, om er de meest positieve opmerking over te maken.

“Laat honderd kranten bloeien, elks mening moet er zijn. Verscheidenheid besnoeien, kweekt onverdraagzaamheid,” zongen ze in 1971 bij een feestelijke reddingspoging van het progressieve weekblad De Nieuwe Linie, dat jaren later toch het loodje legde.

Jaren eerder beroerden de eerste vormen van persconcentratie de journalistiek nog nauwelijks. De stoot tot de oprichting van Perscombinatie werd bijvoorbeeld ingegeven door zorg over onder andere de posities van Het Parool en de Volkskrant.

Het waren vooral druktechnische redenen die Volkskrant en Parool samenbrachten in Perscombinatie, waar begin jaren zeventig ook Trouw (gefuseerd met de Kwartet-bladen) in toetrad. Natuurlijk, ook pluriformiteit van de pers speelde een rol, maar eerst jaren later, in 1984, werd die pluriformiteit als doel opgenomen in de statuten van Perscombinatie: “Bij het uitgeven of doen uitgeven van dagbladen is uitgangspunt de handhaving van een pluriforme opiniërende pers in een parlementair-democratisch bestel.”

Het is tekenend voor de ontwikkelingen om te zien, hoe de journalistiek een persconcentratie als die van Perscombinatie in 1968 nog klakkeloos toeliet, om een paar jaar later op z'n achterste benen te staan toen concentratie een trend bleek.

Hoe vredig het veld in er in 1968 nog bij lag, kan het best geïllustreerd worden aan de hand van een artikel dat hoofdredacteur A. Stempels van de Nieuwe Rotterdamse Courant (NRC) in 1964 in het kwartaalblad 'Ruimte' schreef.

Stempels schreef er over 'Mijn krant'. “Door een bepaalde persoon tot hoofdredacteur te benoemen geeft de NV - d.w.z. geven directie en commissarissen - te kennen wat met de krant wordt bedoeld. Eenmaal benoemd, kan de hoofdredacteur verder zelfstandig de lijn van de krant bepalen, want volgens de statuten van de NV beslist de hoofdredacteur over de inhoud van de krant. Zou de hoofdredacteur directie en commissarissen teleurstellen, dan zal hij er rekening mee moeten houden, dat het einde van zijn dienstverband in zicht is. De statuten zeggen voorts, dat directie en hoofdredactie regelmatig overleg plegen over de uitoefening van hun functies. Dit wederkerig overleg is welhaast onvermijdelijk, al was het alleen al omdat de hoofdredacteur regelingen moet treffen en beslissingen moet nemen die soms aanzienlijke financiële verplichtingen voor de NV meebrengen (salarissen, honoraria, reiskosten, papierverbruik enz.). Bovendien is er de bijzondere bepaling, dat benoeming en ontslag van redacteuren geschieden door de directie in overleg met de hoofdredactie. Dat is logisch, want de hoofdredacteur zou zijn taak niet kunnen vervullen als hij moest werken met redacteuren die hem tegen zijn zin opgedrongen worden of blijven en wanneer hem redacteuren die hij meent nodig te hebben, zouden worden afgenomen.”

“De autonome positie die dus als hoofdredacteur heb, biedt mij de mogelijkheid om te spreken van 'mijn krant'. Maar tot die terminologie draagt ook bij, dat ik mij zo vergroeid en verbonden voel met die krant.”

Stempels' stuk heeft dertig jaar later een hoog guttegut-gehalte. Maar in breder verband wordt duidelijk, dat hij in 'Ruimte' iets wilde vastleggen. Niet alleen over zijn moeizame, op dat moment niet beter te regelen verhouding tot de directie, maar ook over zijn desondanks behouden warme betrokkenheid bij de liberale krant die hij maakte en die onderdeel moest zijn van een pluriforme pers. Zo goed ging het daar toen niet mee. Het was niet uit pure rijkdom dat in datzelfde jaar 1964, NRC en Algemeen Handelsblad de twee voorlopig nog zelfstandige poten werden van de nieuwe organisatie die Nederlandse Dagblad Unie kwam te heten. Het resultaat van de volgende stap in dat proces, NRC/Handelsblad, bestaat eind deze maand 25 jaar.

Vier jaar later was sprake van een slagveld. Niet alleen de NDU was opgericht, maar in hetzelfde jaar ook de VNU (Teulings en Spaarnestad). Kort daarop volgden door Het Parool en de Volkskrant die samen Perscombinatie stichtten. En het einde was nog niet in zicht. Perscombinatie, Arbeiderspers en NDU besloten tot een samenwerkingsverband waarin het noodlijdende Het Vrije Volk werd ondergebracht.

En Stempels' visie op de verantwoordelijkheden binnen de krant kon ook al niet lang meer standhouden. Nadat NVJ-voorzitter Van Raalte aanvankelijk had verklaard dat er geen journalistieke consequenties verbonden waren aan die laatste besprekingen, daar hij anders wel door de beoogde fusiepartners benaderd was, werd hij door de NVJ-leden teruggefloten: “Dat bij een beslissing, die zozeer de identiteit, de redactionele kwaliteit en onafhankelijkheid van de betrokken kranten kan raken, met geen woord over inspraak, laat staan medebeslissingsrecht van de redacties wordt gerept, is een onthullende en onvergeeflijke omissie.”

Reacties van de journalistiek op concernvorming zijn schitterende tekeningen van hun tijd. Luister naar (wijlen) Jan Rogier, voorzitter van de Amsterdamse Pers - een afdeling van de NVJ - in zijn jaarrede van 1971. “In maatschappijkritiek gaat het bestuur van de Amsterdamse Pers zover dat het de crisis waarin de communicatiemedia thans over de hele westelijke, dat wil zeggen kapitalistische wereld, verkeren inherent acht aan ons maatschappelijk en dus politiek-economisch stelsel. Journalisten die daar iets aan willen doen, zullen zich solidair met alle slachtoffers van of onderworpenen aan dit stelsel in hun eigen beroepspraktijk, binnen hun redacties, ten opzichte van hun bedrijven, en als leden van de vakbeweging, moeten opstellen als principiële antagonisten van dit stelsel. Vandaar dat ik voor wat dit bestuur ook in de toekomst wil doen, het beste kan volstaan met het aanhalen van Bertolt Brecht: 'Die Anwendung wirklicher Dialektik wird in dieser unserer Gesellschaftsordnung sofort und unmittelbar zu direkt revolitionüren Aktionen und Organisationen führen müssen, wobei die (bürgerliche) gesellschaftliche Tütigkeit als Ausgangspunkt für Organisationen und Aktionen dienen.”

Het is een passage die op de kamer der hoofdredacteur van NRC/Handelsblad niet vaak geciteerd zal zijn. Het maakt wel nog eens duidelijk hoe zich in de reactie op grote veranderingen in de pers zich de tijd weerspiegelt. Wat dat betreft levert de opmerking over pers en pluriformiteit in NRC/Handelsblad van afgelopen maandag wel weer een voortreffelijk beeld van de maatschappij van 1995.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden