'Laat die stotter maar komen' Therapeut: Mensen schamen zich en daardoor wordt het erger

HELLEVOETSLUIS (ANP) - Stotteren. Iedereen denkt dat hij weet wat het is, maar bar weinig mensen weten hoe ze ermee moeten omgaan. Om dat te veranderen, wordt volgende week de Nationale stotterweek gehouden. Voornaamste doelen zijn het bespreekbaar maken van stotteren en het voorkomen van dit euvel.

Eén tot 2 procent van de mensen stottert. De kwaal heeft drie hoofdkenmerken: de herhaling (poe...poe...poe...poes), de verlenging (mmmmmmamma) en de blokkade (i...k).

Het verschijnsel komt tussen het tweede en zesde jaar opzetten en blijft sommige mensen hun leven lang hinderen. Niet iedereen die aanleg heeft, gaat ook stotteren. Maar als er te hoge eisen aan een kind worden gesteld of als een kind teveel van zichzelf eist, is de kans op ontwikkeling van de kwaal optimaal.

Vijftig procent van de jonge kinderen hakkelt overigens. Als ze hele woorden herhalen, is er waarschijnlijk niets aan de hand. Hakkelen ze echter binnen een woord (se-se-noe-noe-hoepje), dan zijn het vrijwel zeker stotteraars en kan hulp noodzakelijk zijn.

“Eén van de grootste misverstanden is dat mensen denken dat je pas rond het zevende jaar actie tegen het stotteren moet ondernemen. Er zijn zelfs nog wel huisartsen die dat zeggen. Maar ook hier geldt: hoe eerder, hoe beter”, zegt stottertherapeute Esther Verwoest uit Hellevoetsluis.

“Mijn jongste patiëntje is twee jaar en vier maanden. Zij ervaart stotteren al heel bewust als iets verkeerds. Als ze voelt dat er een stotter komt, dan gaat ze fluisteren, met haar handjes voor haar mond.”

Het taboe dat over stotteren ligt, moet worden doorbroken. Het is namelijk één van de factoren die stotteren bevordert. Mensen schamen zich ervoor, doen er alles aan om het te voorkomen en zo wordt het alleen maar slechter. Vooral de bijbewegingen kunnen dan erger worden: capriolen met de lippen, de tong, de kaak, de ogen, de armen en de ademhaling.

Verwoest: “De stotteraars kunnen ook hevige emoties krijgen: angst, machteloosheid, woede, verdriet. Ze worden vaak heel geraffineerd in het zoeken naar oplossingen, zoals het snel kiezen van andere woorden dan die ze eigenlijk hadden willen zeggen. Ze kunnen het ook heel ver schoppen in de wereld. Maar ze kunnen ook besluiten zo min mogelijk te zeggen. In beide gevallen hebben ze vaak bijna geen leven. In mijn praktijken in Hellevoetsluis en Goes probeer ik het spreken weer aangenaam te maken.”

“De ongeveer tweehonderd therapeuten in ons land hanteren verschillende methoden. Je hebt de 'vloeiend spreken-methode', die volledig gericht is op het stottervrij maken met behulp van technieken. Maar dat betekent dat een stotteraar zich voortdurend van die technieken moet bedienen. Hij kan dus nooit spontaan zijn en bij emoties zullen die technieken hem ook in de steek laten.”

“Daarom gebruik ik de 'stotter vloeiend-methode'. Deze is gericht op het accepteren van het stotteren. Als je dat doet, stotter je al minder. De herhalingen, verlengingen en blokkades blijven dan wel, maar door therapie kun je die verminderen naar een mate waarin ze heel acceptabel zijn.”

De acceptatiemethode kan snel succes opleveren, blijkt uit de verhalen van Verwoest. “Ik heb nu pas een jongen van acht. Daar heb ik alleen nog maar een paar simpele oefeningen mee gedaan. Ik heb zelf ook expres gestotterd. Dat werkt heel ontzenuwend. Zijn ouders zijn inmiddels heel enthousiast. Hij heeft twee weken niet gestotterd, zeggen zijn ouders. Hij wordt ook anders, vrolijker en hij meldt weer dingen spontaan.”

Eigenlijk moeten niet alleen de stotteraars in therapie, maar de hele samenleving. Die samenleving zorgt er immers voor dat het stotteren erger wordt.

Verwoest is rigoreus. “De ouders van mijn patiëntjes moeten ook een cursus doen. Tien avonden lang. Willen ze niet, dan accepteer ik hun kind ook niet.”

Ouders moeten soms een hele gedragsverandering ondergaan. Het is belangrijk dat ze weten dat ze niet moeten aanvullen, vermanen ('denk 'ns na') of onderbreken. “Onderbreken wordt door alle stotteraars als het allerergste ervaren. Ze vinden het nog vervelender dan uitlachen of nadoen”, zegt Verwoest.

Zij raadt aan stotteraars van te voren te vragen of ze geholpen willen worden. “Meestal willen ze dat echter niet. Het is ook niet goed, omdat je ze helpt voorkomen dat er een stotter komt. Dan krijg je weer dat vermijdingsgedrag, dat haaks staat op de acceptatie. Laat de stotter maar komen.”

Het zal echter moeilijk blijven om een stotteraar niet op de zenuwen te werken. “Mensen reageren altijd op stotteren en dat ontgaat zeker de kinderen niet. Die zijn heel gevoelig voor non-verbale boodschappen, die aan het gezicht af te lezen zijn. Opvallend is dat er niet of nauwelijks blinde stotteraars zijn. Het is nooit onderzocht, maar je zou denken dat blinde mensen met aanleg voor stotteren de kwaal niet verder ontwikkelen doordat ze de reacties niet zien.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden